Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Centrale Raad van Beroep

ECLI:NL:CRVB:2026:1180

2026-09-10 Bestuursrecht; Ambtenarenrecht 24/699 AW
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2026-09-10
Publicatiedatum
2026-09-14
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
24/699 AW
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

De aan appellant opgelegde disciplinaire maatregel van plaatsing in een andere functie met verlaging van het salaris is niet onevenredig aan de ernst van het door appellant in zijn functie van ploegchef gepleegde plichtsverzuim, ondanks de financiële gevolgen daarvan voor zijn FLO- en pensioenuitkering.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (8.907 tekens)
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer



24/699 AW










Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 13 februari 2024, 23/2736 (aangevallen uitspraak)







Partijen:




[appellant] te [woonplaats] (appellant)



het dagelijks bestuur Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland-Midden (dagelijks bestuur)








Datum uitspraak: 10 september 2026


SAMENVATTING


De Raad is van oordeel dat de door het dagelijks bestuur aan appellant opgelegde disciplinaire maatregel van plaatsing in een andere functie met verlaging van het salaris niet onevenredig is aan de ernst van het door appellant in zijn functie van ploegchef gepleegde plichtsverzuim, ondanks de financiële gevolgen daarvan voor zijn FLO- en pensioenuitkering.





PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. P. Bots, hoger beroep ingesteld. Namens het dagelijks bestuur heeft mr. M.J.J. Rutten, advocaat, een verweerschrift ingediend.



De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 2 juli 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Bots. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Rutten. Voor het dagelijks bestuur zijn ook verschenen, K.S.J. Beke en W. Verboom.





OVERWEGINGEN




Inleiding


1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.


1.1.
Appellant was sinds 1 januari 1986 in dienst van de Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland-Midden, bij het onderdeel [naam onderdeel], laatstelijk in de functie van ploegchef in de 24-uursdienst. Aan deze functie is salarisschaal 9 verbonden.


1.2.
Met een besluit van 13 mei 2022 heeft het dagelijks bestuur bevestigd dat appellant vanaf 1 juni 2023 gebruik zal maken van het functioneel leeftijdsontslag (FLO) en dat hij tot 1 juni 2031 een netto uitkering zal ontvangen op grond van het FLO-overgangsrecht. Daarbij is aan appellant met ingang van 1 juni 2031 ontslag verleend.


1.3.
Op 14 oktober 2022 heeft het dagelijks bestuur appellant geschorst omdat hij op die dag nevenwerkzaamheden verrichtte terwijl hij zich bij de veiligheidsregio had ziekgemeld en omdat hij daarover tegen zijn leidinggevende had gelogen.



1.4.
Na een voornemen daartoe, waarop appellant zijn zienswijze heeft gegeven, heeft het dagelijks bestuur met zijn besluit 28 november 2022 aan appellant een disciplinaire straf opgelegd. Appellant is met ingang van 1 december 2022 geplaatst in een andere functie, namelijk die van allround manschap op de post in [plaats] , met de rang van [functie] . Aan deze functie is een lagere salarisschaal verbonden, namelijk salarisschaal 7. Appellant is verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan zeer ernstig plichtsverzuim door:


het verrichten van nevenwerkzaamheden voor het Nederlands Instituut voor Publieke Veiligheid (NIPV), terwijl hij stond ingeroosterd voor een 24-uurs dienst bij de veiligheidsregio;


het verrichten van nevenwerkzaamheden voor het NIPV, terwijl hij zich bij de veiligheidsregio had ziekgemeld;


het niet-naleven van de coronavoorschriften terwijl hij wist dat dat hij coronapositief was;


het niet-naleven van de regels omtrent ziekteverzuim;


het verspreiden van een suggestief en opruiend app-bericht aan zijn teamleden;


het overleggen van een bewerkt app-bericht nadat hem was gevraagd om hierover openheid van zaken te geven; en


het bij herhaling liegen tegen een leidinggevende.





1.5.
Met een besluit van 4 april 2023 (bestreden besluit) heeft het dagelijks bestuur – voor zover hier van belang – het bezwaar tegen de opgelegde disciplinaire maatregel ongegrond verklaard.




Uitspraak van de rechtbank



2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Voor de rechtbank is het aannemelijk dat appellant heeft gewerkt voor het NIPV terwijl hij zich ziek had gemeld bij de veiligheidsregio. De overige gedragingen worden niet bestreden en daarmee heeft appellant zich schuldig gemaakt aan plichtsverzuim. Met betrekking tot de evenredigheid van de opgelegde disciplinaire maatregel is de rechtbank van oordeel dat de maatregel weliswaar financiële gevolgen heeft voor de hoogte van de FLO-uitkering en het pensioen van appellant, maar afgezet tegen de aard en ernst van het gestelde plichtsverzuim wordt de opgelegde disciplinaire straf niet onevenredig geacht.

Het standpunt van appellant


3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.



Het oordeel van de Raad


4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.

Plichtsverzuim



4.1.

Van de onder 1.4 genoemde gedragingen betwist appellant uitsluitend dat hij tijdens ziekte op 16 september 2020 nevenwerkzaamheden heeft verricht. Tussen partijen is niet in geschil dat de overige onder 1.4 genoemde gedragingen plichtsverzuim opleveren en dat dit plichtsverzuim appellant kan worden toegerekend. Dit betekent dat het dagelijks bestuur bevoegd was appellant een disciplinaire straf op te leggen. In geschil is alleen de evenredigheid van de opgelegde straf.

Evenredigheid




4.2.
Zoals de Raad eerder heeft overwogen zijn kwalificaties als “ernstig” of “zeer ernstig” niet rechtstreeks bepalend voor het antwoord op de vraag of een opgelegde straf als evenredig aan het daaraan ten grondslag gelegde plichtsverzuim moet worden beschouwd. Bij de beoordeling van de evenredigheid is de aard en ernst van het vastgestelde plichtsverzuim, alle relevante omstandigheden in aanmerking genomen, bepalend.


4.3.
Het dagelijks bestuur heeft aan de hand van het vastgestelde plichtsverzuim mogen concluderen dat appellant door zijn handelen het vertrouwen van het bestuur in zijn betrouwbaarheid en integriteit als medewerker en ploegchef ernstig heeft beschadigd. Appellant heeft naar aanleiding van zijn schorsing een suggestief en opruiend app-bericht verstuurd naar de leden van zijn ploeg. Nadat hem door zijn leidinggevenden was gevraagd openheid van zaken te geven over dit app-bericht, heeft hij het bewerkt en niet het originele maar het bewerkte bericht overgelegd aan zijn leidinggevenden. Verder heeft hij bij herhaling tegen zijn leidinggevenden gelogen en de voor een ieder geldende ziekteregels overtreden. Daarnaast heeft appellant nevenwerkzaamheden verricht terwijl hij bij de veiligheidsregio stond ingeroosterd. Deze niet integere en deels gezagsondermijnende gedragingen zijn appellant als medewerker en leidinggevende zwaar aan te rekenen. Dit alles leidt de Raad tot het oordeel dat de straf van plaatsing in een andere functie met verlaging van het salaris niet onevenredig is aan de ernst van het gepleegde plichtsverzuim. Dat de disciplinaire maatregel nadelige financiële gevolgen heeft voor zijn FLO- en pensioenuitkering maakt dat niet anders.





Conclusie en gevolgen


4.4.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de opgelegde disciplinaire maatregel van plaatsing in een andere functie met verlaging van het salaris in stand blijft.


5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.






BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.




Deze uitspraak is gedaan door K.H. Sanders als voorzitter en B. Serno en J.P. Loof als leden, in tegenwoordigheid van S. Ploum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 september 2026.






(getekend) K.H. Sanders





De griffier is verhinderd te ondertekenen




Zie onder meer de uitspraak van de Raad van 17 december 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:3212.