Centrale Raad van Beroep
ECLI:NL:CRVB:2026:1175
2026-09-10
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
24/2625 AKW
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Afwijzing aanvraag kinderbijslag vanaf derde kwartaal van 2023. Appellante heeft vanaf het tweede kwartaal van 2023 tot en met het eerste kwartaal van 2024 geen recht op kinderbijslag omdat zij op de peildata van die kwartalen nog niet verzekerd is voor de AKW.
Citeert (6)
- ECLI:NL:HR:2011:BP1466 Hoge Raad 21-01-2011
- ECLI:NL:HR:2011:BP6285 Hoge Raad 04-03-2011
- ECLI:NL:CRVB:2012:BX5908 Centrale Raad van Beroep 17-08-2012
- ECLI:NL:CRVB:2017:877 Centrale Raad van Beroep 03-03-2017
- ECLI:NL:CRVB:2019:2182 Centrale Raad van Beroep 20-06-2019
- ECLI:NL:CRVB:2024:1401 Centrale Raad van Beroep 04-07-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (15.315 tekens)
24/2625 AKW, 25/ 2473 AKW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Limburg van 15 oktober 2024, 23/3315 (aangevallen uitspraak 1) en 21 november 2025, 25/372 (aangevallen uitspraak 2)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak: 10 september 2026
SAMENVATTING
De Raad volgt het oordeel van de rechtbank dat appellante over het tweede, derde en vierde kwartaal van 2023 en het eerste kwartaal van 2024 geen recht heeft op kinderbijslag op grond van de AKW. Op de peildata van die kwartalen was appellante niet verzekerd voor de AKW. Zij was toen nog geen ingezetene.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. T.P.M. Kouwenaar hoger beroepen ingesteld. De Svb heeft verweerschriften ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaken verwezen naar de enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaken gezamenlijk behandeld op een zitting van 20 augustus 2026. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Kouwenaar en K. Lazar, tolk. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.F. Sturmans.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Appellante heeft op 30 april 2023 kinderbijslag aangevraagd voor haar zoon [naam zoon] , die is geboren op [geboortedatum] 2016 en de Nederlandse nationaliteit heeft. Met een besluit van 29 juni 2023 heeft de Svb de aanvraag om kinderbijslag afgewezen. Appellante heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt, maar de Svb is met een besluit van 3 oktober 2023 (bestreden besluit 1) gebleven bij de afwijzing van de aanvraag. Volgens de Svb heeft appellante vanaf het tweede kwartaal van 2023 geen recht op kinderbijslag omdat zij niet verzekerd is voor de AKW.
1.1.
Appellante heeft op 26 januari 2024 met terugwerkende kracht vanaf het derde kwartaal van 2023 kinderbijslag aangevraagd voor [naam zoon] . Met een besluit van 26 maart 2024 heeft de Svb kinderbijslag toegekend, echter pas vanaf het tweede kwartaal van 2024. Appellante heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt, maar de Svb is met het besluit van 28 februari 2025 (bestreden besluit 2) gebleven bij de toekenning vanaf het tweede kwartaal van 2024. Volgens de Svb heeft appellante vanaf het tweede kwartaal van 2023 tot en met het eerste kwartaal van 2024 geen recht op kinderbijslag omdat zij op de peildata van die kwartalen nog niet verzekerd is voor de AKW.
De uitspraken van de rechtbank
2. De rechtbank heeft bij aangevallen uitspraak 1 het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard en daarmee bestreden besluit 1 in stand gelaten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Svb terecht geen kinderbijslag toegekend vanaf het tweede kwartaal van 2023. Anders dan appellante heeft betoogd was zij volgens de rechtbank toen nog geen ingezetene van Nederland, omdat zij op dat moment geen duurzame band van persoonlijke aard met Nederland had.
2.1.
Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het beroep tegen bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee bestreden besluit 2 in stand gelaten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Svb terecht geen kinderbijslag toegekend over het derde en vierde kwartaal van 2023 en het eerste kwartaal van 2024. Anders dan appellante heeft betoogd, was zij volgens de rechtbank op de peildata van die kwartalen geen ingezetene van Nederland, omdat zij toen nog geen duurzame band van persoonlijke aard met Nederland had.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met het oordeel van de rechtbank over bestreden besluiten 1 en 2 niet eens. Wat appellante tegen die uitspraken heeft aangevoerd wordt hierna besproken.
Het standpunt van de Svb
4. De Svb heeft gevraagd om de aangevallen uitspraken te bevestigen.
Het oordeel van de Raad
5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht bestreden besluiten 1 en 2 in stand heeft gelaten, voor zover de Svb met die besluiten is gebleven bij de afwijzing van de aanvraag om kinderbijslag over het tweede kwartaal van 2023 tot en met het eerste kwartaal van 2024. De Raad doet deze beoordeling aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
5.1.
De wettelijke regels en beleidsregels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
5.2.
Volgens vaste rechtspraak komt het er bij de beoordeling van de omstandigheden van ingezetenschap op aan of deze van dien aard zijn, dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en Nederland.
5.3.
De Raad heeft eerder geoordeeld dat voor het aannemen van ingezetenschap onvoldoende is dat de betrokkene de intentie heeft zich definitief in Nederland te vestigen, nu die intentie door objectieve factoren moet worden ondersteund. Verder heeft de Raad vaker geoordeeld dat het beschikken over duurzaam ter beschikking staande woonruimte één van de omstandigheden is die van belang zijn bij de weging of sprake is van een duurzame band van persoonlijke aard tussen de betrokkene en Nederland. Ook de duur van het verblijf in Nederland is een omstandigheid die van belang is bij die beoordeling.
5.4.
In beleidsregel SB1022 heeft de Svb vastgelegd wanneer iemand ingezetene is. Bepalend volgens deze beleidsregel is of tussen de betrokkene en Nederland een duurzame band van persoonlijke aard bestaat, wat moet worden beoordeeld aan de hand van alle in aanmerking komende feiten en omstandigheden van het geval. Een factor waarop de Svb in het bijzonder acht slaat is de duurzaamheid van het verblijf in Nederland of elders. Volgens beleidsregel SB1022 past de Svb naar analogie de beleidsregels toe ten aanzien van het verlies van ingezetenschap na vertrek uit Nederland (SB1027). De Svb heeft toegelicht dat dit meebrengt dat in gevallen waarin het onderzoek naar de feitelijke omstandigheden niet leidt tot de conclusie dat sprake is van een definitief verblijf in Nederland, de Svb de betrokkene vanaf het eerste jaar na de feitelijke aankomst naar Nederland in beginsel als ingezetene beschouwt.
5.5.
Het is de exclusieve taak van de rechter om in procedures als de onderhavige het wettelijk begrip ingezetene uit te leggen. Daarmee is niet gezegd dat de Svb geen wetsinterpreterende beleidsregels mag opstellen, maar deze zijn in het algemeen dus niet van doorslaggevende betekenis voor het antwoord op de vraag of een betrokkene als ingezetene moet worden aangemerkt.
5.6.
Uit de gedingstukken komt naar voren dat appellante met haar zoon [naam zoon] op 23 januari 2023 naar Nederland is gekomen. Zij was op de verschillende peildata 1 april 2023, 1 juli 2023, 1 oktober 2023 en 1 januari 2024 dus nog maar kort in Nederland. Zij heeft niet eerder in Nederland gewoond. Ook heeft zij geen familie in Nederland. Vanaf haar aankomst in Nederland verbleef appellante bij kennissen. Pas vanaf augustus 2024, dus na de verschillende peildata die hier in geding zijn, beschikt appellante over een duurzame woning in Nederland. Appellante werkte op de peildata niet in Nederland. Ook uit andere omstandigheden blijkt niet dat op de peildata in geding sprake was van een duurzame band van persoonlijke aard tussen appellante en Nederland. Dat appellante rechtmatig verblijf in Nederland heeft als familielid van een Unieburger (haar zoon) is daarvoor onvoldoende. Dat appellante en haar zoon op respectievelijk 30 maart 2023 en 4 april 2023 zijn ingeschreven bij de gemeente, dat haar zoon sinds 27 maart 2023 op school is ingeschreven, dat aan appellante op 31 juli 2023 per 25 april 2023 een uitkering op grond van de Participatiewet is toegekend, dat appellante in augustus 2023 met taalles is gestart en dat zij sinds 10 oktober 2023 een zorgverzekering heeft, laat zien dat de binding van appellante met Nederland geleidelijk toenam, maar is onvoldoende om appellante op de in geding zijnde kwartalen als ingezetene aan te merken. Wat appellante verder heeft aangevoerd kan niet tot een andere conclusie over het ingezetenschap leiden.
Conclusie en gevolgen
6. De hoger beroepen slagen dus niet. De aangevallen uitspraken worden bevestigd voor zover aangevochten. Dit betekent dat appellante over het tweede, derde en vierde kwartaal van 2023 en het eerste kwartaal van 2024 geen recht heeft op kinderbijslag.
7. Omdat de hoger beroepen niet slagen krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door L.M. Tobé in tegenwoordigheid van A.M. van Oorschot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 september 2026.
(getekend) L.M. Tobé
(getekend) A.M. van Oorschot
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van de begrippen verzekerde en ingezetene.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
Algemene Kinderbijslagwet
Artikel 2
Ingezetene in de zin van deze wet is degene, die in Nederland woont.
Artikel 3, eerste lid
Waar iemand woont en waar een lichaam gevestigd is, wordt naar de omstandigheden beoordeeld.
Artikel 6, eerste lid
Verzekerd overeenkomstig de bepalingen van deze wet is degene, die
a. ingezetene is;
b. geen ingezetene is, doch ter zake van in Nederland of op het continentaal plat in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen.
Artikel 11, eerste lid
Recht op kinderbijslag voor een kind ingevolge deze wet heeft slechts degene, die op de eerste dag van een kalenderkwartaal verzekerd is.
Beleidsregel SB 1022 (Ingezetene/wonen)
(…) Een persoon wordt geacht in Nederland te wonen als tussen hem en Nederland een duurzame band van persoonlijke aard bestaat. Of sprake is van zulk een band, moet worden beoordeeld aan de hand van alle in aanmerking komende feiten en omstandigheden van het geval (HR 21 januari 2011 en HR 4 maart 2011). Objectieve en subjectieve factoren als woon- en werkomgeving, gezin, financiën en inschrijving in het bevolkingsregister worden tegen elkaar afgewogen om tot een eindoordeel te komen; er wordt niet beslist op basis van één factor, het onderlinge verband van factoren is doorslaggevend.
Uit de jurisprudentie blijkt voorts dat de wil van een betrokkene om in Nederland te wonen van belang kan zijn. De intentie dient echter te worden beoordeeld aan de hand van het gedrag en dient te blijken uit de feiten en omstandigheden. Op de intentie van een betrokkene wordt geen acht geslagen als deze niet objectief kan worden vastgesteld. Evenmin komt aan de intentie enig belang toe als deze niet kan worden verwezenlijkt. Het enkele voornemen zich in Nederland te vestigen vormt op zichzelf nimmer een afdoende omstandigheid voor het aannemen van ingezetenschap (HR 17 januari 1996).
Een factor waarop de SVB in het bijzonder acht slaat is de duurzaamheid van het verblijf in Nederland of elders. De SVB past naar analogie de beleidsregels toe ten aanzien van het verlies van ingezetenschap na vertrek uit Nederland (zie SB1027 over einde verplichte verzekering na vertrek uit Nederland).
Beleidsregel SB1027 (Einde verplichte verzekering na vertrek uit Nederland)
(…) Of de band met Nederland verbroken is, stelt de SVB vast op basis van het totaalbeeld van de feiten, waaruit in het concrete geval moet blijken of de betrokkene zijn woonplaats in Nederland heeft opgegeven. De SVB beoordeelt dit aan de hand van dezelfde criteria als die welke gelden voor ingezetenschap in Nederland (Zie SB1022 over ingezetene en wonen).
In dit verband onderscheidt de SVB drie situaties:
- Betrokkene vertrekt uit Nederland met het voornemen om zich definitief in een ander land te vestigen. In dat geval geldt dat het ingezetenschap eindigt op de datum volgend op die van het feitelijk vertrek uit Nederland. Of het vertrek een definitief karakter heeft, moet blijken uit het totaal beeld van alle relevante omstandigheden.
- Betrokkene heeft het voornemen om minder dan een jaar buiten Nederland te verblijven. In die situatie geldt dat het ingezetenschap niet eindigt, mits het - voorgenomen - verblijf buitenslands bedoeld is tijdelijk te zijn. Of sprake is van een tijdelijk verblijf buiten Nederland van minder dan een jaar moet blijken uit het totaalbeeld van alle relevante omstandigheden.
- Betrokkene heeft het voornemen om langer dan een jaar buiten Nederland te verblijven en het vertrek heeft geen definitief karakter.
In de laatste situatie geldt als uitgangspunt dat naarmate betrokkene langer buiten Nederland verblijft het waarschijnlijk is dat de band met Nederland minder sterk wordt. In gevallen waarin het onderzoek naar de feitelijke omstandigheden niet leidt tot de conclusie dat sprake is van een definitief verblijf in het buitenland beschouwt de SVB betrokkene het eerste jaar na het feitelijk vertrek uit Nederland (nog) als ingezetene. Na dat jaar beschouwt de SVB het ingezetenschap als geëindigd, tenzij betrokkene zelf aantoont dat de feitelijke omstandigheden het (voorlopig) handhaven van het ingezetenschap rechtvaardigen. Als drie jaar zijn verlopen na de datum van vertrek uit Nederland, beschouwt de SVB het ingezetenschap zonder meer als geëindigd.
Algemene Kinderbijslagwet.
Zie de arresten van de Hoge Raad van 21 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP1466, 4 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6285 en de uitspraak van de Raad van 17 augustus 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX5908.
Uitspraak van 3 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:877.
Uitspraak van 20 juni 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2182.
Uitspraak van 4 juli 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1401.
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Limburg van 15 oktober 2024, 23/3315 (aangevallen uitspraak 1) en 21 november 2025, 25/372 (aangevallen uitspraak 2)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak: 10 september 2026
SAMENVATTING
De Raad volgt het oordeel van de rechtbank dat appellante over het tweede, derde en vierde kwartaal van 2023 en het eerste kwartaal van 2024 geen recht heeft op kinderbijslag op grond van de AKW. Op de peildata van die kwartalen was appellante niet verzekerd voor de AKW. Zij was toen nog geen ingezetene.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. T.P.M. Kouwenaar hoger beroepen ingesteld. De Svb heeft verweerschriften ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaken verwezen naar de enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaken gezamenlijk behandeld op een zitting van 20 augustus 2026. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Kouwenaar en K. Lazar, tolk. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.F. Sturmans.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Appellante heeft op 30 april 2023 kinderbijslag aangevraagd voor haar zoon [naam zoon] , die is geboren op [geboortedatum] 2016 en de Nederlandse nationaliteit heeft. Met een besluit van 29 juni 2023 heeft de Svb de aanvraag om kinderbijslag afgewezen. Appellante heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt, maar de Svb is met een besluit van 3 oktober 2023 (bestreden besluit 1) gebleven bij de afwijzing van de aanvraag. Volgens de Svb heeft appellante vanaf het tweede kwartaal van 2023 geen recht op kinderbijslag omdat zij niet verzekerd is voor de AKW.
1.1.
Appellante heeft op 26 januari 2024 met terugwerkende kracht vanaf het derde kwartaal van 2023 kinderbijslag aangevraagd voor [naam zoon] . Met een besluit van 26 maart 2024 heeft de Svb kinderbijslag toegekend, echter pas vanaf het tweede kwartaal van 2024. Appellante heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt, maar de Svb is met het besluit van 28 februari 2025 (bestreden besluit 2) gebleven bij de toekenning vanaf het tweede kwartaal van 2024. Volgens de Svb heeft appellante vanaf het tweede kwartaal van 2023 tot en met het eerste kwartaal van 2024 geen recht op kinderbijslag omdat zij op de peildata van die kwartalen nog niet verzekerd is voor de AKW.
De uitspraken van de rechtbank
2. De rechtbank heeft bij aangevallen uitspraak 1 het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard en daarmee bestreden besluit 1 in stand gelaten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Svb terecht geen kinderbijslag toegekend vanaf het tweede kwartaal van 2023. Anders dan appellante heeft betoogd was zij volgens de rechtbank toen nog geen ingezetene van Nederland, omdat zij op dat moment geen duurzame band van persoonlijke aard met Nederland had.
2.1.
Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het beroep tegen bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee bestreden besluit 2 in stand gelaten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Svb terecht geen kinderbijslag toegekend over het derde en vierde kwartaal van 2023 en het eerste kwartaal van 2024. Anders dan appellante heeft betoogd, was zij volgens de rechtbank op de peildata van die kwartalen geen ingezetene van Nederland, omdat zij toen nog geen duurzame band van persoonlijke aard met Nederland had.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met het oordeel van de rechtbank over bestreden besluiten 1 en 2 niet eens. Wat appellante tegen die uitspraken heeft aangevoerd wordt hierna besproken.
Het standpunt van de Svb
4. De Svb heeft gevraagd om de aangevallen uitspraken te bevestigen.
Het oordeel van de Raad
5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht bestreden besluiten 1 en 2 in stand heeft gelaten, voor zover de Svb met die besluiten is gebleven bij de afwijzing van de aanvraag om kinderbijslag over het tweede kwartaal van 2023 tot en met het eerste kwartaal van 2024. De Raad doet deze beoordeling aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
5.1.
De wettelijke regels en beleidsregels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
5.2.
Volgens vaste rechtspraak komt het er bij de beoordeling van de omstandigheden van ingezetenschap op aan of deze van dien aard zijn, dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en Nederland.
5.3.
De Raad heeft eerder geoordeeld dat voor het aannemen van ingezetenschap onvoldoende is dat de betrokkene de intentie heeft zich definitief in Nederland te vestigen, nu die intentie door objectieve factoren moet worden ondersteund. Verder heeft de Raad vaker geoordeeld dat het beschikken over duurzaam ter beschikking staande woonruimte één van de omstandigheden is die van belang zijn bij de weging of sprake is van een duurzame band van persoonlijke aard tussen de betrokkene en Nederland. Ook de duur van het verblijf in Nederland is een omstandigheid die van belang is bij die beoordeling.
5.4.
In beleidsregel SB1022 heeft de Svb vastgelegd wanneer iemand ingezetene is. Bepalend volgens deze beleidsregel is of tussen de betrokkene en Nederland een duurzame band van persoonlijke aard bestaat, wat moet worden beoordeeld aan de hand van alle in aanmerking komende feiten en omstandigheden van het geval. Een factor waarop de Svb in het bijzonder acht slaat is de duurzaamheid van het verblijf in Nederland of elders. Volgens beleidsregel SB1022 past de Svb naar analogie de beleidsregels toe ten aanzien van het verlies van ingezetenschap na vertrek uit Nederland (SB1027). De Svb heeft toegelicht dat dit meebrengt dat in gevallen waarin het onderzoek naar de feitelijke omstandigheden niet leidt tot de conclusie dat sprake is van een definitief verblijf in Nederland, de Svb de betrokkene vanaf het eerste jaar na de feitelijke aankomst naar Nederland in beginsel als ingezetene beschouwt.
5.5.
Het is de exclusieve taak van de rechter om in procedures als de onderhavige het wettelijk begrip ingezetene uit te leggen. Daarmee is niet gezegd dat de Svb geen wetsinterpreterende beleidsregels mag opstellen, maar deze zijn in het algemeen dus niet van doorslaggevende betekenis voor het antwoord op de vraag of een betrokkene als ingezetene moet worden aangemerkt.
5.6.
Uit de gedingstukken komt naar voren dat appellante met haar zoon [naam zoon] op 23 januari 2023 naar Nederland is gekomen. Zij was op de verschillende peildata 1 april 2023, 1 juli 2023, 1 oktober 2023 en 1 januari 2024 dus nog maar kort in Nederland. Zij heeft niet eerder in Nederland gewoond. Ook heeft zij geen familie in Nederland. Vanaf haar aankomst in Nederland verbleef appellante bij kennissen. Pas vanaf augustus 2024, dus na de verschillende peildata die hier in geding zijn, beschikt appellante over een duurzame woning in Nederland. Appellante werkte op de peildata niet in Nederland. Ook uit andere omstandigheden blijkt niet dat op de peildata in geding sprake was van een duurzame band van persoonlijke aard tussen appellante en Nederland. Dat appellante rechtmatig verblijf in Nederland heeft als familielid van een Unieburger (haar zoon) is daarvoor onvoldoende. Dat appellante en haar zoon op respectievelijk 30 maart 2023 en 4 april 2023 zijn ingeschreven bij de gemeente, dat haar zoon sinds 27 maart 2023 op school is ingeschreven, dat aan appellante op 31 juli 2023 per 25 april 2023 een uitkering op grond van de Participatiewet is toegekend, dat appellante in augustus 2023 met taalles is gestart en dat zij sinds 10 oktober 2023 een zorgverzekering heeft, laat zien dat de binding van appellante met Nederland geleidelijk toenam, maar is onvoldoende om appellante op de in geding zijnde kwartalen als ingezetene aan te merken. Wat appellante verder heeft aangevoerd kan niet tot een andere conclusie over het ingezetenschap leiden.
Conclusie en gevolgen
6. De hoger beroepen slagen dus niet. De aangevallen uitspraken worden bevestigd voor zover aangevochten. Dit betekent dat appellante over het tweede, derde en vierde kwartaal van 2023 en het eerste kwartaal van 2024 geen recht heeft op kinderbijslag.
7. Omdat de hoger beroepen niet slagen krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door L.M. Tobé in tegenwoordigheid van A.M. van Oorschot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 september 2026.
(getekend) L.M. Tobé
(getekend) A.M. van Oorschot
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van de begrippen verzekerde en ingezetene.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
Algemene Kinderbijslagwet
Artikel 2
Ingezetene in de zin van deze wet is degene, die in Nederland woont.
Artikel 3, eerste lid
Waar iemand woont en waar een lichaam gevestigd is, wordt naar de omstandigheden beoordeeld.
Artikel 6, eerste lid
Verzekerd overeenkomstig de bepalingen van deze wet is degene, die
a. ingezetene is;
b. geen ingezetene is, doch ter zake van in Nederland of op het continentaal plat in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen.
Artikel 11, eerste lid
Recht op kinderbijslag voor een kind ingevolge deze wet heeft slechts degene, die op de eerste dag van een kalenderkwartaal verzekerd is.
Beleidsregel SB 1022 (Ingezetene/wonen)
(…) Een persoon wordt geacht in Nederland te wonen als tussen hem en Nederland een duurzame band van persoonlijke aard bestaat. Of sprake is van zulk een band, moet worden beoordeeld aan de hand van alle in aanmerking komende feiten en omstandigheden van het geval (HR 21 januari 2011 en HR 4 maart 2011). Objectieve en subjectieve factoren als woon- en werkomgeving, gezin, financiën en inschrijving in het bevolkingsregister worden tegen elkaar afgewogen om tot een eindoordeel te komen; er wordt niet beslist op basis van één factor, het onderlinge verband van factoren is doorslaggevend.
Uit de jurisprudentie blijkt voorts dat de wil van een betrokkene om in Nederland te wonen van belang kan zijn. De intentie dient echter te worden beoordeeld aan de hand van het gedrag en dient te blijken uit de feiten en omstandigheden. Op de intentie van een betrokkene wordt geen acht geslagen als deze niet objectief kan worden vastgesteld. Evenmin komt aan de intentie enig belang toe als deze niet kan worden verwezenlijkt. Het enkele voornemen zich in Nederland te vestigen vormt op zichzelf nimmer een afdoende omstandigheid voor het aannemen van ingezetenschap (HR 17 januari 1996).
Een factor waarop de SVB in het bijzonder acht slaat is de duurzaamheid van het verblijf in Nederland of elders. De SVB past naar analogie de beleidsregels toe ten aanzien van het verlies van ingezetenschap na vertrek uit Nederland (zie SB1027 over einde verplichte verzekering na vertrek uit Nederland).
Beleidsregel SB1027 (Einde verplichte verzekering na vertrek uit Nederland)
(…) Of de band met Nederland verbroken is, stelt de SVB vast op basis van het totaalbeeld van de feiten, waaruit in het concrete geval moet blijken of de betrokkene zijn woonplaats in Nederland heeft opgegeven. De SVB beoordeelt dit aan de hand van dezelfde criteria als die welke gelden voor ingezetenschap in Nederland (Zie SB1022 over ingezetene en wonen).
In dit verband onderscheidt de SVB drie situaties:
- Betrokkene vertrekt uit Nederland met het voornemen om zich definitief in een ander land te vestigen. In dat geval geldt dat het ingezetenschap eindigt op de datum volgend op die van het feitelijk vertrek uit Nederland. Of het vertrek een definitief karakter heeft, moet blijken uit het totaal beeld van alle relevante omstandigheden.
- Betrokkene heeft het voornemen om minder dan een jaar buiten Nederland te verblijven. In die situatie geldt dat het ingezetenschap niet eindigt, mits het - voorgenomen - verblijf buitenslands bedoeld is tijdelijk te zijn. Of sprake is van een tijdelijk verblijf buiten Nederland van minder dan een jaar moet blijken uit het totaalbeeld van alle relevante omstandigheden.
- Betrokkene heeft het voornemen om langer dan een jaar buiten Nederland te verblijven en het vertrek heeft geen definitief karakter.
In de laatste situatie geldt als uitgangspunt dat naarmate betrokkene langer buiten Nederland verblijft het waarschijnlijk is dat de band met Nederland minder sterk wordt. In gevallen waarin het onderzoek naar de feitelijke omstandigheden niet leidt tot de conclusie dat sprake is van een definitief verblijf in het buitenland beschouwt de SVB betrokkene het eerste jaar na het feitelijk vertrek uit Nederland (nog) als ingezetene. Na dat jaar beschouwt de SVB het ingezetenschap als geëindigd, tenzij betrokkene zelf aantoont dat de feitelijke omstandigheden het (voorlopig) handhaven van het ingezetenschap rechtvaardigen. Als drie jaar zijn verlopen na de datum van vertrek uit Nederland, beschouwt de SVB het ingezetenschap zonder meer als geëindigd.
Algemene Kinderbijslagwet.
Zie de arresten van de Hoge Raad van 21 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP1466, 4 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6285 en de uitspraak van de Raad van 17 augustus 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX5908.
Uitspraak van 3 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:877.
Uitspraak van 20 juni 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2182.
Uitspraak van 4 juli 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1401.