Centrale Raad van Beroep
ECLI:NL:CRVB:2026:1163
2026-09-03
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
24/2551 ZW
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Weigering WIA-uitkering toe te kennen omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Aanpassing FML. Benoeming deskundige. De Raad volgt de conclusies van de deskundige. De rapporten van de deskundige geven blijk van een zorgvuldig onderzoek en zijn inzichtelijk en consistent. Voldoende medische en arbeidskundige onderbouwing. De geselecteerde functies zijn in medisch opzicht geschikt voor appellant. Weigering ZW-uitkering toe te kennen. Appellant is in staat de in het kader van de WIA-beoordeling geselecteerde functies te vervullen.
Citeert (1)
- ECLI:NL:CRVB:2022:2672 Centrale Raad van Beroep 23-12-2022
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (20.145 tekens)
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
24/2551 ZW, 24/2552 WIA
Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Limburg van 4 november 2024, 23/1505 (aangevallen uitspraak 1) en 24/163 (aangevallen uitspraak 2)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 3 september 2026
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd appellant per 21 oktober 2022 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. De tweede vraag is of het Uwv terecht per 2 mei 2023 een ZWuitkering heeft geweigerd. Appellant vindt dat hij door zijn (medische) beperkingen niet in staat is de in het kader van de WIA-beoordeling geselecteerde functies te verrichten. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht geen WIA-uitkering en geen ZW-uitkering heeft toegekend.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M.A.E. Wijnands, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaken verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft verzekeringsarts M.M. Wolff-van der Ven als onafhankelijke deskundige benoemd. De deskundige heeft op 26 maart 2026 een rapport uitgebracht. Partijen hebben hun zienswijze op het rapport gegeven.
De Raad heeft partijen laten weten dat hij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant heeft voor het laatst gewerkt als medewerker paardenhouderij voor 39,77 uur per week. Op 23 oktober 2020 heeft hij zich ziekgemeld. Nadat appellant een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft een cardiologische expertise door Ergatis laten verrichten en vervolgens vastgesteld dat appellant bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft. De verzekeringsarts heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 14 januari 2023. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor zijn laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellant functies geselecteerd. Het Uwv heeft bij besluit van 6 februari 2023 geweigerd appellant met ingang van 21 oktober 2022 een WIAuitkering toe te kennen, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Appellant heeft tegen het besluit van 6 februari 2023 bezwaar gemaakt.
1.2.
In het kader van het bezwaar van appellant tegen het besluit van 6 februari 2023 hebben een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep gerapporteerd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft reden gezien om de FML aan te passen. Op grond van de in bezwaar ontvangen informatie heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep vastgesteld dat appellant voor tillen en dragen tijdens het werk verdergaand beperkt moet worden geacht. Tevens is er een beperking aangenomen voor schroefbewegingen met hand en arm rechts. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft op basis van de aangescherpte FML van 10 mei 2023 het Claimbeoordelings- en Borgingssyteem opnieuw geraadpleegd, nieuwe functies geselecteerd en de mate van arbeidsongeschiktheid onveranderd vastgesteld op minder dan 35%. Bij besluit van 8 juni 2023 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het door appellant gemaakte bezwaar tegen besluit van 6 februari 2023 ongegrond verklaard.
1.3.
Appellant heeft na de weigering van de WIA-uitkering een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ontvangen. Op 2 mei 2023 heeft hij zich vanuit de WW ziekgemeld met toegenomen klachten. Op 5 juni 2023 heeft hij het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft vastgesteld dat hij belastbaar is met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een FML van 5 juni 2023. Een arbeidsdeskundige heeft appellant op basis van de FML van 5 juni 2023 geschikt geacht voor de maatgevende arbeid, zijnde de functies die in het kader van de WIA-beoordeling zijn geselecteerd. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 15 juni 2023 vastgesteld dat appellant per 1 mei 2023 geen recht heeft op ziekengeld.
1.4.
Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 21 december 2023 (bestreden besluit 2) ongegrond verklaard. Het Uwv heeft meegedeeld dat in het besluit van 15 juni 2023 abusievelijk de datum 1 mei 2023 is vermeld. Dat moet 2 mei 2023 zijn. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 19 december 2023 ten grondslag.
Uitspraken van de rechtbank
2. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak 1 het beroep tegen het bestreden besluit 1 ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit 1 in stand gelaten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv terecht het standpunt gehandhaafd dat met ingang van 21 oktober 2022 voor appellant geen recht is ontstaan op een uitkering op grond van de Wet WIA. Daarbij is onder meer overwogen dat de informatie uit de behandelend sector en het rapport van Ergatis kenbaar in de beoordeling zijn betrokken. Niet gebleken is dat klachten zijn gemist. Verder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in haar rapport van 9 mei 2023 inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd dat en waarom er aanleiding is om de door de primaire verzekeringsarts vastgestelde FML aan te passen. Het Uwv heeft in alle rubrieken beperkingen in de FML opgenomen en ontkent dus niet dat appellant veel klachten ervaart en beperkingen heeft. Verder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in haar rapport van 22 februari 2024, naar aanleiding van de beroepsgronden en de daarbij ingebrachte medische informatie uit de behandelend sector en het door appellant overgelegde expertiserapport van verzekeringsarts M.J. Gerritze van 27 november 2023, inzichtelijk gemotiveerd dat er geen aanleiding is om het ingenomen standpunt te wijzigen. Omdat de rechtbank niet twijfelt aan de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, is er naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding een deskundige te benoemen, zoals is verzocht.
2.1.
Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft ook het medisch onderzoek na de ziekmelding vanuit de WW op een voldoende zorgvuldige wijze plaatsgevonden. Verder hebben de verzekeringsartsen van het Uwv naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd waarom de lichamelijke en psychische klachten van appellant per 2 mei 2023 niet wezenlijk anders waren dan die bij de WIA-beoordeling per einde wachttijd. De beperkingen zoals weergegeven in de FML van 10 mei 2023 en de FML van 5 juni 2023 zijn ook per datum in geding, 2 mei 2023, van toepassing. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet te volgen in zijn gemotiveerde conclusies.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraken van de rechtbank niet eens. Volgens appellant had de rechtbank een deskundige moeten raadplegen. Appellant heeft aangevoerd dat zijn beperkingen zijn onderschat. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant gewezen op het expertiserapport van verzekeringsarts Gerritze van 27 november 2023. Gerritze is van mening dat met name de duurbelasting meer beperkt is dan aangenomen door het Uwv. Gerritze acht appellant in staat om maximaal dertig uur per week en zes uur per dag te werken, met de mogelijkheid om na de lunch een uur rustpauze te nemen die hij liggend kan doorbrengen, naast meerdere zelf te kiezen rustpauzes die hij zittend kan doorbrengen. Appellant heeft ook aangevoerd dat hij meermaals heeft aangegeven dat er geen grote waarde dient te worden gehecht aan de uitkomsten van een eerder uitgevoerd inspanningsonderzoek. Appellant heeft tijdens dit onderzoekt zich volledig gegeven. Hij heeft de Raad verzocht een deskundige te benoemen.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het Uwv heeft appellant bij besluit van 11 februari 2026 met ingang van 5 februari 2024 een IVA-uitkering toegekend.
Het deskundigenonderzoek
5. Als gevolg van het door appellant in beroep overgelegde rapport van verzekeringsarts Gerritze is bij de Raad twijfel gerezen over de door de verzekeringsartsen vastgestelde belastbaarheid op de data in geding. De Raad heeft aanleiding gezien verzekeringsarts Wolff-van der Ven als deskundige te benoemen.
5.1.
De deskundige heeft in een rapport van 26 maart 2026 geconcludeerd dat op 21 oktober 2022 en 1 mei 2023 sprake was van, als ziekte of gebrek aan te merken, afwijkingen in de gezondheidstoestand van appellant. Bij appellant was op beide data sprake van een status na operatieve correctie van een tetralogie van Fallot met als restafwijking een ernstige pulmonaalklepinsufficiëntie. Er was tevens sprake van een diastolische dysfunctie stadium I in het kader van de normale veroudering van het hart. Voorts was er sprake van (restklachten na) een chronische achillespeestendinitis links en van coxartrose beiderzijds. In oktober 2022 was ook sprake van schouderklachten, voornamelijk rechts. In mei 2023 was eveneens sprake van beiderzijds SAPS bij cufflaesie en AC-artrose.
5.2.
De deskundige heeft te kennen gegeven zich te kunnen verenigen met de FML van 10 mei 2023 en met het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat appellant op 21 oktober 2022 in staat was gemiddeld ongeveer acht uur per dag en veertig uur per week te werken.
5.3.
Volgens de deskundige dient in de FML van 5 juni 2023 de toelichting bij item 4.6 schroefbewegingen met hand en arm aangepast te worden naar beiderzijds (in plaats van rechts). Verder heeft de deskundige zich kunnen verenigen met de FML van 5 juni 2023.
5.4.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 23 april 2026 te kennen gegeven zich te kunnen vinden in de conclusies van de deskundige. In een gewijzigde FML van 23 april 2026 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de door de deskundige in het rapport van 26 maart 2026 beschreven gewijzigde belastbaarheid dienovereenkomstig aangepast. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in het rapport van 23 april 2026 geconcludeerd dat op basis van de gewijzigde FML de eerder geduide functies nog passend zijn.
5.5.
Appellant kan zich niet verenigen met de uitkomst van het onderzoek door de deskundige. Appellant is van mening dat er nog meer lichamelijke problematiek bestaat waar beperkingen voor moeten worden opgenomen in de FML. Zo ondervindt appellant tevens beperkingen op het gebied van frequent buigen en het boven schouderhoogte actief zijn. Dit wordt tevens onderschreven door verzekeringsarts Gerritze in haar rapport. Appellant kan ook het oordeel wat betreft de psychische problematiek van de deskundige niet volgen. Door appellant is ter onderbouwing van zijn standpunt dat zijn psychische klachten zijn onderschat verwezen naar een e-mail van 5 maart 2024 van psychotherapeut [naam] in de bijlage van het rapport van de deskundige. Appellant stelt zich op het standpunt dat de deskundige van een andere situatie uit is gegaan bij het opstellen van het rapport dan de werkelijke situatie. Volgens appellant heeft Gerritze de somatische problematiek en vermoeidheid van appellant juist in beeld gebracht. Op basis van het rapport van Gerritze is appellant slechts voor dertig uur per week belastbaar op beide data in geding en dient appellant zo veel rustpauzes te kunnen krijgen als voor hem noodzakelijk is.
Het oordeel van de Raad
242552 WIA
6. De Raad beoordeelt aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden, of de rechtbank het bestreden besluit 1 over de weigering van de WIA-uitkering per 21 oktober 2022 terecht in stand heeft gelaten. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
6.1.
Op grond van artikel 5 van de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.
Medische beoordeling
6.2.
Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter de conclusies van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige volgt indien de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. De rapporten van de deskundige geven blijk van een zorgvuldig onderzoek en zijn inzichtelijk en consistent. De deskundige heeft de zich in het dossier bevindende gegevens, waaronder het rapport van 27 november 2023 van verzekeringsarts Gerritze, kenbaar bij de beoordeling betrokken. Verder heeft de deskundige zelf informatie opgevraagd bij cardioloog dr. H.B. van der Zwaan en psychotherapeut [naam]. Ook is van belang dat de deskundige een spreekuuronderzoek heeft verricht op 19 februari 2026, waarbij een uitgebreide anamnese is afgenomen. Dat een rapport van een door de bestuursrechter benoemde deskundige afwijkt van de opvatting van een andere, door een van de partijen geraadpleegde, deskundige is op zichzelf niet voldoende om tot het oordeel te komen dat de onafhankelijke deskundige niet moet worden gevolgd.
Arbeidskundige beoordeling
6.3.
Wat appellant heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de geselecteerde functies in medisch opzicht voor hem niet geschikt zijn. Appellant heeft in hoger beroep geen nieuwe arbeidskundige gronden ingediend en de Raad volstaat dan ook met een verwijzing naar de overwegingen van de rechtbank zoals is weergegeven in de aangevallen uitspraak.
242551 ZW
7. De Raad beoordeelt aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden of de rechtbank het bestreden besluit 2 over de weigering van de uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) per 2 mei 2023 terecht in stand heeft gelaten. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
7.1.
Op grond van artikel 19 van de ZW heeft een betrokkene recht op een ZW-uitkering als hij ongeschikt is voor ‘zijn arbeid’. Volgens vaste rechtspraak wordt met ‘zijn arbeid’ bedoeld het laatst verrichte werk voorafgaand aan de ziekmelding. Dit is de hoofdregel.
7.2.
Een uitzondering hierop wordt aangenomen in de situatie dat eerder een WIAbeoordeling heeft plaatsgevonden, betrokkene niet in enig werk heeft hervat en zich vervolgens weer ziek heeft gemeld. In een dergelijke situatie geldt het toetsingskader zoals uiteen is gezet in de uitspraak van de Raad van 23 december 2022. Uit deze uitspraak blijkt dat – anders dan voorheen in de rechtspraak werd aangenomen – een weigering van een ZW-uitkering niet kan worden gebaseerd op slechts één van de in het kader van de Wet WIA geselecteerde functies. Bij de toepassing van artikel 19 van de ZW moet zijn voldaan aan de volgende twee voorwaarden:
1. van de oorspronkelijk bij de WIA-beoordeling geselecteerde functies, met inbegrip van de functies die als reservefuncties aan de betrokkene zijn voorgehouden, zijn op de datum in geding ten minste drie functies met elk ten minste drie arbeidsplaatsen voor de betrokkene geschikt gebleven, én
2) op basis van die functies – gelet op de loonwaarde die die functies ten tijde van de WIAbeoordeling vertegenwoordigen, afgezet tegen het bij de WIA-beoordeling geldende maatmaninkomen – is nog steeds sprake van een arbeidsgeschiktheid van ten minste 65%.
7.3.
Aan deze voorwaarden is in ieder geval voldaan als de verzekeringsarts in het kader van de nieuwe ziekmelding vaststelt dat de medische beperkingen niet zijn toegenomen. Deze vaststelling is dan voldoende om een weigering van een ZW-uitkering op grond van artikel 19 van de ZW te kunnen dragen. Indien de medische beperkingen van betrokkene ten opzichte van de WIA-beoordeling op een of meer punten van de FML zijn toegenomen, dan moet worden beoordeeld in hoeverre dit consequenties heeft voor de geschiktheid van de oorspronkelijk bij de WIA-beoordeling geselecteerde functies.
7.4.
De omstandigheid dat de Raad in zijn vraagstelling aan de deskundige een onjuiste datum heeft gehanteerd – 1 mei 2023 in plaats van 2 mei 2023 – geeft geen reden om de deskundige opnieuw te bevragen, nu gesteld noch gebleken is dat zich tussen 1 en 2 mei 2023 een wijziging in de gezondheidstoestand van appellant heeft voorgedaan.
7.5.
In 6.2 heeft de Raad geoordeeld dat het rapport van de ingeschakelde deskundige wordt gevolgd. Dat geldt dus ook voor de conclusie van de deskundige dat meer beperkingen golden dan door het Uwv werd aangenomen. Zoals overwogen in 5.4 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep zich in hoger beroep, op basis van de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep in hoger beroep aangepaste FML, op het standpunt gesteld dat per 2 mei 2023 ten minste drie functies met elk ten minste drie arbeidsplaatsen voor appellant geschikt zijn gebleven, en dat op basis van die functies de mate van arbeidsongeschiktheid ongewijzigd is.
Conclusie en gevolgen
7.6.
De hoger beroepen slagen niet. De aangevallen uitspraken worden bevestigd. Dit betekent dat de weigering appellant per 21 oktober 2022 een WIA-uitkering toe te kennen in stand blijft en dat de weigering van de ZW-uitkering per 2 mei 2023 in stand blijft.
8. Omdat de hoger beroepen niet slagen, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.
Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 september 2026.
(getekend) F.M. Rijnbeek
(getekend) M.D.F. de Moor
CRvB 23 december 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2672.
Enkelvoudige kamer
24/2551 ZW, 24/2552 WIA
Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Limburg van 4 november 2024, 23/1505 (aangevallen uitspraak 1) en 24/163 (aangevallen uitspraak 2)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 3 september 2026
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd appellant per 21 oktober 2022 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. De tweede vraag is of het Uwv terecht per 2 mei 2023 een ZWuitkering heeft geweigerd. Appellant vindt dat hij door zijn (medische) beperkingen niet in staat is de in het kader van de WIA-beoordeling geselecteerde functies te verrichten. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht geen WIA-uitkering en geen ZW-uitkering heeft toegekend.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M.A.E. Wijnands, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaken verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft verzekeringsarts M.M. Wolff-van der Ven als onafhankelijke deskundige benoemd. De deskundige heeft op 26 maart 2026 een rapport uitgebracht. Partijen hebben hun zienswijze op het rapport gegeven.
De Raad heeft partijen laten weten dat hij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant heeft voor het laatst gewerkt als medewerker paardenhouderij voor 39,77 uur per week. Op 23 oktober 2020 heeft hij zich ziekgemeld. Nadat appellant een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft een cardiologische expertise door Ergatis laten verrichten en vervolgens vastgesteld dat appellant bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft. De verzekeringsarts heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 14 januari 2023. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor zijn laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellant functies geselecteerd. Het Uwv heeft bij besluit van 6 februari 2023 geweigerd appellant met ingang van 21 oktober 2022 een WIAuitkering toe te kennen, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Appellant heeft tegen het besluit van 6 februari 2023 bezwaar gemaakt.
1.2.
In het kader van het bezwaar van appellant tegen het besluit van 6 februari 2023 hebben een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep gerapporteerd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft reden gezien om de FML aan te passen. Op grond van de in bezwaar ontvangen informatie heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep vastgesteld dat appellant voor tillen en dragen tijdens het werk verdergaand beperkt moet worden geacht. Tevens is er een beperking aangenomen voor schroefbewegingen met hand en arm rechts. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft op basis van de aangescherpte FML van 10 mei 2023 het Claimbeoordelings- en Borgingssyteem opnieuw geraadpleegd, nieuwe functies geselecteerd en de mate van arbeidsongeschiktheid onveranderd vastgesteld op minder dan 35%. Bij besluit van 8 juni 2023 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het door appellant gemaakte bezwaar tegen besluit van 6 februari 2023 ongegrond verklaard.
1.3.
Appellant heeft na de weigering van de WIA-uitkering een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ontvangen. Op 2 mei 2023 heeft hij zich vanuit de WW ziekgemeld met toegenomen klachten. Op 5 juni 2023 heeft hij het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft vastgesteld dat hij belastbaar is met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een FML van 5 juni 2023. Een arbeidsdeskundige heeft appellant op basis van de FML van 5 juni 2023 geschikt geacht voor de maatgevende arbeid, zijnde de functies die in het kader van de WIA-beoordeling zijn geselecteerd. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 15 juni 2023 vastgesteld dat appellant per 1 mei 2023 geen recht heeft op ziekengeld.
1.4.
Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 21 december 2023 (bestreden besluit 2) ongegrond verklaard. Het Uwv heeft meegedeeld dat in het besluit van 15 juni 2023 abusievelijk de datum 1 mei 2023 is vermeld. Dat moet 2 mei 2023 zijn. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 19 december 2023 ten grondslag.
Uitspraken van de rechtbank
2. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak 1 het beroep tegen het bestreden besluit 1 ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit 1 in stand gelaten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv terecht het standpunt gehandhaafd dat met ingang van 21 oktober 2022 voor appellant geen recht is ontstaan op een uitkering op grond van de Wet WIA. Daarbij is onder meer overwogen dat de informatie uit de behandelend sector en het rapport van Ergatis kenbaar in de beoordeling zijn betrokken. Niet gebleken is dat klachten zijn gemist. Verder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in haar rapport van 9 mei 2023 inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd dat en waarom er aanleiding is om de door de primaire verzekeringsarts vastgestelde FML aan te passen. Het Uwv heeft in alle rubrieken beperkingen in de FML opgenomen en ontkent dus niet dat appellant veel klachten ervaart en beperkingen heeft. Verder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in haar rapport van 22 februari 2024, naar aanleiding van de beroepsgronden en de daarbij ingebrachte medische informatie uit de behandelend sector en het door appellant overgelegde expertiserapport van verzekeringsarts M.J. Gerritze van 27 november 2023, inzichtelijk gemotiveerd dat er geen aanleiding is om het ingenomen standpunt te wijzigen. Omdat de rechtbank niet twijfelt aan de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, is er naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding een deskundige te benoemen, zoals is verzocht.
2.1.
Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft ook het medisch onderzoek na de ziekmelding vanuit de WW op een voldoende zorgvuldige wijze plaatsgevonden. Verder hebben de verzekeringsartsen van het Uwv naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd waarom de lichamelijke en psychische klachten van appellant per 2 mei 2023 niet wezenlijk anders waren dan die bij de WIA-beoordeling per einde wachttijd. De beperkingen zoals weergegeven in de FML van 10 mei 2023 en de FML van 5 juni 2023 zijn ook per datum in geding, 2 mei 2023, van toepassing. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet te volgen in zijn gemotiveerde conclusies.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraken van de rechtbank niet eens. Volgens appellant had de rechtbank een deskundige moeten raadplegen. Appellant heeft aangevoerd dat zijn beperkingen zijn onderschat. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant gewezen op het expertiserapport van verzekeringsarts Gerritze van 27 november 2023. Gerritze is van mening dat met name de duurbelasting meer beperkt is dan aangenomen door het Uwv. Gerritze acht appellant in staat om maximaal dertig uur per week en zes uur per dag te werken, met de mogelijkheid om na de lunch een uur rustpauze te nemen die hij liggend kan doorbrengen, naast meerdere zelf te kiezen rustpauzes die hij zittend kan doorbrengen. Appellant heeft ook aangevoerd dat hij meermaals heeft aangegeven dat er geen grote waarde dient te worden gehecht aan de uitkomsten van een eerder uitgevoerd inspanningsonderzoek. Appellant heeft tijdens dit onderzoekt zich volledig gegeven. Hij heeft de Raad verzocht een deskundige te benoemen.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het Uwv heeft appellant bij besluit van 11 februari 2026 met ingang van 5 februari 2024 een IVA-uitkering toegekend.
Het deskundigenonderzoek
5. Als gevolg van het door appellant in beroep overgelegde rapport van verzekeringsarts Gerritze is bij de Raad twijfel gerezen over de door de verzekeringsartsen vastgestelde belastbaarheid op de data in geding. De Raad heeft aanleiding gezien verzekeringsarts Wolff-van der Ven als deskundige te benoemen.
5.1.
De deskundige heeft in een rapport van 26 maart 2026 geconcludeerd dat op 21 oktober 2022 en 1 mei 2023 sprake was van, als ziekte of gebrek aan te merken, afwijkingen in de gezondheidstoestand van appellant. Bij appellant was op beide data sprake van een status na operatieve correctie van een tetralogie van Fallot met als restafwijking een ernstige pulmonaalklepinsufficiëntie. Er was tevens sprake van een diastolische dysfunctie stadium I in het kader van de normale veroudering van het hart. Voorts was er sprake van (restklachten na) een chronische achillespeestendinitis links en van coxartrose beiderzijds. In oktober 2022 was ook sprake van schouderklachten, voornamelijk rechts. In mei 2023 was eveneens sprake van beiderzijds SAPS bij cufflaesie en AC-artrose.
5.2.
De deskundige heeft te kennen gegeven zich te kunnen verenigen met de FML van 10 mei 2023 en met het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat appellant op 21 oktober 2022 in staat was gemiddeld ongeveer acht uur per dag en veertig uur per week te werken.
5.3.
Volgens de deskundige dient in de FML van 5 juni 2023 de toelichting bij item 4.6 schroefbewegingen met hand en arm aangepast te worden naar beiderzijds (in plaats van rechts). Verder heeft de deskundige zich kunnen verenigen met de FML van 5 juni 2023.
5.4.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 23 april 2026 te kennen gegeven zich te kunnen vinden in de conclusies van de deskundige. In een gewijzigde FML van 23 april 2026 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de door de deskundige in het rapport van 26 maart 2026 beschreven gewijzigde belastbaarheid dienovereenkomstig aangepast. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in het rapport van 23 april 2026 geconcludeerd dat op basis van de gewijzigde FML de eerder geduide functies nog passend zijn.
5.5.
Appellant kan zich niet verenigen met de uitkomst van het onderzoek door de deskundige. Appellant is van mening dat er nog meer lichamelijke problematiek bestaat waar beperkingen voor moeten worden opgenomen in de FML. Zo ondervindt appellant tevens beperkingen op het gebied van frequent buigen en het boven schouderhoogte actief zijn. Dit wordt tevens onderschreven door verzekeringsarts Gerritze in haar rapport. Appellant kan ook het oordeel wat betreft de psychische problematiek van de deskundige niet volgen. Door appellant is ter onderbouwing van zijn standpunt dat zijn psychische klachten zijn onderschat verwezen naar een e-mail van 5 maart 2024 van psychotherapeut [naam] in de bijlage van het rapport van de deskundige. Appellant stelt zich op het standpunt dat de deskundige van een andere situatie uit is gegaan bij het opstellen van het rapport dan de werkelijke situatie. Volgens appellant heeft Gerritze de somatische problematiek en vermoeidheid van appellant juist in beeld gebracht. Op basis van het rapport van Gerritze is appellant slechts voor dertig uur per week belastbaar op beide data in geding en dient appellant zo veel rustpauzes te kunnen krijgen als voor hem noodzakelijk is.
Het oordeel van de Raad
242552 WIA
6. De Raad beoordeelt aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden, of de rechtbank het bestreden besluit 1 over de weigering van de WIA-uitkering per 21 oktober 2022 terecht in stand heeft gelaten. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
6.1.
Op grond van artikel 5 van de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.
Medische beoordeling
6.2.
Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter de conclusies van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige volgt indien de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. De rapporten van de deskundige geven blijk van een zorgvuldig onderzoek en zijn inzichtelijk en consistent. De deskundige heeft de zich in het dossier bevindende gegevens, waaronder het rapport van 27 november 2023 van verzekeringsarts Gerritze, kenbaar bij de beoordeling betrokken. Verder heeft de deskundige zelf informatie opgevraagd bij cardioloog dr. H.B. van der Zwaan en psychotherapeut [naam]. Ook is van belang dat de deskundige een spreekuuronderzoek heeft verricht op 19 februari 2026, waarbij een uitgebreide anamnese is afgenomen. Dat een rapport van een door de bestuursrechter benoemde deskundige afwijkt van de opvatting van een andere, door een van de partijen geraadpleegde, deskundige is op zichzelf niet voldoende om tot het oordeel te komen dat de onafhankelijke deskundige niet moet worden gevolgd.
Arbeidskundige beoordeling
6.3.
Wat appellant heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de geselecteerde functies in medisch opzicht voor hem niet geschikt zijn. Appellant heeft in hoger beroep geen nieuwe arbeidskundige gronden ingediend en de Raad volstaat dan ook met een verwijzing naar de overwegingen van de rechtbank zoals is weergegeven in de aangevallen uitspraak.
242551 ZW
7. De Raad beoordeelt aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden of de rechtbank het bestreden besluit 2 over de weigering van de uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) per 2 mei 2023 terecht in stand heeft gelaten. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
7.1.
Op grond van artikel 19 van de ZW heeft een betrokkene recht op een ZW-uitkering als hij ongeschikt is voor ‘zijn arbeid’. Volgens vaste rechtspraak wordt met ‘zijn arbeid’ bedoeld het laatst verrichte werk voorafgaand aan de ziekmelding. Dit is de hoofdregel.
7.2.
Een uitzondering hierop wordt aangenomen in de situatie dat eerder een WIAbeoordeling heeft plaatsgevonden, betrokkene niet in enig werk heeft hervat en zich vervolgens weer ziek heeft gemeld. In een dergelijke situatie geldt het toetsingskader zoals uiteen is gezet in de uitspraak van de Raad van 23 december 2022. Uit deze uitspraak blijkt dat – anders dan voorheen in de rechtspraak werd aangenomen – een weigering van een ZW-uitkering niet kan worden gebaseerd op slechts één van de in het kader van de Wet WIA geselecteerde functies. Bij de toepassing van artikel 19 van de ZW moet zijn voldaan aan de volgende twee voorwaarden:
1. van de oorspronkelijk bij de WIA-beoordeling geselecteerde functies, met inbegrip van de functies die als reservefuncties aan de betrokkene zijn voorgehouden, zijn op de datum in geding ten minste drie functies met elk ten minste drie arbeidsplaatsen voor de betrokkene geschikt gebleven, én
2) op basis van die functies – gelet op de loonwaarde die die functies ten tijde van de WIAbeoordeling vertegenwoordigen, afgezet tegen het bij de WIA-beoordeling geldende maatmaninkomen – is nog steeds sprake van een arbeidsgeschiktheid van ten minste 65%.
7.3.
Aan deze voorwaarden is in ieder geval voldaan als de verzekeringsarts in het kader van de nieuwe ziekmelding vaststelt dat de medische beperkingen niet zijn toegenomen. Deze vaststelling is dan voldoende om een weigering van een ZW-uitkering op grond van artikel 19 van de ZW te kunnen dragen. Indien de medische beperkingen van betrokkene ten opzichte van de WIA-beoordeling op een of meer punten van de FML zijn toegenomen, dan moet worden beoordeeld in hoeverre dit consequenties heeft voor de geschiktheid van de oorspronkelijk bij de WIA-beoordeling geselecteerde functies.
7.4.
De omstandigheid dat de Raad in zijn vraagstelling aan de deskundige een onjuiste datum heeft gehanteerd – 1 mei 2023 in plaats van 2 mei 2023 – geeft geen reden om de deskundige opnieuw te bevragen, nu gesteld noch gebleken is dat zich tussen 1 en 2 mei 2023 een wijziging in de gezondheidstoestand van appellant heeft voorgedaan.
7.5.
In 6.2 heeft de Raad geoordeeld dat het rapport van de ingeschakelde deskundige wordt gevolgd. Dat geldt dus ook voor de conclusie van de deskundige dat meer beperkingen golden dan door het Uwv werd aangenomen. Zoals overwogen in 5.4 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep zich in hoger beroep, op basis van de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep in hoger beroep aangepaste FML, op het standpunt gesteld dat per 2 mei 2023 ten minste drie functies met elk ten minste drie arbeidsplaatsen voor appellant geschikt zijn gebleven, en dat op basis van die functies de mate van arbeidsongeschiktheid ongewijzigd is.
Conclusie en gevolgen
7.6.
De hoger beroepen slagen niet. De aangevallen uitspraken worden bevestigd. Dit betekent dat de weigering appellant per 21 oktober 2022 een WIA-uitkering toe te kennen in stand blijft en dat de weigering van de ZW-uitkering per 2 mei 2023 in stand blijft.
8. Omdat de hoger beroepen niet slagen, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.
Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 september 2026.
(getekend) F.M. Rijnbeek
(getekend) M.D.F. de Moor
CRvB 23 december 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2672.