Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Centrale Raad van Beroep

ECLI:NL:CRVB:2026:1161

2026-09-03 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht 25/1726 ZW
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2026-09-03
Publicatiedatum
2026-09-11
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
25/1726 ZW
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Weigering om terug te komen van het besluit van 27 februari tot beëindiging van de ZW-uitkering. Geen nieuwe feiten of omstandigheden.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (11.607 tekens)
25/1726 ZW


Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer












Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 25 juli 2025, 25/117 (aangevallen uitspraak)







Partijen:




[appellant] te [woonplaats] (appellant)



de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)








Datum uitspraak: 3 september 2026


SAMENVATTING


Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd om terug te komen van het besluit van 27 januari 2015, waarbij de ZW-uitkering van appellant per 26 januari 2015 is beëindigd. Volgens appellant is er sprake van nieuwe feiten en omstandigheden. De rechtbank en de Raad volgen dit standpunt van appellant niet.





PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. M.A. Jansen, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.



De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.



De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 23 juli 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Jansen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.E.J.P.M. Rutten.





OVERWEGINGEN




Inleiding


1.1.
Appellant was werkzaam als chauffeur/meubelbezorger voor gemiddeld veertig uur per week. Na een niet-werkgerelateerd verkeersongeluk heeft hij zich op 10 juni 2014 ziekgemeld. Appellant ontving vervolgens een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW). Bij besluit van 27 januari 2015 is de ZW-uitkering per 26 januari 2015 beëindigd omdat appellant per die datum hersteld is verklaard.



1.2.
Appellant heeft op 5 april 2024 bij het Uwv een verzoek ingediend om terug te komen van het besluit van 27 januari 2015. Appellant heeft aan dit verzoek een rapport van 10 juli 2023 dat is opgesteld in het kader van een letselschadeprocedure ten grondslag gelegd. Met een besluit van 11 juni 2024 heeft het Uwv beslist dat geen herziening zal plaatsvinden omdat sprake is van verjaring. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Op 15 oktober 2024 heeft het Uwv een voornemen tot een wijzigingsbeslissing aan appellant bekend gemaakt, waarin wordt bepaald dat appellant geen nieuw gebleken feiten en/of veranderde omstandigheden heeft aangedragen die aanleiding geven om terug te komen van het besluit van 27 januari 2015. Appellant heeft geen bezwaren tegen de voorgenomen wijzigingsbeslissing geuit.



1.3.
Met een beslissing op bezwaar van 4 december 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv de inhoud van de voorgenomen wijzigingsbeslissing van 15 oktober 2024 als herhaald en ingelast beschouwd en het bezwaar ongegrond verklaard.




Uitspraak van de rechtbank



2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De beëindiging van de ZW-uitkering is gebaseerd op een tussen appellant en een reintegratiebegeleider van het Uwv op 12 januari 2015 gevoerd gesprek. De prognose, die gebaseerd is op medisch onderzoek en relevante medische gegevens, was dat appellant in enkele maanden zou herstellen voor zijn werk. Het was bij het Uwv bekend dat appellant bij de hersteldmelding in 2015 fysieke klachten had, maar de psychische klachten die in het rapport van 10 juli 2023 zijn vermeld, waren nog niet bekend. De rechtbank volgt de conclusie van het Uwv dat van psychische klachten pas melding wordt gemaakt bijna één jaar na de hersteldmelding. Het door appellant overlegde rapport bevat geen nieuwe medische informatie rondom de datum van de hersteldmelding. Uit de gegevens die appellant heeft ingebracht, kan niet worden afgeleid dat sprake is van nieuwe medische feiten of omstandigheden die leiden tot de conclusie dat appellant op 27 januari 2015 arbeidsongeschikt was en dus onterecht hersteld is gemeld. De rechtbank heeft verder overwogen dat als het bestreden besluit de hiervoor beschreven toets doorstaat en het Uwv terecht heeft geoordeeld dat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn, de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel kan komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is. Dit kan het geval zijn als het oorspronkelijke besluit onmiskenbaar onjuist is. Dat wil zeggen dat een oppervlakkige inhoudelijke beoordeling of een summier onderzoek voldoende is om tot onmiskenbare onjuistheid daarvan te concluderen. In wat appellant heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding voor dit oordeel.



Het standpunt van appellant



3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Van belang is dat uit het rapport van 10 juli 2023 blijkt dat appellant na het ongeval in juni 2014 niet meer in staat is geweest om zijn eigen werk als fulltime vrachtwagenchauffeur uit te oefenen. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, bevat het rapport wel nieuwe medische informatie die betrekking heeft op de datum rondom 27 januari 2015. In het rapport staat dat in december 2015 door de psycholoog wordt vastgesteld dat sprake is van PTSS waardoor hij zijn beroep niet goed kan uitoefenen. Dat de psycholoog dit pas op 28 december 2015 opschrijft, komt doordat appellant pas op dat moment terecht kon voor behandeling. Op 17 januari 2018 wordt de diagnose onderschreven door de psychiater. Dat de klachten als gevolg van PTSS in januari 2015 ook al aanwezig waren, blijkt uit de opsomming van klachten door de fysiotherapeut op 20 januari 2015. Uit het rapport van 10 juli 2023 blijkt het verloop van de mate van belastbaarheid van appellant vanaf 2014, dat appellant niet meer in staat is geweest zijn eigen werk volledig te kunnen uitoefenen, de diagnose PTSS als gevolg van het ongeval en de constatering van de fysiotherapeut van de in januari 2015 bekende klachten, waarvan een aantal is te koppelen aan PTSS. De verzekeringsarts heeft in januari 2015 geen rekening gehouden met de gevolgen van de PTSS. De verzekeringsarts heeft destijds de arbeidsmogelijkheden van appellant te rooskleurig ingeschat. Dat er enige verbetering was, maakte nog niet dat appellant ook geschikt was voor eigen werk. Appellant heeft in hoger beroep een verklaring van zijn voormalig werkgever ingediend. De voormalig werkgever heeft geschreven dat indien appellant in goede gezondheid zou verkeren, hij in 2015 zeker 55 uur gemiddeld per week had kunnen werken. Dit is ook van toepassing op de eerste zes maanden van 2016, en zeer waarschijnlijk ook voor de rest van 2016.



Het standpunt van het Uwv



4. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. Opgemerkt is dat het standpunt dat appellant al op datum in geding last had van PTSS-klachten speculatief is en dat dit in elk geval niet onomstotelijk blijkt uit de informatie van de psycholoog. De psycholoog beschrijft dat dergelijke klachten bestonden op het moment van aanmelding, maar onduidelijk is wanneer dit was. Ten tijde van het spreekuur bij de Uwv-arts op 25 november 2014 was er 'slechts' sprake van milde concentratiestoornissen. Appellant is bovendien op 1 februari 2015 (dus enkele dagen na datum in geding) weer fulltime aan het werk gegaan als chauffeur en pas op 8 januari 2016 weer arbeidsongeschikt geraakt. Dit alles maakt dat de informatie van de psycholoog niet als een nieuw feit moet worden beschouwd.




Het oordeel van de Raad


5.1.
Het Uwv heeft op het verzoek van appellant om terug te komen van het besluit van 27 januari 2015 beslist met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is.



5.2.
Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.



5.3.
Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, is in essentie een herhaling van wat hij in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft de beroepsgronden in de aangevallen uitspraak uitgebreid en afdoende besproken en met juistheid geoordeeld dat de desbetreffende gronden niet slagen. Ook heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat het Uwv terecht heeft vastgesteld dat appellant aan zijn verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb ten grondslag heeft gelegd. De Raad onderschrijft de overweging van de rechtbank dat van psychische klachten pas melding wordt gemaakt bijna één jaar na de hersteldmelding en dat het rapport van 10 juli 2023 geen nieuwe medische informatie rondom de datum van de hersteldmelding betreft. De toelichting die appellant in hoger beroep heeft gegeven, vormt geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen omdat die toelichting nog steeds geen blijk geeft van de situatie van appellant op de datum in geding. De verklaring van de voormalig werkgever maakt dit niet anders.



5.4.
Nu de onjuistheid van het oorspronkelijke besluit niet is komen vast te staan, heeft de rechtbank terecht overwogen dat er geen aanleiding is voor het oordeel dat de afwijzing van het verzoek om terug te komen van dat besluit evident onredelijk is.






Conclusie en gevolgen


5.5.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering om terug komen van het besluit van 27 januari 2015 in stand blijft.


5. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.






BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.




Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van B. Uçurum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 september 2026.





(getekend) H.G. Rottier




(getekend) B. Ucurum












Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Raad van 20 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4872 en 27 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5115.