Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Centrale Raad van Beroep

ECLI:NL:CRVB:2026:1154

2026-09-02 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht 25/2113 WAJONG
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2026-09-02
Publicatiedatum
2026-09-10
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
25/2113 WAJONG
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Weigering om de Wajong-uitkering eerder dan per 17 oktober 2023 toe te kennen. Herhaalde aanvraag. Een Wajong-uitkering kan niet met ingang van een eerdere ingangsdatum worden toegekend dan per de aanvraagdatum. Volgens de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep inzichtelijk gemotiveerd dat in 2020 (nog) niet kon worden uitgesloten dat in te zetten interventies uiteindelijk tot een verbetering bij appellant zouden kunnen leiden. Hiermee is toereikend gemotiveerd dat het ontbreken van arbeidsvermogen bij de eerdere aanvraag in nog niet als duurzaam kon worden aangemerkt. Na een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek is geconcludeerd dat appellant per datum van deze tweede aanvraag duurzaam niet over arbeidsvermogen beschikt.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (8.302 tekens)
25/2113 WAJONG


Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer











Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 10 september 2025, 25/237 (aangevallen uitspraak)







Partijen:




[appellant] te [woonplaats] (appellant)



de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)








Datum uitspraak: 2 september 2026


SAMENVATTING


Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht aan appellant een Wajong-uitkering heeft toegekend met ingang van 17 oktober 2023. Volgens appellant moet hem per eerdere datum een Wajong-uitkering worden toegekend. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht niet eerder dan per 17 oktober 2023 een Wajonguitkering aan appellant heeft toegekend.





PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. A.Z. van Braam, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.



De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 22 juli 2026. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.I. Damsma.





OVERWEGINGEN




Inleiding


1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.



1.1.
Appellant, geboren op [geboortedatum] 1989, heeft met een door het Uwv op 15 november 2019 ontvangen formulier een aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) ingediend. Naar aanleiding hiervan heeft een onderzoek met een verzekeringsarts plaatsgevonden. Deze heeft vastgesteld dat bij appellant sprake is van beperkingen ten gevolge van ziekte en/of gebrek, maar dat er geen medische redenen zijn voor het ontbreken van arbeidsvermogen bij appellant. Tevens zijn er nog adequate tweedelijns onderzoeken en mogelijk behandelingen die kunnen worden ingezet, waardoor niet kan worden gesteld dat de kans op een relevante toename van de belastbaarheid niet of nauwelijks aanwezig is. Met een besluit van 5 maart 2020 heeft het Uwv vervolgens geweigerd appellant een Wajong-uitkering toe te kennen.



1.2.
Op 17 oktober 2023 heeft appellant opnieuw een Wajong-uitkering aangevraagd. Na een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek is geconcludeerd dat appellant per datum van deze tweede aanvraag duurzaam niet over arbeidsvermogen beschikt. Met het besluit van 23 april 2024 heeft het appellant een Wajong-uitkering toegekend met ingang van 17 oktober 2023. Appellant heeft tegen de ingangsdatum van de toegekende Wajonguitkering bezwaar gemaakt.



1.3.

Bij besluit van 4 december 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag. Hoewel de verzekeringsarts bezwaar en beroep het standpunt van de verzekeringsarts in 2020, dat appellant beschikte over arbeidsvermogen, niet onderschrijft, is er volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen reden om terug te komen van de in 2020 getrokken conclusie dat van duurzaamheid toen (nog) geen sprake was. De verzekeringsarts diende zich toen een oordeel te vormen over de prognose van de belastbaarheid en kon daarbij de latere ontwikkelingen niet betrekken bij zijn oordeelvorming.

Uitspraak van de rechtbank




2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.




2.1.
De rechtbank heeft vooropgesteld dat appellant een eerdere aanvraag heeft ingediend, die met het besluit van 5 maart 2020 is afgewezen en dat appellant tegen dat besluit geen bezwaar heeft gemaakt. De tweede aanvraag van appellant van 17 oktober 2023 is voor het Uwv aanleiding geweest om appellant wel een Wajong-uitkering toe te kennen. De rechtbank heeft allereerst beoordeeld of sprake is van bijzondere omstandigheden, op grond waarvan het Uwv zou zijn gehouden de Wajong-uitkering per eerdere datum dan 17 oktober 2023 toe te kennen. Volgens de rechtbank kan een Wajong-uitkering, gelet op de bewoordingen van artikel 1a:11, tweede lid, van de Wajong niet met ingang van een eerdere ingangsdatum worden toegekend dan per de aanvraagdatum. Dit is alleen anders als op grond van het vierde lid een aanvraag niet is vereist. Daarbij moet worden gedacht een situaties waarin de jonggehandicapte niet in staat was een aanvraag in te dienen. Daar is volgens de rechtbank in het geval van appellant geen sprake van, nu hij al eerder een aanvraag heeft ingediend.



2.2.
Vervolgens heeft de rechtbank beoordeeld of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden op grond waarvan het Uwv zou moeten terugkomen van zijn eerder genomen besluit van 5 maart 2020. Volgens de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep inzichtelijk gemotiveerd dat in 2020 (nog) niet kon worden uitgesloten dat in te zetten interventies uiteindelijk tot een verbetering bij appellant zouden kunnen leiden. Hiermee is toereikend gemotiveerd dat het ontbreken van arbeidsvermogen destijds nog niet als duurzaam kon worden aangemerkt. De beoordeling van de duurzaamheid is veranderd door de ingezette interventies en behandelingen in de periode vanaf 2020. De lichamelijke en psychische klachten van appellant zijn daarbij onderkend en op een deugdelijke en kenbare wijze betrokken bij de medische beoordeling.



2.3.
De rechtbank heeft tot slot beoordeeld of het niet terugkomen van het oorspronkelijke besluit van 5 maart 2020 evident onredelijk is. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is. Het besluit van 5 maart 2020 is volgens de rechtbank niet onmiskenbaar onjuist.



Het standpunt van appellant



3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens en heeft verzocht zijn beroepsgronden als herhaald en ingelast te beschouwen. Dat het ontbreken van arbeidsvermogen duurzaam is gebleken, was ten tijde van de beoordeling in 2020 niet bekend en is daarmee volgens appellant als een nieuw feit te beschouwen.



Het standpunt van het Uwv



4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.




Het oordeel van de Raad


5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering om de Wajong-uitkering eerder dan per 17 oktober 2023 toe te kennen, in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, is een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft deze gronden afdoende besproken en met juistheid geoordeeld dat deze niet slagen. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen, worden geheel onderschreven.





Conclusie en gevolgen


5.1.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat toekenning van de Wajong-uitkering per 17 oktober 2023 in stand blijft.


6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.






BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.




Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers als voorzitter en F.M. Rijnbeek en J.H. Ermers als leden, in tegenwoordigheid van N. Gios als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 september 2026.





(getekend) E.J.J.M. Weyers



(getekend) N. Gios