Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Centrale Raad van Beroep

ECLI:NL:CRVB:2026:1153

2026-09-02 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht 25/2122 WIA
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2026-09-02
Publicatiedatum
2026-09-10
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
25/2122 WIA
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Vaststelling mate van arbeidsongeschiktheid op 40,71%. Juiste FML. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek en de juistheid van het bestreden besluit. Uitgaande van de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit, wordt ook het oordeel van de rechtbank dat de geselecteerde functies voor appellant geschikt zijn en worden de daaraan ten grondslag liggende overwegingen, onderschreven.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (11.841 tekens)
25/2122 WIA



Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer












Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 1 oktober 2025, 24/10165 (aangevallen uitspraak)







Partijen:




[appellant] te [woonplaats] (appellant)



de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)








Datum uitspraak: 2 september 2026


SAMENVATTING


Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 1 april 2023 heeft vastgesteld op 40,71%. Volgens appellant heeft hij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan hij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv het arbeidsongeschiktheidspercentage juist heeft vastgesteld.





PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. J. Berkouwer, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.



Partijen hebben nadere stukken ingediend.



De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.



De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 22 juli 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Berkouwer (beiden via beeldbellen). Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door H. van Haaften.





OVERWEGINGEN




Inleiding


1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.



1.1.
Appellant heeft voor het laatst gewerkt als transporteur voor 39,77 uur per week. Op 5 oktober 2011 heeft hij zich ziekgemeld met psychische klachten. Na afloop van de voorgeschreven wachttijd heeft het Uwv aan appellant met ingang van 14 oktober 2013 tot en met 14 oktober 2015 een loongerelateerde WGAuitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend en aansluitend een loonaanvullingsuitkering. Bij besluit van 23 juni 2021 heeft het Uwv per 5 juni 2020 de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant gewijzigd en vastgesteld op 42,15% en vermeld dat de hoogte van de WGAloonaanvullingsuitkering tot en met 31 maart 2023 niet wijzigt. Bij besluit van 3 maart 2023 heeft het Uwv aan appellant medegedeeld dat hij per 1 april 2023 in aanmerking komt voor een WGAvervolguitkering op basis van een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.



1.2.
Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Naar aanleiding van dit bezwaar heeft alsnog een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. De verzekeringsarts heeft op 20 juni 2024 gerapporteerd en een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld waarin de beperkingen van appellant zijn neergelegd. De arbeidsdeskundige heeft op basis van deze FML geconcludeerd dat appellant niet geschikt is voor zijn laatste werk, functies geselecteerd die hij nog zou kunnen vervullen met inachtneming van de voor hem geldende medische beperkingen en de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 40,71%. Deze uitkomst heeft het Uwv kenbaar gemaakt met een voornemen van 15 augustus 2024 tot wijziging van de beslissing. Appellant heeft geen zienswijze over het voornemen naar voren gebracht. Bij besluit van 10 oktober 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het arbeidsongeschiktheidspercentage vastgesteld op 40,71% en bepaald dat appellant per 1 april 2023 recht heeft op een vervolguitkering gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.




Uitspraak van de rechtbank



2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft geoordeeld dat een volledige heroverweging heeft plaatsgevonden en dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest. In de bezwaarfase heeft een spreekuurcontact met een geregistreerd verzekeringsarts plaatsgevonden en de verzekeringsarts heeft de dossiergegevens bestudeerd en daarbij alle informatie die voorhanden was meegewogen in zijn oordeel. Het standpunt van appellant dat de beoordeling te laat heeft plaatsgevonden gaat volgens de rechtbank niet op, omdat de beoordeling van de WIAuitkering ziet op de datum in geding. Naar het oordeel van de rechtbank was er ook geen sprake van een situatie waarin raadpleging van de behandelend artsen is aangewezen. Wat appellant in beroep heeft aangevoerd heeft de rechtbank geen reden gegeven om het medisch oordeel dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt voor onjuist te houden. Hierbij is van belang dat het in de systematiek van de Wet WIA niet gaat om de medische klachten van appellant als zodanig of om de door hem ervaren beperkingen, maar om objectief vastgestelde beperkingen bij het verrichten van (passende) arbeid. Hoewel er sprake is van beperkingen als gevolg van een medische aandoening, is er geen sprake van volledige arbeidsongeschiktheid op medische gronden omdat appellant niet voldoet aan een van de uitzonderingscriteria van het Schattingsbesluit. De rechtbank heeft appellant niet gevolgd in zijn grond dat er ten aanzien van het medicijngebruik en de bijwerkingen hiervan meer beperkingen hadden moeten worden aangenomen. De verzekeringsarts heeft rekening gehouden met het medicijngebruik. Ter zitting heeft de gemachtigde van het Uwv verklaard dat de mogelijkheid van bijwerkingen door medicijngebruik van appellant zijn besproken met de verzekeringsarts. De gemachtigde van het Uwv heeft toegelicht dat de bijwerkingen van de medicijnen na twee weken afnemen en dat daarom geen verdere beperkingen zijn opgenomen. De rechtbank heeft ook overwogen dat appellant geen (nieuwe) medische informatie heeft ingebracht waaruit blijkt dat hij op 1 april 2023 meer beperkingen had dan reeds zijn aangenomen in de FML. Uitgaande van de juistheid van de FML heeft de rechtbank geen grond gezien voor het oordeel dat de belasting van de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies de mogelijkheden van appellant overschrijdt.



Het standpunt van appellant



3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant blijft van mening dat het Uwv onvoldoende onderzoek heeft gedaan, omdat geen informatie is ingewonnen bij de behandelend artsen, zodat de rechtbank tot het oordeel had dienen te komen dat in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel is gehandeld. Appellant heeft ook verwezen naar de in beroep aangevoerde grond dat in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel is gehandeld, omdat de beoordeling pas heeft plaatsgevonden op 22 mei 2024, terwijl het Uwv een beslissing heeft genomen per april 2023.Ter onderbouwing van het standpunt dat zijn psychische klachten zijn onderschat, heeft appellant in hoger beroep een ontslagbrief van 7 november 2024 ingediend van de behandelaren bij GGZ Antes en een journaal van zijn huisarts. Appellant heeft de Raad verzocht om een deskundige te benoemen. In het aanvullend beroepschrift is volgens appellant uitgebreid onderbouwd waarom de geduide functies niet passend zijn. De rechtbank is hier onvoldoende op ingegaan.



Het standpunt van het Uwv



4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.




Het oordeel van de Raad


5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de mate van arbeidsongeschiktheid op 40,71% in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.



5.1.
Op grond van artikel 5 van de Wet WIA bestaat recht op een WIAuitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.



Medische beoordeling





5.2.
De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek en de juistheid van het bestreden besluit. De rechtbank heeft de beroepsgronden afdoende besproken en de overlegde medische stukken kenbaar betrokken in de beoordeling. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden geheel onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.



5.3.
De door appellant in hoger beroep ingebrachte medische informatie geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. Deze informatie, een huisartsjournaal over de periode juni 2023 tot augustus 2023 en een brief van GGZ Antes van 7 november 2024, bevat geen aanknopingspunten voor het oordeel dat appellant op de datum in geding meer beperkt is dan is vastgesteld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 16 juli 2026 overtuigend gemotiveerd dat uit de medische informatie niet blijkt dat er sprake is van een andere medische situatie dan waarvan de primaire verzekeringsarts is uitgegaan. De primaire verzekeringsarts was al bekend met het feit dat appellant onder behandeling was bij Antes en dat sprake was van een gebroken teen in februari 2023 en heeft deze informatie meegewogen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep wordt hierin gevolgd. De door appellant ingebrachte medische informatie leidt dan ook niet tot een ander oordeel over zijn belastbaarheid.



5.4.
Omdat de daarvoor noodzakelijke twijfel aan de medische grondslag van het bestreden besluit ontbreekt, bestaat er geen aanleiding een onafhankelijk deskundige in te schakelen.






Arbeidskundige beoordeling





5.5.
Uitgaande van de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit, wordt ook het oordeel van de rechtbank dat de geselecteerde functies voor appellant geschikt zijn en worden de daaraan ten grondslag liggende overwegingen, onderschreven.





Conclusie en gevolgen


5.6.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de mate van arbeidsongeschiktheid per 1 april 2023 terecht op 40,71% is vastgesteld.


6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.






BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.




Deze uitspraak is gedaan door T. Dompeling, in tegenwoordigheid van B. Ucurum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 september 2026.





(getekend) T. Dompeling





(getekend) B. Ucurum










De rechtbank noemt als voorbeeld de uitspraak van de Raad van 24 april 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1391.