Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Centrale Raad van Beroep

ECLI:NL:CRVB:2026:1152

2026-09-02 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht 25/1504 WAJONG
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2026-09-02
Publicatiedatum
2026-09-10
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
25/1504 WAJONG
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Weigering om terug te komen van het besluit 14 januari 2014 tot afwijzing van de Wajong aanvraag. Geen nieuwe feiten of omstandigheden.

Citeert (6)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (15.181 tekens)
25/1504 WAJONG


Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer












Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 16 juni 2025, 24/3447 (aangevallen uitspraak)







Partijen:




[appellant] te [woonplaats] (appellant)



de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)








Datum uitspraak: 2 september 2026


SAMENVATTING


Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft besloten om niet terug te komen van de eerdere afwijzing van de Wajongaanvraag van appellant. Volgens appellant is geen rekening gehouden met de nieuwe medische inzichten over zijn ziekte sinds de vorige afwijzing. De Raad volgt dit standpunt niet. Het Uwv heeft op goede gronden geen aanleiding gezien om van de besluitvorming van destijds terug te komen.





PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.



De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 22 juli 2026. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.L.M. Dunselman.





OVERWEGINGEN




Inleiding


1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.



1.1.
Appellant, geboren op [geboortedatum] 1978, heeft op 21 oktober 2013 een aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten 2010 (Wajong 2010) ingediend. Het Uwv heeft deze aanvraag bij besluit van 14 januari 2014, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 30 juli 2014, afgewezen.



1.2.
Op 16 augustus 2019 heeft appellant opnieuw een aanvraag voor een Wajonguitkering ingediend. Het Uwv heeft deze aanvraag opgevat als een verzoek om terug te komen van het besluit van 14 januari 2014. Met een besluit van 10 maart 2020 heeft het Uwv dit verzoek afgewezen, omdat bij de aanvraag van appellant geen nieuwe informatie was overgelegd. Met een besluit van 29 juli 2020 heeft het Uwv het door appellant gemaakte bezwaar tegen het besluit van 10 maart 2020 ongegrond verklaard. In een uitspraak van 12 oktober 2022 heeft de rechtbank Amsterdam het beroep tegen het besluit van 29 juli 2020 ongegrond verklaard. Appellant heeft vervolgens hoger beroep ingesteld bij de Raad. Bij uitspraak van 25 april 2024 heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank van 12 oktober 2022 bevestigd.



1.3.
Tijdens het hoger beroep tegen de uitspraak van 29 juli 2020 heeft appellant op 1 december 2022 een derde aanvraag voor een Wajonguitkering ingediend. Het Uwv heeft ook deze aanvraag opgevat als een verzoek om terug te komen van het besluit van 14 januari 2014. Na onderzoek door een verzekeringsarts heeft het Uwv dit verzoek bij besluit van 19 september 2023 afgewezen. Volgens het Uwv heeft appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden bij zijn aanvraag overgelegd.



1.4.
Bij besluit van 8 april 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het tegen het besluit van 19 september 2023 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag, waarin deze zich op het standpunt heeft gesteld dat alle medische informatie waar appellant naar verwijst al in de eerdere procedure door de rechtbank is meegenomen.




Uitspraak van de rechtbank




2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.




2.1.
De rechtbank heeft vastgesteld dat appellant zijn stelling, dat sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden, onderbouwt met de volgende stukken:a) de rapporten van dr. C. Oliver van 20 oktober 2020, 17 juli 2021 en 20 juli 2021;b) de verklaringen van dr. Carmen Navarro Muros van 26 mei 2021 en 5 augustus 2021;c) de brieven van dr. L. Thomaes van 7 juli 2020 en 20 juli 2020 (lees: 22 juli 2021);d) de rapporten van dr. J.F. Ankersmit van 10 november 2020 en 16 november 2020, ene) de verklaring van dr. M. Meertens van 18 december 2020.



2.2.
De rechtbank heeft geoordeeld dat met uitzondering van de brief van dr. Thomaes van 20 juli 2020 (lees: 22 juli 2021) de hierboven genoemde stukken al genoemd zijn in de uitspraak van de rechtbank van 12 oktober 2022. Niet in geschil is dat het Uwv deze stukken niet heeft beoordeeld in het kader van het eerste verzoek om terug te komen van het besluit van 14 januari 2014, omdat appellant deze stukken pas in de beroepsprocedure heeft overgelegd. Echter zijn deze medische stukken tijdens die beroepsprocedure door de verzekeringsarts bezwaar en beroep inhoudelijk beoordeeld en hierover is een medisch rapport van 13 december 2021 uitgebracht. In de uitspraak van 12 oktober 2022 is vervolgens geoordeeld dat deze stukken niet leiden tot het oordeel dat de beperkingen van appellant in 2014 niet correct zijn vastgesteld. In zijn uitspraak van 25 april 2024 heeft de Raad vervolgens overwogen dat de overgelegde stukken geen concrete informatie bevatten over de aard en omvang van de beperkingen van appellant op zijn zeventiende en achttiende jaar, die aanleiding geven de door de verzekeringsartsen in 2014 bij appellant aangenomen beperkingen voor onjuist te houden. De Raad heeft vervolgens geconcludeerd dat het Uwv zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat appellant geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft gesteld die maken dat het Uwv voor het verleden had moeten terugkomen op zijn besluit van 14 januari 2014.



2.3.
De rechtbank heeft appellant niet gevolgd in zijn stelling dat uit de hierboven genoemde stukken, behoudens de brief van dr. Thomaes van 22 juli 2021, blijkt dat sprake is van een nieuw feit of omstandigheid. Uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 13 december 2021 blijkt dat het Uwv deze stukken kenbaar heeft betrokken in de beoordeling tijdens de vorige beroepsprocedure. De brief van dr. Thomaes van 22 juli 2021 bevat volgens de rechtbank voorts geen nieuwe informatie. In deze brief deelt dr. Thomaes enkel mee dat zij de rapporten van dr. Oliver van 17 juli 2021 en 22 juli 2021 onderschrijft. Volgens de rechtbank heeft het Uwv zich dan ook terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat appellant geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft gesteld die maken dat het Uwv had moeten terugkomen op zijn besluit van 14 januari 2014. Er is geen sprake van een motiveringsgebrek in het bestreden besluit.



2.4.

In wat appellant heeft aangevoerd, heeft de rechtbank tot slot geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het bestreden besluit evident onredelijk zou zijn, zodat er geen reden is om op deze grond tot een ander oordeel te komen.

Het standpunt van appellant



3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft herhaald dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de door hem overgelegde informatie en heeft er opnieuw op gewezen dat er nieuwe medische inzichten zijn gekomen over de ziekte Toxin Induced Loss of Tolerance (TILT, voorheen Multiple Chemical Sensitivity, MCS) en dat hij zijn medisch dossier heeft laten toetsen door diverse medische experts onder wie dr. Oliver. Deze experts concluderen dat de beperkingen van appellant dermate ernstig zijn dat appellant op zijn zeventiende en achttiende jaar als volledig arbeidsongeschikt moet worden aangemerkt.



Het standpunt van het Uwv



4. Het Uwv heeft gevraagd om de aangevallen uitspraak te bevestigen.




Het oordeel van de Raad


5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de afwijzing van het verzoek om terug te komen van het besluit van 14 januari 2014 in stand heeft gelaten. Hij doet dat aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Toepasselijk wettelijk kader




5.1.
Appellant is geboren op [geboortedatum] 1978 en heeft zijn eerste aanvraag om een Wajonguitkering vóór 18 december 2020 ingediend. Voor de vraag of appellant jonggehandicapte is en in aanmerking komt voor een Wajonguitkering, moet daarom worden gekeken of appellant op zijn zeventiende en achttiende jaar voldeed aan de criteria uit de artikelen 5 en 6 van de toenmalige Algemene Arbeidsongeschiktheidswet.



5.2.
Het Uwv heeft op de aanvraag van appellant beslist met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is.



5.3.
Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden wordt verstaan feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen. Het kan ook gaan om feiten of omstandigheden die weliswaar voor het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet voor dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of veranderde omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.






Terugkomen van het besluit van 14 januari 2014





5.4.
Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het Uwv op goede gronden niet is teruggekomen van het besluit van 14 januari 2014. De stukken die appellant bij deze aanvraag en in bezwaar heeft overgelegd, zijn niet anders dan de stukken die appellant in de vorige procedure heeft overgelegd en die de Raad in het eerdere hoger beroep bij zijn oordeel heeft betrokken. In de uitspraak van 25 april 2024 heeft de Raad daarover overwogen dat


“de verzekeringsartsen voldoende hebben gemotiveerd dat de stukken die appellant bij zijn aanvraag en in bezwaar heeft overgelegd geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn waaruit de onjuistheid van de eerdere Wajongbeoordeling blijkt (…). Uit de in beroep en hoger beroep overgelegde medische stukken blijkt dat appellant in zijn dagelijks leven inmiddels ernstige beperkingen ondervindt van zijn aandoeningen. Uit die informatie kan echter niet worden afgeleid wat de beperkingen van appellant op zijn zeventiende en achttiende jaar waren, en evenmin dat met de beperkingen die het Uwv in 2014 voor appellant heeft aangenomen onvoldoende recht is gedaan aan de medische situatie van appellant op zijn zeventiende en achttiende jaar. Dat sedert de beoordeling in 2014 sprake is van nieuwe algemene inzichten over MCS en de andere ziektebeelden van appellant, zoals appellant stelt, doet hier niet aan af. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarover opgemerkt dat MCS als een chronische en progressieve ziekte bekend staat, waarbij te verwachten is dat de problematiek en afwijkingen in de loop der tijd zullen verslechteren. Goed denkbaar volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep is dat deze pathologie eerder een mindere ernst heeft gekend. De Raad ziet geen aanleiding de verzekeringsarts bezwaar en beroep in dit standpunt niet te volgen. De Raad voegt daar aan toe dat het standpunt van dr. Oliver, dat appellant op grond van zijn aandoeningen vanaf zijn zeventiende en achttiende jaar als volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is te beschouwen, moeilijk verenigbaar is met de feitelijke situatie rond die tijd, waarin appellant naar school ging, de hockeysport beoefende, deelnam aan het dagelijks leven en na het afronden van zijn studie in zijn eigen bedrijf parttime advieswerk is gaan verrichten.”




5.5.
De vraag of de overgelegde stukken, zoals opgesomd in 2.1 van deze uitspraak, zijn aan te merken als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden waaruit de onjuistheid van de eerdere Wajongbeoordeling blijkt, is dus al beoordeeld en beantwoord in de uitspraak van deze Raad van 25 april 2024. Er is geen reden om daarover in dit hoger beroep anders te oordelen.



5.6.
Appellant heeft in hoger beroep nog een schrijven overgelegd van dr. Oliver van 6 maart 2024. Dit stuk bevat geen andere informatie dan de reeds overgelegde stukken van dr. Oliver, zodat ook dit stuk geen aanleiding geeft om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank.



5.7.
Nu de onjuistheid van het besluit van 14 januari 2014 niet is komen vast te staan, is er geen aanleiding voor het oordeel dat de afwijzing van het verzoek om voor het verleden terug te komen van dat besluit evident onredelijk is. Om diezelfde reden is er evenmin aanleiding om voor de toekomst van het besluit van 14 januari 2014 terug te komen.






Conclusie en gevolgen


5.8.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering van de Wajonguitkering in stand blijft.


6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.






BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.




Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers als voorzitter en F.M. Rijnbeek en J.H. Ermers als leden, in tegenwoordigheid van A.M. van Oorschot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 september 2026.





(getekend) E.J.J.M. Weyers





(getekend) A.M. van Oorschot










CRvB 25 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:914.


Zie de uitspraak van de Raad van 8 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1111.


Zie de uitspraken van de Raad van 20 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4872 en 27 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5115.


Zie de uitspraak van de Raad van 14 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1.


CRvB 25 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:914.