Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Centrale Raad van Beroep

ECLI:NL:CRVB:2026:1149

2026-09-09 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht 25/1652 ZW
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2026-09-09
Publicatiedatum
2026-09-09
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
25/1652 ZW
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl; ABkort 2026/259

Inhoudsindicatie

Beroep ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Herziening besluiten ZW- en WIA-uitkering. Het herzieningsverzoek van appellant ziet op een periode vóór 1 mei 2020 en valt daarmee onder de reikwijdte van de vaststellingsovereenkomst. Dat staat in de weg aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek. Het Uwv had op grond van artikel 1:3, derde lid, Awb een besluit moeten nemen op het herzieningsverzoek, maar heeft dat ten onrechte nagelaten. De rechtbank heeft hierover geoordeeld zonder dat er een besluit van het Uwv voorlag. De Raad vernietigt daarom de aangevallen uitspraak en draagt het Uwv op alsnog een besluit te nemen op het verzoek om herziening.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (11.445 tekens)
25/1652 ZW



Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer












Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 27 juni 2025, 24/1926 (aangevallen uitspraak)







Partijen:




[appellant] te [woonplaats] (appellant)



de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)








Datum uitspraak: 9 september 2026


SAMENVATTING


De rechtbank heeft het beroep van appellant niet-ontvankelijk verklaard omdat de besluiten over de ZW- en WIA-uitkeringen van appellant waarvan hij herziening heeft verzocht, onder de reikwijdte vallen van een vaststellingsovereenkomst die appellant met het Uwv heeft afgesloten. Deze overeenkomst staat in de weg aan een inhoudelijke beoordeling door de rechtbank. Volgens appellant heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat het geschil onder de reikwijdte van de privaatrechtelijke vaststellingsovereenkomst valt en had de rechtbank de door appellant betwiste geldigheid van de vaststellingsovereenkomst moeten beoordelen. De Raad volgt deze standpunten van appellant niet. De Raad komt echter op andere gronden tot het oordeel dat de rechtbank het beroep van appellant ten onrechte nietontvankelijk heeft verklaard.





PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.



De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 15 april 2026. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. de Jong.





OVERWEGINGEN




Inleiding


1.1.
Op 15 mei 2020 hebben appellant en het Uwv een vaststellingsovereenkomst gesloten ter finale beslechting van een aantal lopende zaken van appellant bij of tegen het Uwv. Hierin is onder meer vastgelegd dat aan appellant per 3 februari 2014 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) wordt toegekend en per 3 november 2014 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 80 tot 100%. In de vaststellingsovereenkomst is ook bepaald dat de eerder aan appellant toegekende uitkeringen over dezelfde periode zullen worden ingetrokken of gewijzigd en dat er interne verrekening zal plaatsvinden met deze eerder over dezelfde periode toegekende uitkeringen.



1.2.
In de vaststellingsovereenkomst is, voor zover van belang, verder vastgelegd dat partijen uitgaan van volledige arbeidsongeschiktheid, maar dat er (nog) geen sprake is van duurzaamheid en dat een aanvraag voor een herbeoordeling niet eerder wordt ingediend dan het moment waarop er vanuit de behandelend sector een nadere prognose over de kans op herstel gegeven kan worden. Ook is overeengekomen dat er geen nader onderzoek zal plaatsvinden door het Uwv naar het bestaan van meerdere dienstverbanden bij een andere dan wel dezelfde werkgever.



1.3.
In de aanvullende afspraken in de vaststellingsovereenkomst is vastgelegd dat sprake is van finale kwijting. De finale kwijting ziet op de periode tot en met 1 mei 2020. Ook is bepaald dat appellant geen nieuwe herzieningsverzoeken, aanvragen of overige verzoeken meer indient die zien op de periode voor 1 mei 2020. Als het Uwv wel dergelijke aanvragen of verzoeken ontvangt, dan worden deze niet in behandeling genomen onder verwijzing naar de vaststellingsovereenkomst.


1.4.
Bij besluiten van 29 mei 2020 is aan appellant met ingang van 3 februari 2014 tot en met 2 november 2014 een ZW-uitkering toegekend. Bij beslissing op bezwaar van eveneens 29 mei 2020 is aan appellant per 3 november 2014 een WIA-uitkering toegekend. Hierbij is de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 80 tot 100%.



1.5.
Bij besluit van 28 mei 2021 heeft het Uwv aan appellant per 4 februari 2020 een IVA-uitkering toegekend.



1.6.
Op 13 april 2023 heeft het Uwv appellant een brief gezonden en daarin, onder verwijzing naar de afspraken uit de vaststellingsovereenkomst toegelicht en aangekondigd dat onder meer op aanvragen, herzieningsverzoeken en ingebrekestellingen die naar hun aard vallen onder de afspraken in de vaststellingsovereenkomst geen (nadere) berichten zullen volgen.



1.7.
Bij brief van 11 februari 2024 heeft appellant het Uwv verzocht om toekenning van een IVA-uitkering vanaf juni 2013, terugbetaling van ingehouden ZW-uitkering in 2019 en 2020 en nabetaling uitkering over 2017 en 2018 na herberekening van het maatmanloon. Ook heeft appellant verzocht om verklaringen dat hij, naast de door het Uwv aangenomen werkgever, nog meerdere werkgevers heeft gehad. Daarnaast heeft appellant verzocht om betaling van de griffierechten in alle rechtszaken die hij sinds 2016 heeft gevoerd. Het Uwv heeft hierop niet gereageerd.



1.8.
Bij brief van 27 maart 2024 heeft appellant het Uwv in gebreke gesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit. Het Uwv heeft hierop niet gereageerd.



1.9.
Op 24 april 2024 heeft appellant beroep ingediend tegen het niet tijdig nemen van een besluit. In verweer bij de rechtbank heeft het Uwv gesteld dat er, gelet op de gemaakte afspraken, geen aanleiding was om te reageren op het herzieningsverzoek van 11 februari 2024. Het Uwv heeft er verder op gewezen dat het appellant uitdrukkelijk kenbaar was gemaakt dat het Uwv geen reactie meer zal geven op aanvragen en herzieningsverzoeken die vallen onder de vaststellingsovereenkomst.




Uitspraak van de rechtbank



2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft het standpunt van het Uwv gevolgd dat het geschil valt onder de reikwijdte van de vaststellingsovereenkomst en de daarin gemaakte afspraken, waaronder de afspraak dat een dergelijk verzoek niet in behandeling wordt genomen. Hiertoe heeft de rechtbank vastgesteld dat het herzieningsverzoek van appellant bij brief van 11 februari 2024 ziet op de periode voorafgaand aan 1 mei 2020 en op het volgens appellant bestaan van meerdere dienstverbanden. Dit betekent volgens de rechtbank dat de vaststellingsovereenkomst in de weg staat aan een inhoudelijke beoordeling door de rechtbank van het beroep van appellant. De rechtbank heeft daarom geconcludeerd dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Tot slot heeft de rechtbank overwogen dat als appellant de rechtmatigheid van of de gebondenheid aan de vaststellingsovereenkomst wil aanvechten, hij zich zal moeten wenden tot de burgerlijke rechter.



Het standpunt van appellant



3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft hiertegen aangevoerd dat de vaststellingsovereenkomst niet rechtsgeldig is overeengekomen en hem daarom niet bindt. De rechtbank heeft ten onrechte geen oordeel gegeven over de rechtsgeldigheid van de vaststellingsovereenkomst, terwijl de rechtbank hiertoe gehouden is, omdat de overeenkomst directe rechtsgevolgen heeft in de publiekrechtelijke sfeer én gemotiveerd wordt betwist. Ook heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat het ingediende verzoek om herziening onder de reikwijdte van de vaststellingsovereenkomst valt.



Het standpunt van het Uwv



4. Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak verzocht.




Het oordeel van de Raad


4.1.
Appellant wordt niet gevolgd in zijn standpunt dat de vaststellingsovereenkomst hem niet bindt omdat deze niet rechtsgeldig is overeengekomen. Hoewel de rechtbank terecht heeft overwogen dat appellant zich tot de civiele rechter moet wenden als hij de vaststellingsovereenkomst in het algemeen wil aanvechten, kan de bestuursrechter in een concreet geval ook de vaststellingsovereenkomst beoordelen. De Raad heeft in een uitspraak van 2 april 2026 in een andere zaak van appellant de vaststellingsovereenkomst al beoordeeld. De Raad heeft geoordeeld dat de vaststellingsovereenkomst rechtsgeldig tot stand is gekomen en dat er geen reden is om appellant hieraan niet gebonden te achten.



4.2.
Aangezien het verzoek om herziening van appellant ziet op periodes voorafgaand aan 1 mei 2020, heeft het Uwv terecht gesteld dat deze verzoeken onder de reikwijdte van de vaststellingsovereenkomst vallen. Echter, op dit verzoek had het Uwv, nu dit een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is, een besluit moeten nemen. Uit de tussen het Uwv en appellant gesloten vaststellingsovereenkomst vloeit ook voort dat het Uwv een verzoek dat ziet op periodes voorafgaand aan 1 mei 2020 – onder verwijzing naar deze overeenkomst – niet in behandeling zou nemen. De systematiek van de Awb brengt mee dat een dergelijke beslissing, ook als de inhoud daarvan reeds op voorhand door de vaststellingsovereenkomst is bepaald en bekend mag worden verondersteld, wordt neergelegd in een besluit. Het Uwv heeft dit ten onrechte niet gedaan. De rechtbank heeft hier nu een oordeel over gegeven in de aangevallen uitspraak zonder een voorliggend besluit. De Raad zal de aangevallen uitspraak daarom vernietigen en het Uwv opdracht geven om alsnog een besluit te nemen op het verzoek om herziening.





Conclusie en gevolgen


4.3.
De aangevallen uitspraak wordt vernietigd. Het Uwv dient een besluit op het verzoek om herziening van 11 februari 2024 te nemen met inachtneming van deze uitspraak.


5. De vernietiging van de aangevallen uitspraak geeft aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Er is echter geen sprake van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten, aangezien appellant zich niet heeft laten bijstaan door een gemachtigde. Het Uwv dient aan appellant het door hem betaalde griffierecht in beroep en hoger beroep te vergoeden.





BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep





vernietigt de aangevallen uitspraak;


draagt het Uwv op een besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;


bepaalt dat het Uwv het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 194,- aan appellant vergoedt





Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en A.I. van der Kris en W.A. Timmer als leden, in tegenwoordigheid van A.A. Verweij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 september 2026.





(getekend) H.G. Rottier




De griffier is verhinderd te ondertekenen






Vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 16 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1103.


ECLI:NL:CRVB:2026:372.


Vergelijk de uitspraak van 1 maart 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BL4270.