Centrale Raad van Beroep
ECLI:NL:CRVB:2026:1146
2026-08-11
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
24/2734 PW-PV
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Intrekking en terugvordering van bijstand. Schending inlichtingenverplichting. Verzwegen gezamenlijke huishouding. Geen dringende redenen. Van dringende redenen is niet gebleken. Appellante heeft in hoger beroep niet toegelicht met welke feiten en omstandigheden rekening had moeten worden gehouden. Wel had zij er in beroep op gewezen dat haar aflossingsmogelijkheden beperkt zijn en dat zij daardoor een betalingsregeling dient te treffen voor de rest van haar leven. Maar appellante wordt bij de invordering beschermd door de beslagvrije voet en aan haar wordt kwijtschelding verleend als zij tien jaar aan haar aflossingsverplichting heeft voldaan.
Citeert (4)
- ECLI:NL:CRVB:2024:2192 Centrale Raad van Beroep 10-12-2024
- ECLI:NL:CRVB:2024:2193 Centrale Raad van Beroep 10-12-2024
- ECLI:NL:CRVB:2024:2194 Centrale Raad van Beroep 10-12-2024
- ECLI:NL:CRVB:2024:2195 Centrale Raad van Beroep 10-12-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (7.641 tekens)
24/2734 PW-PV
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 25 oktober 2024, 21/422 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
Het dagelijks bestuur van de gemeenschappelijke regeling Samenwerking De Bevelanden (dagelijks bestuur)
Datum uitspraak: 11 augustus 2026
Zitting hebben: O.L.H.W.I. Korte als voorzitter, W.F. Claessens en W.A. Timmer als leden
Griffier: S.A.M. Schilder
De zitting is gehouden op 11 augustus 2026. Appellante is, ondanks daartoe te zijn opgeroepen, niet verschenen. Ook haar gemachtigde mr. W.R. Aerts is niet verschenen. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door S.M.C. Kooi en S. den Braber.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
1.1. Appellante ontving sinds 20 november 2001 bijstand, laatstelijk naar de norm voor een alleenstaande, op grond van de Participatiewet (PW).
1.2. Met twee besluiten van 11 mei 2020 heeft het dagelijks bestuur de bijstand van appellante met ingang van 5 februari 2009 ingetrokken en de over de periode van 5 februari 2009 tot en met 31 januari 2020 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 148.092,82 van appellante teruggevorderd. Met een besluit van 18 december 2021 (bestreden besluit) is het dagelijks bestuur bij die besluiten gebleven. Aan de besluitvorming heeft het dagelijks bestuur ten grondslag gelegd dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet te melden dat zij sinds 5 februari 2009 een gezamenlijke huishouding voert met X. Als gevolg daarvan heeft appellante geen recht op bijstand, omdat zij geen zelfstandig subject van bijstand is.
2. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak, voor zover van belang, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee dit besluit in stand gelaten.
3. Appellante heeft in hoger beroep uitsluitend aangevoerd dat er dringende redenen zijn om van terugvordering af te zien als bedoeld in artikel 58, achtste lid, van de PW. Appellante heeft hierbij gewezen op het volgende. De strafzaak en het in dat kader afgenomen verhoor bij de sociale recherche hebben op haar een enorme indruk gemaakt. De strafrechter heeft appellante veroordeeld tot een taakstraf van 180 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden. De inhoud van de bij de strafzitting ingebrachte pleitnota, die bij het hoger beroepschrift is overgelegd, moet als herhaald en ingelast worden beschouwd. Er is sprake geweest van een sluipenderwijs ontstane gezamenlijke huishouding. Dit blijkt ook uit de verklaring van X op de zitting van 24 augustus 2024 dat hij ongeveer drie jaar bij appellante heeft ingewoond. Er is onvoldoende rekening gehouden met de door appellante naar voren gebrachte feiten en omstandigheden. Deze beroepsgrond slaagt om de volgende redenen niet.
4.1. Het dagelijks bestuur is verplicht om de kosten van bijstand terug te vorderen voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting. Dit uitgangspunt staat in artikel 58, eerste lid, van de PW. Maar indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het dagelijks bestuur besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Dat volgt uit artikel 58, achtste lid, van de PW.
4.2. Zoals de Raad in vier uitspraken van 10 december 2024 tot uitdrukking heeft gebracht moet een besluit om al dan niet van deze mogelijkheid gebruik te maken zijn gebaseerd op een belangenafweging. Daarbij geldt het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald en verder dat met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval rekening wordt gehouden. Die feiten en omstandigheden kunnen zien op de gevolgen van de terugvordering, maar ook op de oorzaak daarvan. De afweging zal een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het evenredigheidsbeginsel, moeten kunnen doorstaan.
4.3. Het dagelijks bestuur heeft wat appellante heeft aangevoerd bij afweging van de betrokken belangen niet als dringende redenen hoeven aan te merken om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Het besluit om niet (deels) van terugvordering af te zien getuigt niet van een onevenwichtige afweging van de daarbij betrokken belangen. Daarvoor is allereerst van belang dat de terugvordering niet is ontstaan of opgelopen door toedoen van het dagelijks bestuur, maar het gevolg is van het feit dat appellante de inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van de gezamenlijke huishouding met X.
4.4. Over wat appellante heeft aangevoerd in het kader van haar beroep op dringende redenen om van terugvordering af te zien overweegt de Raad het volgende.
4.4.1. Zonder nadere toelichting valt niet in te zien waarom en in welk opzicht in het licht van 4.2 betekenis moet toekomen aan de impact van de strafzaak en het verhoor op appellante, aan de veroordeling door de strafrechter en aan de gestelde sluipenderwijs ontstane gezamenlijke huishouding. Hetzelfde geldt voor de ongespecificeerde verwijzing naar de pleitnota in het kader van de strafzaak. Appellante had die toelichting ter zitting bij de Raad kunnen geven. Zij was daartoe ook opgeroepen, waarbij is vermeld welke vragen zullen worden gesteld over haar stellingen en verwijzingen in het kader van haar beroep op dringende redenen om van terugvordering af te zien. Zij heeft er echter voor gekozen om niet ter zitting te verschijnen en heeft de opgeworpen vragen ook niet voorafgaand aan de zitting beantwoord.
4.4.2. Appellante heeft in hoger beroep niet toegelicht met welke feiten en omstandigheden rekening had moeten worden gehouden. Wel had zij er in beroep op gewezen dat haar aflossingsmogelijkheden beperkt zijn en dat zij daardoor een betalingsregeling dient te treffen voor de rest van haar leven. Maar appellante wordt bij de invordering beschermd door de beslagvrije voet, zoals de rechtbank al heeft overwogen, en aan haar wordt kwijtschelding verleend als zij tien jaar aan haar aflossingsverplichting heeft voldaan, zoals het dagelijks bestuur ter zitting heeft uitgelegd en toegelicht.
5. De conclusie is dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd voor zover aangevochten. Dit betekent dat de intrekking en terugvordering in stand blijven. Dit betekent ook dat appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht krijgt.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter van de meervoudige kamer
(getekend) S.A.M. Schilder (getekend) O.L.H.W.I. Korte
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip gezamenlijke huishouding.
ECLI:NL:CRVB:2024:2192, ECLI:NL:CRVB:2024:2193, ECLI:NL:CRVB:2024:2194, ECLI:NL:CRVB:2024:2195.
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 25 oktober 2024, 21/422 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
Het dagelijks bestuur van de gemeenschappelijke regeling Samenwerking De Bevelanden (dagelijks bestuur)
Datum uitspraak: 11 augustus 2026
Zitting hebben: O.L.H.W.I. Korte als voorzitter, W.F. Claessens en W.A. Timmer als leden
Griffier: S.A.M. Schilder
De zitting is gehouden op 11 augustus 2026. Appellante is, ondanks daartoe te zijn opgeroepen, niet verschenen. Ook haar gemachtigde mr. W.R. Aerts is niet verschenen. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door S.M.C. Kooi en S. den Braber.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
1.1. Appellante ontving sinds 20 november 2001 bijstand, laatstelijk naar de norm voor een alleenstaande, op grond van de Participatiewet (PW).
1.2. Met twee besluiten van 11 mei 2020 heeft het dagelijks bestuur de bijstand van appellante met ingang van 5 februari 2009 ingetrokken en de over de periode van 5 februari 2009 tot en met 31 januari 2020 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 148.092,82 van appellante teruggevorderd. Met een besluit van 18 december 2021 (bestreden besluit) is het dagelijks bestuur bij die besluiten gebleven. Aan de besluitvorming heeft het dagelijks bestuur ten grondslag gelegd dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet te melden dat zij sinds 5 februari 2009 een gezamenlijke huishouding voert met X. Als gevolg daarvan heeft appellante geen recht op bijstand, omdat zij geen zelfstandig subject van bijstand is.
2. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak, voor zover van belang, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee dit besluit in stand gelaten.
3. Appellante heeft in hoger beroep uitsluitend aangevoerd dat er dringende redenen zijn om van terugvordering af te zien als bedoeld in artikel 58, achtste lid, van de PW. Appellante heeft hierbij gewezen op het volgende. De strafzaak en het in dat kader afgenomen verhoor bij de sociale recherche hebben op haar een enorme indruk gemaakt. De strafrechter heeft appellante veroordeeld tot een taakstraf van 180 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden. De inhoud van de bij de strafzitting ingebrachte pleitnota, die bij het hoger beroepschrift is overgelegd, moet als herhaald en ingelast worden beschouwd. Er is sprake geweest van een sluipenderwijs ontstane gezamenlijke huishouding. Dit blijkt ook uit de verklaring van X op de zitting van 24 augustus 2024 dat hij ongeveer drie jaar bij appellante heeft ingewoond. Er is onvoldoende rekening gehouden met de door appellante naar voren gebrachte feiten en omstandigheden. Deze beroepsgrond slaagt om de volgende redenen niet.
4.1. Het dagelijks bestuur is verplicht om de kosten van bijstand terug te vorderen voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting. Dit uitgangspunt staat in artikel 58, eerste lid, van de PW. Maar indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het dagelijks bestuur besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Dat volgt uit artikel 58, achtste lid, van de PW.
4.2. Zoals de Raad in vier uitspraken van 10 december 2024 tot uitdrukking heeft gebracht moet een besluit om al dan niet van deze mogelijkheid gebruik te maken zijn gebaseerd op een belangenafweging. Daarbij geldt het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald en verder dat met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval rekening wordt gehouden. Die feiten en omstandigheden kunnen zien op de gevolgen van de terugvordering, maar ook op de oorzaak daarvan. De afweging zal een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het evenredigheidsbeginsel, moeten kunnen doorstaan.
4.3. Het dagelijks bestuur heeft wat appellante heeft aangevoerd bij afweging van de betrokken belangen niet als dringende redenen hoeven aan te merken om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Het besluit om niet (deels) van terugvordering af te zien getuigt niet van een onevenwichtige afweging van de daarbij betrokken belangen. Daarvoor is allereerst van belang dat de terugvordering niet is ontstaan of opgelopen door toedoen van het dagelijks bestuur, maar het gevolg is van het feit dat appellante de inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van de gezamenlijke huishouding met X.
4.4. Over wat appellante heeft aangevoerd in het kader van haar beroep op dringende redenen om van terugvordering af te zien overweegt de Raad het volgende.
4.4.1. Zonder nadere toelichting valt niet in te zien waarom en in welk opzicht in het licht van 4.2 betekenis moet toekomen aan de impact van de strafzaak en het verhoor op appellante, aan de veroordeling door de strafrechter en aan de gestelde sluipenderwijs ontstane gezamenlijke huishouding. Hetzelfde geldt voor de ongespecificeerde verwijzing naar de pleitnota in het kader van de strafzaak. Appellante had die toelichting ter zitting bij de Raad kunnen geven. Zij was daartoe ook opgeroepen, waarbij is vermeld welke vragen zullen worden gesteld over haar stellingen en verwijzingen in het kader van haar beroep op dringende redenen om van terugvordering af te zien. Zij heeft er echter voor gekozen om niet ter zitting te verschijnen en heeft de opgeworpen vragen ook niet voorafgaand aan de zitting beantwoord.
4.4.2. Appellante heeft in hoger beroep niet toegelicht met welke feiten en omstandigheden rekening had moeten worden gehouden. Wel had zij er in beroep op gewezen dat haar aflossingsmogelijkheden beperkt zijn en dat zij daardoor een betalingsregeling dient te treffen voor de rest van haar leven. Maar appellante wordt bij de invordering beschermd door de beslagvrije voet, zoals de rechtbank al heeft overwogen, en aan haar wordt kwijtschelding verleend als zij tien jaar aan haar aflossingsverplichting heeft voldaan, zoals het dagelijks bestuur ter zitting heeft uitgelegd en toegelicht.
5. De conclusie is dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd voor zover aangevochten. Dit betekent dat de intrekking en terugvordering in stand blijven. Dit betekent ook dat appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht krijgt.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter van de meervoudige kamer
(getekend) S.A.M. Schilder (getekend) O.L.H.W.I. Korte
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip gezamenlijke huishouding.
ECLI:NL:CRVB:2024:2192, ECLI:NL:CRVB:2024:2193, ECLI:NL:CRVB:2024:2194, ECLI:NL:CRVB:2024:2195.