Centrale Raad van Beroep
ECLI:NL:CRVB:2026:1142
2026-08-25
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
24/103 PW
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Stopzetting deelname collectieve zorgverzekering. Hoogte inkomen. Geen bijzondere omstandigheden voor afwijking beleidsregels. In wat appellante heeft aangevoerd, heeft het college geen bijzondere omstandigheden hoeven zien om af te wijken van de toepasselijke beleidsregels. Niet is gebleken dat appellante als gevolg van toepassing van de beleidsregels zich niet langer adequaat kan verzekeren voor medische kosten of niet in staat is de kosten van het eigen risico te dragen. Uit de door appellante zelf opgestelde financiële overzichten volgt dit niet. Ook is niet gebleken dat appellante als gevolg van beëindiging van deelname aan de collectieve zorgverzekering bepaalde noodzakelijke behandelingen niet kan volgen.
Citeert (2)
- ECLI:NL:RBNHO:2022:12048 Rechtbank Noord-Holland 27-12-2022
- ECLI:NL:CRVB:2026:931 Centrale Raad van Beroep 14-07-2026
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (28.309 tekens)
24/103 PW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 8 december 2023, 23/2798 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad (college)
Datum uitspraak: 25 augustus 2026
SAMENVATTING
In deze zaak gaat het om de stopzetting van deelname aan een collectieve zorgverzekering met ingang van 1 januari 2022. Het college heeft de deelname beëindigd omdat appellante over een inkomen beschikt dat hoger is dan 110% van de norm. Appellante vindt dit niet terecht. Zij stelt dat het college in haar geval met toepassing van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) had moeten afwijken van de Beleidsregels voor zover daaruit volgt dat appellante vanwege de hoogte van haar inkomen niet in aanmerking komt voor deelname aan de collectieve zorgverzekering. De Raad geeft appellante geen gelijk.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. P.E. Stam, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift en een nader stuk ingediend. Appellante heeft nadere stukken ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 2 juni 2026. Voor appellante is mr. Stam verschenen. Tevens was aanwezig [naam] , de moeder en bewindvoerder van appellante. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. Arslan en J. Ockers.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante is inwonend bij haar moeder en ontving een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) ter hoogte van € 1.224,41 netto, inclusief vakantietoeslag, exclusief jonggehandicaptenkorting (in 2021). Sinds 1 januari 2020 nam zij deel aan de collectieve aanvullende zorgverzekering van de gemeente Zaanstad bij Zilveren Kruis (collectieve zorgverzekering).
1.2.
Het college heeft de deelname van appellante aan de collectieve verzekering met ingang van 1 januari 2022 stopgezet met een besluit van 2 november 2021 en dat besluit, na bezwaar, gehandhaafd met een besluit van 24 november 2021. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante ingevolge gemeentelijk beleid, zoals vastgelegd in de Beleidsregels gemeentelijke werk- en inkomensvoorzieningen Zaanstad 2019 (Beleidsregels), niet meer aan de voorwaarden voor deelname aan de collectieve zorgverzekering voldoet omdat zij over een inkomen beschikt dat hoger is dan het voor haar geldende ‘sociaal minimum’ van 110% van de norm. Appellante heeft tegen het besluit van 24 november 2021 beroep ingesteld.
Uitspraak van de rechtbank van 27 december 2022
1.3.1.
Met een uitspraak van 27 december 2022, ECLI:NL:RBNHO:2022:12048, heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 24 november 2021 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd wegens strijd met het motiveringsbeginsel en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak. De rechtbank heeft daartoe, samengevat en voor zover hier van belang, het volgende overwogen. Niet in geschil is dat appellante over een inkomen beschikt dat hoger is dan 110% van de norm. Het door het college gevoerde beleid dat in het geval het inkomen van een betrokkene 10% boven de voor haar geldende norm ligt, zij over voldoende draagkracht beschikt om de kosten van de zorgpremie uit haar middelen te voldoen, gaat naar het oordeel van de rechtbank de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat appellante voor andere uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan bijzondere bijstand kan aanvragen. De beroepsgrond dat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel, omdat het college geen afweging heeft gemaakt op grond van artikel 4:84 van de Awb, slaagt. Er is bij appellante sprake van medische problematiek waardoor zij extra zorg nodig heeft. Zij heeft het syndroom van Down en autisme. Zij heeft een Wajong-uitkering en haar inkomen zal dus niet stijgen en zij zal nooit kunnen werken. Ook moet zij een verplichte CAK-bijdrage betalen van € 24,80 per maand. Met deze omstandigheden heeft het college geen rekening gehouden. De gevolgen van het toepassen van het beleid zonder rekening te houden met het voorgaande zijn volgens appellante dat zij het verplichte eigen risico en de premie voor een aanvullende verzekering niet zelf kan betalen en zich niet adequaat aanvullend kan verzekeren voor de zorg die zij nodig heeft. Ook overschrijdt haar inkomen de norm maar met een gering bedrag (€ 41,41). Uit de toelichting bij de Beleidsregels volgt dat met de tegemoetkoming en de in de collectieve verzekering opgenomen gemeentelijke vergoedingen mensen met een laag inkomen de mogelijkheid wordt geboden zich adequaat te verzekeren tegen ziektekosten voor een premie die past bij hun inkomen. Hiermee worden de kosten voor verzekerden tot een maximum teruggedrongen. Appellante stelt zich nu echter niet adequaat aanvullend te kunnen verzekeren en dat de kosten bij haar niet tot een maximum worden teruggedrongen. Het college heeft dit niet meegenomen bij het besluit en niet afgewogen of het doel van de Beleidsregels wordt bereikt in het bestreden besluit. Het college had dus op grond van artikel 4:84 van de Awb moeten afwegen of in het geval van appellante moet worden afgeweken van de Beleidsregels in verband met de gestelde onevenredige gevolgen voor appellante.
1.3.2.
Tegen de uitspraak van 27 december 2022 is geen hoger beroep ingesteld.
Nader onderzoek
1.3.3.
Het college heeft naar aanleiding van de uitspraak van 27 december 2022, ten behoeve van een nieuwe beslissing op bezwaar, nader onderzoek verricht. In het kader hiervan heeft het college in een e-mail van 18 januari 2023 appellante verzocht om informatie te verstrekken. Daarbij zijn aan appellante de volgende vragen gesteld:
“Vraag 1: waaruit blijkt dat uw cliënte niet in staat is om de kosten van de (aanvullende) verzekering per 1 januari 2022 te betalen ad. € 151,45 en ook niet het daarbij behorende eigen risico van € 385,00? Kunt u dit onderbouwen aan de hand van verifieerbare en valideerbare stukken?
Vraag 2: waarvoor betaalt uw cliënte de maandelijkse CAK-bijdrage zoals tijdens de beroepsfase naar voren gebracht is?
Vraag 3: heeft uw cliënte gelet op haar medische situatie sinds 2021 recht op ondersteuning vanuit de Wet Langdurige Zorg? Zo ja, op welke gebieden en in welke vorm? Zo ja, kunt u in het bijzonder ingaan op wat vermeld is het tijdens de beroepsfase verstrekte vaste lastenoverzicht van uw cliënte namelijk: Zorgkosten: pedicure, kleding/beddengoed en persoonlijke verzorging (niet/gedeeltelijk/geheel vergoed?)? Vergoeding van persoonlijke verzorging komt namelijk in beginsel vanuit de Zorgverzekering/Wet Langdurige Zorg.
Vraag 4: heeft uw cliënte met ingang van 1 januari 2022 zorg ontvangen die niet werd vergoed door VGZ? Zo ja welke zorg en wat was de hoogte daarvan?
Vraag 5: kunt u uw standpunt verduidelijken (en met stukken onderbouwen) dat de gemeente gebruik dient te maken van de mogelijkheid om op grond van artikel 3.8.1 van de beleidsregels bij wijze van maatwerk alsnog niet tot beëindiging over te gaan van de collectieve zorgverzekering van uw cliënte?”
1.3.4.
Appellante heeft deze vragen, in een email van 4 februari 2023, als volgt beantwoordt:
“1. Eiseres heeft slechts een netto inkomen van € 1224,41 per maand (datum in geding). Eiseres heeft een overzicht in het kader van het beroep bij de rechtbank ingediend waarop haar maandelijkse uitgaven staan vermeld.
2. Eiseres krijgt een WLZ PGB. Zoals de gemeente bekend is, is eiseres ernstig verstandelijk gehandicapt.
3. Eiseres heeft een zorgprofiel 7VG (WLZ). Het lastenoverzicht wat bij de rechtbank is ingediend ziet op maandelijkse uitgaven aan zorgkosten zoals pedicure, kleding, beddengoed, persoonlijke verzorgingsmiddelen. Vanuit het PGB wordt de ontvangen zorg betaald. Dit staat verder los van de genoemde extra zorgkosten. Het gaat om materiële zaken die aangeschaft moeten worden.
4. Ja, eiseres heeft bijvoorbeeld hoge kosten aan de tandarts. Voor een halfjaarlijkse controle betaalt zij bijna € 160,-. Bewijs zal ik nog doorzenden.
5. Eiseres heeft haar standpunt m.b.t. artikel 3.8.1 van de beleidsregels reeds uitvoerig onderbouwd in haar aanvullend beroepschrift op pagina 6. Hierbij wil eiseres nogmaals benadrukken dat eiseres ernstig gehandicapt is en het in verband met haar aandoening(en) erg belangrijk is dat zij goed is verzekerd voor haar ziektekosten (omdat zij meer medische complicaties heeft) en daar komt bij dat zij de rest van haar leven van een minimaal inkomen afhankelijk zal zijn. De gemeente dient derhalve maatwerk te leveren. Het kan toch nimmer de bedoeling van de gemeente zijn dat deze ernstig gehandicapte dame met een minimale WAJONG uitkering buiten de boot valt.”
1.3.5.
Appellante heeft verder, op 4 februari 2023, de navolgende stukken overgelegd. Een tandartsnota van 29 maart 2022 van € 159,78 voor een behandeling op 31 januari 2022 zijnde “5 minuten tarief mondzorg aan bijzondere groepen ” en een aangifte inkomstenbelasting 2021 met daarop onder meer vermeld een bedrag van € 2.100,- aan zorgkosten.
Nieuwe beslissing op bezwaar van 6 maart 2023 (bestreden besluit)
1.3.6.
Het college heeft op basis van de in 1.3.4 en 1.3.5 vermelde informatie van appellante met een nieuwe beslissing op bezwaar van 6 maart 2023 (bestreden besluit), uitvoering gegeven aan de uitspraak van de rechtbank van 27 december 2022. In het bestreden besluit is het bezwaar van appellante opnieuw ongegrond verklaard en is de beëindiging van deelname aan de collectieve zorgverzekering gehandhaafd. Daaraan heeft het college, samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. Bij de bepaling van de hoogte van het inkomen van appellante wordt geen rekening gehouden met uitgaven zoals de CAKbijdrage en ook niet met de kostendelersnorm van appellante. Het inkomen van appellante inclusief vakantietoeslag is vastgesteld op € 1.224,41 en daarmee hoger dan 110% van de norm. Met dit inkomen wordt appellante geacht zelf in de kosten van een (aanvullende) zorgpremie te kunnen voorzien. In zijn algemeenheid kan worden opgemerkt dat de meeste zorg (al) in de basisverzekering zit. Appellante ontvangt daarnaast een Persoonsgebonden Budget op grond van de Wet Langdurige Zorg waarvan de zorg voor appellante betaald wordt. Niet is gebleken dat appellante, door de beëindiging van de collectieve zorgverzekering, niet in staat is de kosten van een (aanvullende) verzekering en de kosten van het eigen risico te betalen of dat haar medische zorg is onthouden. Indien appellante maandelijks aantoonbare meerkosten heeft, dan kan zij daarvoor een aanvraag bijzondere bijstand doen. Haar medische problematiek, waardoor zij extra zorg nodig heeft, vormt, hoe invoelbaar ook, geen bijzondere omstandigheid om de collectieve zorgverzekering te continueren. Alles overwegende vormt de specifieke situatie van appellante geen aanleiding om met toepassing van artikel 4:84 van de Awb af te wijken van de Beleidsregels waarin staat dat iemand met een inkomen hoger dan 110% van de norm niet in aanmerking komt voor deelname aan de collectieve zorgverzekering. Een beroep op de maatwerkbepalingen uit de Beleidsregels slaagt ook niet. Niet is gebleken dat appellante voldoet aan de in artikel 3.8.1, eerste lid, genoemde (ten minste twee) voorwaarden om tot maatwerk over te moeten gaan.
1.3.7.
Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Uitspraak van de rechtbank van 8 december 2023 (aangevallen uitspraak)
2. Met de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft daartoe, samengevat, het volgende overwogen. Het college had moeten bekijken of de persoonlijke omstandigheden van appellante aanleiding hadden moeten geven om af te wijken van de Beleidsregels. Het college is van mening dat de medische problematiek van appellante geen bijzondere omstandigheid vormt, maar heeft niet gemotiveerd waarom dit zo is terwijl ter zitting is erkend dat bij de beoordeling van de medische situatie van appellante geen medisch professional is betrokken. Verder is in het bestreden besluit niet ingegaan op het gegeven dat appellante een Wajong-uitkering ontvangt en of dit een bijzondere omstandigheid vormt. Hoewel dit op de zitting van 14 november 2022 is besproken, had dit naar het oordeel van de rechtbank in het bestreden besluit moeten worden neergelegd. Op grond van het vorenstaande is sprake van een motiveringsgebrek op grond waarvan het bestreden besluit moet worden vernietigd. De rechtbank laat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit echter in stand. De rechtbank stelt daartoe voorop dat appellante een inkomen heeft dat hoger is dan 110% van de voor haar geldende norm en dat het college bij de bepaling van de hoogte van het inkomen van appellante geen rekening hoeft te houden met haar uitgaven tenzij haar bestaanszekerheid in het gedrang komt, maar dat is onvoldoende gesteld noch gebleken. De rechtbank is verder van oordeel dat niet is gebleken dat het handelen overeenkomstig de Beleidsregels voor appellante gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de Beleidsregels te dienen doelen. Appellante onderbouwt haar stellingen slechts met algemene argumenten en een door haar zelf opgesteld overzicht van baten en lasten. Dat volstaat echter niet. Zo ontbreekt er informatie van een (medisch) behandelaar aangaande de door appellante gestelde medische problematiek. De rechtbank ziet, bij gebreke van duidelijke objectieve en verifieerbare stukken zijdens appellante, nu geen aanleiding om de stellingen en argumenten van appellante te volgen.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de aangevallen uitspraak niet eens voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand zijn gelaten. Wat zij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.
Het oordeel van de Raad
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep daartegen heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels en beleidsregels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.1.
Indien de bestuursrechter een besluit beoordeelt dat is genomen ter uitvoering van een eerdere rechterlijke uitspraak, toetst de bestuursrechter of het bestuursorgaan op juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan die eerdere uitspraak. Dit is vaste rechtspraak. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 27 december 2022 het college opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen en daarbij met toepassing van artikel 4:84 van de Awb af te wegen of gelet op de onder 1.3.1 genoemde omstandigheden moet worden afgeweken van het beleid in verband met de gestelde onevenredige gevolgen voor appellante en aan appellante een collectieve aanvullende zorgverzekering moet worden toegekend. De rechtbank heeft dit in de aangevallen uitspraak terecht tot uitgangspunt genomen. Ook in hoger beroep is de omvang van het geding hiertoe beperkt.
4.2.
Artikel 35, derde lid, van de Participatiewet maakt het mogelijk om bijzondere bijstand toe te kennen aan een persoon in de vorm van een collectieve aanvullende zorgverzekering.
4.2.1.
Het college heeft voor de uitoefening van deze bevoegdheid de Beleidsregels vastgesteld. Hierin is bepaald dat belanghebbenden met een netto maandinkomen tot en met 110% van de geldende bijstandsnorm, inclusief vakantiegeld, kunnen deelnemen aan de collectieve zorgverzekering van de door het college aangewezen zorgverzekeraar.
4.2.2.
In de toelichting van de Beleidsregels is opgenomen dat de collectieve zorgverzekering tot doel heeft mensen met een laag inkomen de mogelijkheid te bieden zich adequaat te verzekeren tegen ziektekosten voor een premie die past bij hun inkomen en daarmee de kosten voor verzekerden tot een maximum terug te dringen.
4.3.
Appellante heeft aangevoerd dat het college in haar geval met toepassing van artikel 4:84 van de Awb had moeten afwijken van de Beleidsregels, voor zover daaruit volgt dat zij vanwege de hoogte van haar inkomen niet in aanmerking komt voor deelname aan een collectieve zorgverzekering. Appellante heeft in dat kader betoogd dat het stopzetten van deelname aan de collectieve zorgverzekering in haar geval vanwege haar medische situatie en de daarmee samenhangende extra kosten onevenredige gevolgen heeft. Appellante stelt dat als zij niet langer kan deelnemen aan de collectieve zorgverzekering zij zich niet meer adequaat kan verzekeren en haar jaarlijkse eigen risico niet meer kan voldoen. Haar inkomen is slechts € 41,41 hoger dan 110% van de norm en het college had niet alleen naar haar inkomen moeten kijken maar ook naar haar uitgaven. Zij heeft het syndroom van Down en autisme en is recent gediagnosticeerd met een tumor in haar hypofyse. Appellante heeft als gevolg van haar aandoeningen maandelijks extra medische kosten en diverse hogere kosten zoals voor vakanties en kleding. Zij heeft extra zorg nodig en dient voor haar zorgkosten adequaat verzekerd te zijn. Appellante is met ingang van 1 januari 2022 verzekerd bij VGZ. Zij betaalt daarvoor maandelijks méér premie dan bij een collectieve zorgverzekering. Appellante zal door haar aandoeningen naar verwachting worden geconfronteerd met extra kosten die niet door haar huidige verzekering zullen worden vergoed. De kosten worden in het geval van appellante dus niet tot een maximum teruggedrongen, zoals de bedoeling is van het beleid. De kans bestaat ook dat appellante in verband met haar financiën bepaalde behandelingen niet inzet of kan inzetten.
Geen onevenredige gevolgen als bedoeld in artikel 4:84 van de Awb
4.4.
Ingevolge artikel 4:84 van de Awb is een bestuursorgaan verplicht om te handelen overeenkomstig de beleidsregels, tenzij dat voor een betrokkene gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen.
4.4.1.
Ingevolge de Beleidsregels beschikt appellante met een inkomen dat 10% boven de voor haar geldende norm ligt, over voldoende draagkracht om de kosten van de (aanvullende) zorgpremie uit haar middelen te voldoen. Dat de overschrijding met haar inkomen slechts € 41,41 per maand bedraagt, zoals appellante in hoger beroep heeft benadrukt, maakt niet dat het college al daarom van het beleid moest afwijken.
4.4.2.
Niet is gebleken dat appellante als gevolg van toepassing van de Beleidsregels zich niet langer adequaat kan verzekeren voor medische kosten of niet in staat is de kosten van het eigen risico te dragen. Uit de door appellante zelf opgestelde financiële overzichten volgt dit niet. Ten aanzien van het verplicht eigen risico in de Zorgverzekeringswet geldt dat alle zorgverzekerden met deze kosten te maken hebben. Ook is niet gebleken dat appellante als gevolg van beëindiging van deelname aan de collectieve zorgverzekering bepaalde noodzakelijke behandelingen niet kan volgen. De bewindvoerder van appellante heeft ter zitting van de Raad desgevraagd ook niet kunnen aangeven welke extra medische kosten appellante concreet heeft, die alleen met een aanvullende verzekering worden vergoed. De diverse andere extra kosten die appellante stelt te hebben door haar medische problematiek, voor zover die niet anderszins worden vergoed, zijn als zodanig niet aan te merken als onevenredige gevolgen van de Beleidsregels. De Beleidsregels zien, gelet op de in 4.2.2 vermelde doelstelling, op het toelaten van mensen met een laag inkomen tot een collectieve zorgverzekering en zijn niet bedoeld om door middel van die collectieve zorgverzekering, al dan niet indirect, te voorzien in de diverse overige door appellante aangevoerde kosten. Niet kan worden vastgesteld dat de Beleidsregels gezien die kosten onevenredig uitwerken.
4.5.
Uit 4.4 tot en met 4.4.2 volgt dat het college in wat appellante heeft aangevoerd geen bijzondere omstandigheden heeft hoeven zien om met toepassing van artikel 4:84 van de Awb af te wijken van de Beleidsregels.
Conclusie en gevolgen
4.6.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd voor zover aangevochten. Dit betekent dat de beëindiging van deelname aan een collectieve zorgverzekering met ingang van 1 januari 2022 in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door A.M. Overbeeke als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en C. Karman als leden, in tegenwoordigheid van A.T. Dannenberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2026.
(getekend) A.M. Overbeeke
(getekend) A.T. Dannenberg
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels en beleidsregels
Participatiewet
Artikel 35, eerste en derde lid geldend ten tijde in geding
1. Onverminderd paragraaf 2.2, heeft de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, de individuele studietoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn. Het college bepaalt het begin en de duur van de periode waarover het vermogen en het inkomen in aanmerking wordt genomen.
3. In afwijking van het eerste lid kan bijzondere bijstand ook aan een persoon worden verleend in de vorm van een collectieve aanvullende zorgverzekering of in de vorm van een tegemoetkoming in de kosten van de premie van een dergelijke verzekering zonder dat wordt nagegaan of ten aanzien van die persoon de kosten van die verzekering of die premie ook daadwerkelijk noodzakelijk zijn of gemaakt zijn.
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 1:3, vierde lid
4. Onder beleidsregel wordt verstaan: een bij besluit vastgestelde algemene regel, niet zijnde een algemeen verbindend voorschrift, omtrent de afweging van belangen, de vaststelling van feiten of de uitleg van wettelijke voorschriften bij het gebruik van een bevoegdheid van een bestuursorgaan.
Artikel 4:84
Het bestuursorgaan handelt overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.
Beleidsregels gemeentelijke werk- en inkomensvoorzieningen Zaanstad 2019
Artikel 3.1.2 Sociaal minimum
1. Voor de toepassing van de voorzieningen, opgenomen in de hoofdstukken 3, 5 en 6, wordt het sociaal minimum gesteld op 110% van de voor belanghebbende van toepassing zijnde bijstandsnorm, zoals bedoeld in artikel 5, onderdeel c van de wet, waarbij artikel 19a en 22a van de wet buiten toepassing blijven.
2. Het sociaal minimum wordt gebaseerd op de bijstandsnorm van januari in het betreffende kalenderjaar.
Artikel 3.5.1 Bijzondere bijstand voor medische kosten, eerste, tweede, derde en vierde lid
1. De Zorgverzekeringswet wordt voor de verlening van bijstand voor medische kosten adequaat en toereikend geacht. Voor deze kosten wordt geen buitenwettelijk begunstigend beleid toegepast. Dit betekent dat alleen nog bijzonder bijstand voor medische kosten wordt verstrekt als dit een direct gevolg is van de toepassing van artikel 35, eerste lid van de wet.
2. In afwijking van het eerste lid wordt op grond van artikel 35, derde lid van de wet, bijzondere bijstand voor medische kosten verstrekt via de "gemeentelijke collectieve aanvullende zorgverzekering voor de minima" van de gemeente bij Zilveren Kruis en Univé.
3. Op grond van artikel 35, derde lid van de wet wordt bij deelname aan de gemeentelijke collectieve aanvullende zorgverzekeringen een tegemoetkoming in de premie verstrekt. Deze tegemoetkoming wordt door de zorgverzekeraar verrekend met de gemeente, waarna het restant van de premie door de zorgverzekeraar in rekening wordt gebracht bij de verzekerde.
4. Als het inkomen gedurende het kalenderjaar stijgt tot boven het sociaal minimum blijft het recht op deelname aan de gemeentelijke collectieve zorgverzekering, inclusief de aanvullende tandarts- en zorgverzekering, ongewijzigd tot en met de laatste maand van het kalenderjaar. Belanghebbende blijft gedurende deze periode tevens recht houden op de tegemoetkoming, zoals bedoeld in het derde lid.
Artikel 3.8.1 Maatwerk bij de verlening van bijzondere bijstand, eerste en tweede lid
1. Als er naar oordeel van het college dringende omstandigheden aanwezig worden geacht om de alleenstaande of het gezin financiële ondersteuning te bieden, terwijl de kosten om deze financiële ondersteuning te verstrekken niet of niet geheel aangemerkt kunnen worden als uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan, zoals bedoeld in artikel 35 van de wet, kan er ook sprake zijn van een noodzaak tot verlening van bijzondere bijstand als door deze bijzondere bijstand:
1. hogere maatschappelijke kosten voor de gemeente in de toekomst worden voorkomen;
2. een doorbraak wordt geforceerd in de omstandigheden van de persoon of het gezin of de situatie van de persoon of het gezin significant verbetert en de zelfredzaamheid daardoor wordt vergroot;
3. escalatie van de problematiek, waar de persoon of het gezin mee wordt geconfronteerd, wordt opgelost dan wel wordt voorkomen.
2. Als maatwerk in de vorm van bijzondere bijstand nodig is, dient er aan tenminste twee van de drie voorwaarden, zoals genoemd in het eerste lid, te worden voldaan.
Zie de uitspraak van 14 juli 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:931.
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 8 december 2023, 23/2798 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad (college)
Datum uitspraak: 25 augustus 2026
SAMENVATTING
In deze zaak gaat het om de stopzetting van deelname aan een collectieve zorgverzekering met ingang van 1 januari 2022. Het college heeft de deelname beëindigd omdat appellante over een inkomen beschikt dat hoger is dan 110% van de norm. Appellante vindt dit niet terecht. Zij stelt dat het college in haar geval met toepassing van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) had moeten afwijken van de Beleidsregels voor zover daaruit volgt dat appellante vanwege de hoogte van haar inkomen niet in aanmerking komt voor deelname aan de collectieve zorgverzekering. De Raad geeft appellante geen gelijk.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. P.E. Stam, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift en een nader stuk ingediend. Appellante heeft nadere stukken ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 2 juni 2026. Voor appellante is mr. Stam verschenen. Tevens was aanwezig [naam] , de moeder en bewindvoerder van appellante. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. Arslan en J. Ockers.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante is inwonend bij haar moeder en ontving een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) ter hoogte van € 1.224,41 netto, inclusief vakantietoeslag, exclusief jonggehandicaptenkorting (in 2021). Sinds 1 januari 2020 nam zij deel aan de collectieve aanvullende zorgverzekering van de gemeente Zaanstad bij Zilveren Kruis (collectieve zorgverzekering).
1.2.
Het college heeft de deelname van appellante aan de collectieve verzekering met ingang van 1 januari 2022 stopgezet met een besluit van 2 november 2021 en dat besluit, na bezwaar, gehandhaafd met een besluit van 24 november 2021. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante ingevolge gemeentelijk beleid, zoals vastgelegd in de Beleidsregels gemeentelijke werk- en inkomensvoorzieningen Zaanstad 2019 (Beleidsregels), niet meer aan de voorwaarden voor deelname aan de collectieve zorgverzekering voldoet omdat zij over een inkomen beschikt dat hoger is dan het voor haar geldende ‘sociaal minimum’ van 110% van de norm. Appellante heeft tegen het besluit van 24 november 2021 beroep ingesteld.
Uitspraak van de rechtbank van 27 december 2022
1.3.1.
Met een uitspraak van 27 december 2022, ECLI:NL:RBNHO:2022:12048, heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 24 november 2021 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd wegens strijd met het motiveringsbeginsel en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak. De rechtbank heeft daartoe, samengevat en voor zover hier van belang, het volgende overwogen. Niet in geschil is dat appellante over een inkomen beschikt dat hoger is dan 110% van de norm. Het door het college gevoerde beleid dat in het geval het inkomen van een betrokkene 10% boven de voor haar geldende norm ligt, zij over voldoende draagkracht beschikt om de kosten van de zorgpremie uit haar middelen te voldoen, gaat naar het oordeel van de rechtbank de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat appellante voor andere uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan bijzondere bijstand kan aanvragen. De beroepsgrond dat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel, omdat het college geen afweging heeft gemaakt op grond van artikel 4:84 van de Awb, slaagt. Er is bij appellante sprake van medische problematiek waardoor zij extra zorg nodig heeft. Zij heeft het syndroom van Down en autisme. Zij heeft een Wajong-uitkering en haar inkomen zal dus niet stijgen en zij zal nooit kunnen werken. Ook moet zij een verplichte CAK-bijdrage betalen van € 24,80 per maand. Met deze omstandigheden heeft het college geen rekening gehouden. De gevolgen van het toepassen van het beleid zonder rekening te houden met het voorgaande zijn volgens appellante dat zij het verplichte eigen risico en de premie voor een aanvullende verzekering niet zelf kan betalen en zich niet adequaat aanvullend kan verzekeren voor de zorg die zij nodig heeft. Ook overschrijdt haar inkomen de norm maar met een gering bedrag (€ 41,41). Uit de toelichting bij de Beleidsregels volgt dat met de tegemoetkoming en de in de collectieve verzekering opgenomen gemeentelijke vergoedingen mensen met een laag inkomen de mogelijkheid wordt geboden zich adequaat te verzekeren tegen ziektekosten voor een premie die past bij hun inkomen. Hiermee worden de kosten voor verzekerden tot een maximum teruggedrongen. Appellante stelt zich nu echter niet adequaat aanvullend te kunnen verzekeren en dat de kosten bij haar niet tot een maximum worden teruggedrongen. Het college heeft dit niet meegenomen bij het besluit en niet afgewogen of het doel van de Beleidsregels wordt bereikt in het bestreden besluit. Het college had dus op grond van artikel 4:84 van de Awb moeten afwegen of in het geval van appellante moet worden afgeweken van de Beleidsregels in verband met de gestelde onevenredige gevolgen voor appellante.
1.3.2.
Tegen de uitspraak van 27 december 2022 is geen hoger beroep ingesteld.
Nader onderzoek
1.3.3.
Het college heeft naar aanleiding van de uitspraak van 27 december 2022, ten behoeve van een nieuwe beslissing op bezwaar, nader onderzoek verricht. In het kader hiervan heeft het college in een e-mail van 18 januari 2023 appellante verzocht om informatie te verstrekken. Daarbij zijn aan appellante de volgende vragen gesteld:
“Vraag 1: waaruit blijkt dat uw cliënte niet in staat is om de kosten van de (aanvullende) verzekering per 1 januari 2022 te betalen ad. € 151,45 en ook niet het daarbij behorende eigen risico van € 385,00? Kunt u dit onderbouwen aan de hand van verifieerbare en valideerbare stukken?
Vraag 2: waarvoor betaalt uw cliënte de maandelijkse CAK-bijdrage zoals tijdens de beroepsfase naar voren gebracht is?
Vraag 3: heeft uw cliënte gelet op haar medische situatie sinds 2021 recht op ondersteuning vanuit de Wet Langdurige Zorg? Zo ja, op welke gebieden en in welke vorm? Zo ja, kunt u in het bijzonder ingaan op wat vermeld is het tijdens de beroepsfase verstrekte vaste lastenoverzicht van uw cliënte namelijk: Zorgkosten: pedicure, kleding/beddengoed en persoonlijke verzorging (niet/gedeeltelijk/geheel vergoed?)? Vergoeding van persoonlijke verzorging komt namelijk in beginsel vanuit de Zorgverzekering/Wet Langdurige Zorg.
Vraag 4: heeft uw cliënte met ingang van 1 januari 2022 zorg ontvangen die niet werd vergoed door VGZ? Zo ja welke zorg en wat was de hoogte daarvan?
Vraag 5: kunt u uw standpunt verduidelijken (en met stukken onderbouwen) dat de gemeente gebruik dient te maken van de mogelijkheid om op grond van artikel 3.8.1 van de beleidsregels bij wijze van maatwerk alsnog niet tot beëindiging over te gaan van de collectieve zorgverzekering van uw cliënte?”
1.3.4.
Appellante heeft deze vragen, in een email van 4 februari 2023, als volgt beantwoordt:
“1. Eiseres heeft slechts een netto inkomen van € 1224,41 per maand (datum in geding). Eiseres heeft een overzicht in het kader van het beroep bij de rechtbank ingediend waarop haar maandelijkse uitgaven staan vermeld.
2. Eiseres krijgt een WLZ PGB. Zoals de gemeente bekend is, is eiseres ernstig verstandelijk gehandicapt.
3. Eiseres heeft een zorgprofiel 7VG (WLZ). Het lastenoverzicht wat bij de rechtbank is ingediend ziet op maandelijkse uitgaven aan zorgkosten zoals pedicure, kleding, beddengoed, persoonlijke verzorgingsmiddelen. Vanuit het PGB wordt de ontvangen zorg betaald. Dit staat verder los van de genoemde extra zorgkosten. Het gaat om materiële zaken die aangeschaft moeten worden.
4. Ja, eiseres heeft bijvoorbeeld hoge kosten aan de tandarts. Voor een halfjaarlijkse controle betaalt zij bijna € 160,-. Bewijs zal ik nog doorzenden.
5. Eiseres heeft haar standpunt m.b.t. artikel 3.8.1 van de beleidsregels reeds uitvoerig onderbouwd in haar aanvullend beroepschrift op pagina 6. Hierbij wil eiseres nogmaals benadrukken dat eiseres ernstig gehandicapt is en het in verband met haar aandoening(en) erg belangrijk is dat zij goed is verzekerd voor haar ziektekosten (omdat zij meer medische complicaties heeft) en daar komt bij dat zij de rest van haar leven van een minimaal inkomen afhankelijk zal zijn. De gemeente dient derhalve maatwerk te leveren. Het kan toch nimmer de bedoeling van de gemeente zijn dat deze ernstig gehandicapte dame met een minimale WAJONG uitkering buiten de boot valt.”
1.3.5.
Appellante heeft verder, op 4 februari 2023, de navolgende stukken overgelegd. Een tandartsnota van 29 maart 2022 van € 159,78 voor een behandeling op 31 januari 2022 zijnde “5 minuten tarief mondzorg aan bijzondere groepen ” en een aangifte inkomstenbelasting 2021 met daarop onder meer vermeld een bedrag van € 2.100,- aan zorgkosten.
Nieuwe beslissing op bezwaar van 6 maart 2023 (bestreden besluit)
1.3.6.
Het college heeft op basis van de in 1.3.4 en 1.3.5 vermelde informatie van appellante met een nieuwe beslissing op bezwaar van 6 maart 2023 (bestreden besluit), uitvoering gegeven aan de uitspraak van de rechtbank van 27 december 2022. In het bestreden besluit is het bezwaar van appellante opnieuw ongegrond verklaard en is de beëindiging van deelname aan de collectieve zorgverzekering gehandhaafd. Daaraan heeft het college, samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. Bij de bepaling van de hoogte van het inkomen van appellante wordt geen rekening gehouden met uitgaven zoals de CAKbijdrage en ook niet met de kostendelersnorm van appellante. Het inkomen van appellante inclusief vakantietoeslag is vastgesteld op € 1.224,41 en daarmee hoger dan 110% van de norm. Met dit inkomen wordt appellante geacht zelf in de kosten van een (aanvullende) zorgpremie te kunnen voorzien. In zijn algemeenheid kan worden opgemerkt dat de meeste zorg (al) in de basisverzekering zit. Appellante ontvangt daarnaast een Persoonsgebonden Budget op grond van de Wet Langdurige Zorg waarvan de zorg voor appellante betaald wordt. Niet is gebleken dat appellante, door de beëindiging van de collectieve zorgverzekering, niet in staat is de kosten van een (aanvullende) verzekering en de kosten van het eigen risico te betalen of dat haar medische zorg is onthouden. Indien appellante maandelijks aantoonbare meerkosten heeft, dan kan zij daarvoor een aanvraag bijzondere bijstand doen. Haar medische problematiek, waardoor zij extra zorg nodig heeft, vormt, hoe invoelbaar ook, geen bijzondere omstandigheid om de collectieve zorgverzekering te continueren. Alles overwegende vormt de specifieke situatie van appellante geen aanleiding om met toepassing van artikel 4:84 van de Awb af te wijken van de Beleidsregels waarin staat dat iemand met een inkomen hoger dan 110% van de norm niet in aanmerking komt voor deelname aan de collectieve zorgverzekering. Een beroep op de maatwerkbepalingen uit de Beleidsregels slaagt ook niet. Niet is gebleken dat appellante voldoet aan de in artikel 3.8.1, eerste lid, genoemde (ten minste twee) voorwaarden om tot maatwerk over te moeten gaan.
1.3.7.
Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Uitspraak van de rechtbank van 8 december 2023 (aangevallen uitspraak)
2. Met de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft daartoe, samengevat, het volgende overwogen. Het college had moeten bekijken of de persoonlijke omstandigheden van appellante aanleiding hadden moeten geven om af te wijken van de Beleidsregels. Het college is van mening dat de medische problematiek van appellante geen bijzondere omstandigheid vormt, maar heeft niet gemotiveerd waarom dit zo is terwijl ter zitting is erkend dat bij de beoordeling van de medische situatie van appellante geen medisch professional is betrokken. Verder is in het bestreden besluit niet ingegaan op het gegeven dat appellante een Wajong-uitkering ontvangt en of dit een bijzondere omstandigheid vormt. Hoewel dit op de zitting van 14 november 2022 is besproken, had dit naar het oordeel van de rechtbank in het bestreden besluit moeten worden neergelegd. Op grond van het vorenstaande is sprake van een motiveringsgebrek op grond waarvan het bestreden besluit moet worden vernietigd. De rechtbank laat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit echter in stand. De rechtbank stelt daartoe voorop dat appellante een inkomen heeft dat hoger is dan 110% van de voor haar geldende norm en dat het college bij de bepaling van de hoogte van het inkomen van appellante geen rekening hoeft te houden met haar uitgaven tenzij haar bestaanszekerheid in het gedrang komt, maar dat is onvoldoende gesteld noch gebleken. De rechtbank is verder van oordeel dat niet is gebleken dat het handelen overeenkomstig de Beleidsregels voor appellante gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de Beleidsregels te dienen doelen. Appellante onderbouwt haar stellingen slechts met algemene argumenten en een door haar zelf opgesteld overzicht van baten en lasten. Dat volstaat echter niet. Zo ontbreekt er informatie van een (medisch) behandelaar aangaande de door appellante gestelde medische problematiek. De rechtbank ziet, bij gebreke van duidelijke objectieve en verifieerbare stukken zijdens appellante, nu geen aanleiding om de stellingen en argumenten van appellante te volgen.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de aangevallen uitspraak niet eens voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand zijn gelaten. Wat zij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.
Het oordeel van de Raad
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep daartegen heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels en beleidsregels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.1.
Indien de bestuursrechter een besluit beoordeelt dat is genomen ter uitvoering van een eerdere rechterlijke uitspraak, toetst de bestuursrechter of het bestuursorgaan op juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan die eerdere uitspraak. Dit is vaste rechtspraak. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 27 december 2022 het college opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen en daarbij met toepassing van artikel 4:84 van de Awb af te wegen of gelet op de onder 1.3.1 genoemde omstandigheden moet worden afgeweken van het beleid in verband met de gestelde onevenredige gevolgen voor appellante en aan appellante een collectieve aanvullende zorgverzekering moet worden toegekend. De rechtbank heeft dit in de aangevallen uitspraak terecht tot uitgangspunt genomen. Ook in hoger beroep is de omvang van het geding hiertoe beperkt.
4.2.
Artikel 35, derde lid, van de Participatiewet maakt het mogelijk om bijzondere bijstand toe te kennen aan een persoon in de vorm van een collectieve aanvullende zorgverzekering.
4.2.1.
Het college heeft voor de uitoefening van deze bevoegdheid de Beleidsregels vastgesteld. Hierin is bepaald dat belanghebbenden met een netto maandinkomen tot en met 110% van de geldende bijstandsnorm, inclusief vakantiegeld, kunnen deelnemen aan de collectieve zorgverzekering van de door het college aangewezen zorgverzekeraar.
4.2.2.
In de toelichting van de Beleidsregels is opgenomen dat de collectieve zorgverzekering tot doel heeft mensen met een laag inkomen de mogelijkheid te bieden zich adequaat te verzekeren tegen ziektekosten voor een premie die past bij hun inkomen en daarmee de kosten voor verzekerden tot een maximum terug te dringen.
4.3.
Appellante heeft aangevoerd dat het college in haar geval met toepassing van artikel 4:84 van de Awb had moeten afwijken van de Beleidsregels, voor zover daaruit volgt dat zij vanwege de hoogte van haar inkomen niet in aanmerking komt voor deelname aan een collectieve zorgverzekering. Appellante heeft in dat kader betoogd dat het stopzetten van deelname aan de collectieve zorgverzekering in haar geval vanwege haar medische situatie en de daarmee samenhangende extra kosten onevenredige gevolgen heeft. Appellante stelt dat als zij niet langer kan deelnemen aan de collectieve zorgverzekering zij zich niet meer adequaat kan verzekeren en haar jaarlijkse eigen risico niet meer kan voldoen. Haar inkomen is slechts € 41,41 hoger dan 110% van de norm en het college had niet alleen naar haar inkomen moeten kijken maar ook naar haar uitgaven. Zij heeft het syndroom van Down en autisme en is recent gediagnosticeerd met een tumor in haar hypofyse. Appellante heeft als gevolg van haar aandoeningen maandelijks extra medische kosten en diverse hogere kosten zoals voor vakanties en kleding. Zij heeft extra zorg nodig en dient voor haar zorgkosten adequaat verzekerd te zijn. Appellante is met ingang van 1 januari 2022 verzekerd bij VGZ. Zij betaalt daarvoor maandelijks méér premie dan bij een collectieve zorgverzekering. Appellante zal door haar aandoeningen naar verwachting worden geconfronteerd met extra kosten die niet door haar huidige verzekering zullen worden vergoed. De kosten worden in het geval van appellante dus niet tot een maximum teruggedrongen, zoals de bedoeling is van het beleid. De kans bestaat ook dat appellante in verband met haar financiën bepaalde behandelingen niet inzet of kan inzetten.
Geen onevenredige gevolgen als bedoeld in artikel 4:84 van de Awb
4.4.
Ingevolge artikel 4:84 van de Awb is een bestuursorgaan verplicht om te handelen overeenkomstig de beleidsregels, tenzij dat voor een betrokkene gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen.
4.4.1.
Ingevolge de Beleidsregels beschikt appellante met een inkomen dat 10% boven de voor haar geldende norm ligt, over voldoende draagkracht om de kosten van de (aanvullende) zorgpremie uit haar middelen te voldoen. Dat de overschrijding met haar inkomen slechts € 41,41 per maand bedraagt, zoals appellante in hoger beroep heeft benadrukt, maakt niet dat het college al daarom van het beleid moest afwijken.
4.4.2.
Niet is gebleken dat appellante als gevolg van toepassing van de Beleidsregels zich niet langer adequaat kan verzekeren voor medische kosten of niet in staat is de kosten van het eigen risico te dragen. Uit de door appellante zelf opgestelde financiële overzichten volgt dit niet. Ten aanzien van het verplicht eigen risico in de Zorgverzekeringswet geldt dat alle zorgverzekerden met deze kosten te maken hebben. Ook is niet gebleken dat appellante als gevolg van beëindiging van deelname aan de collectieve zorgverzekering bepaalde noodzakelijke behandelingen niet kan volgen. De bewindvoerder van appellante heeft ter zitting van de Raad desgevraagd ook niet kunnen aangeven welke extra medische kosten appellante concreet heeft, die alleen met een aanvullende verzekering worden vergoed. De diverse andere extra kosten die appellante stelt te hebben door haar medische problematiek, voor zover die niet anderszins worden vergoed, zijn als zodanig niet aan te merken als onevenredige gevolgen van de Beleidsregels. De Beleidsregels zien, gelet op de in 4.2.2 vermelde doelstelling, op het toelaten van mensen met een laag inkomen tot een collectieve zorgverzekering en zijn niet bedoeld om door middel van die collectieve zorgverzekering, al dan niet indirect, te voorzien in de diverse overige door appellante aangevoerde kosten. Niet kan worden vastgesteld dat de Beleidsregels gezien die kosten onevenredig uitwerken.
4.5.
Uit 4.4 tot en met 4.4.2 volgt dat het college in wat appellante heeft aangevoerd geen bijzondere omstandigheden heeft hoeven zien om met toepassing van artikel 4:84 van de Awb af te wijken van de Beleidsregels.
Conclusie en gevolgen
4.6.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd voor zover aangevochten. Dit betekent dat de beëindiging van deelname aan een collectieve zorgverzekering met ingang van 1 januari 2022 in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door A.M. Overbeeke als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en C. Karman als leden, in tegenwoordigheid van A.T. Dannenberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2026.
(getekend) A.M. Overbeeke
(getekend) A.T. Dannenberg
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels en beleidsregels
Participatiewet
Artikel 35, eerste en derde lid geldend ten tijde in geding
1. Onverminderd paragraaf 2.2, heeft de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, de individuele studietoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn. Het college bepaalt het begin en de duur van de periode waarover het vermogen en het inkomen in aanmerking wordt genomen.
3. In afwijking van het eerste lid kan bijzondere bijstand ook aan een persoon worden verleend in de vorm van een collectieve aanvullende zorgverzekering of in de vorm van een tegemoetkoming in de kosten van de premie van een dergelijke verzekering zonder dat wordt nagegaan of ten aanzien van die persoon de kosten van die verzekering of die premie ook daadwerkelijk noodzakelijk zijn of gemaakt zijn.
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 1:3, vierde lid
4. Onder beleidsregel wordt verstaan: een bij besluit vastgestelde algemene regel, niet zijnde een algemeen verbindend voorschrift, omtrent de afweging van belangen, de vaststelling van feiten of de uitleg van wettelijke voorschriften bij het gebruik van een bevoegdheid van een bestuursorgaan.
Artikel 4:84
Het bestuursorgaan handelt overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.
Beleidsregels gemeentelijke werk- en inkomensvoorzieningen Zaanstad 2019
Artikel 3.1.2 Sociaal minimum
1. Voor de toepassing van de voorzieningen, opgenomen in de hoofdstukken 3, 5 en 6, wordt het sociaal minimum gesteld op 110% van de voor belanghebbende van toepassing zijnde bijstandsnorm, zoals bedoeld in artikel 5, onderdeel c van de wet, waarbij artikel 19a en 22a van de wet buiten toepassing blijven.
2. Het sociaal minimum wordt gebaseerd op de bijstandsnorm van januari in het betreffende kalenderjaar.
Artikel 3.5.1 Bijzondere bijstand voor medische kosten, eerste, tweede, derde en vierde lid
1. De Zorgverzekeringswet wordt voor de verlening van bijstand voor medische kosten adequaat en toereikend geacht. Voor deze kosten wordt geen buitenwettelijk begunstigend beleid toegepast. Dit betekent dat alleen nog bijzonder bijstand voor medische kosten wordt verstrekt als dit een direct gevolg is van de toepassing van artikel 35, eerste lid van de wet.
2. In afwijking van het eerste lid wordt op grond van artikel 35, derde lid van de wet, bijzondere bijstand voor medische kosten verstrekt via de "gemeentelijke collectieve aanvullende zorgverzekering voor de minima" van de gemeente bij Zilveren Kruis en Univé.
3. Op grond van artikel 35, derde lid van de wet wordt bij deelname aan de gemeentelijke collectieve aanvullende zorgverzekeringen een tegemoetkoming in de premie verstrekt. Deze tegemoetkoming wordt door de zorgverzekeraar verrekend met de gemeente, waarna het restant van de premie door de zorgverzekeraar in rekening wordt gebracht bij de verzekerde.
4. Als het inkomen gedurende het kalenderjaar stijgt tot boven het sociaal minimum blijft het recht op deelname aan de gemeentelijke collectieve zorgverzekering, inclusief de aanvullende tandarts- en zorgverzekering, ongewijzigd tot en met de laatste maand van het kalenderjaar. Belanghebbende blijft gedurende deze periode tevens recht houden op de tegemoetkoming, zoals bedoeld in het derde lid.
Artikel 3.8.1 Maatwerk bij de verlening van bijzondere bijstand, eerste en tweede lid
1. Als er naar oordeel van het college dringende omstandigheden aanwezig worden geacht om de alleenstaande of het gezin financiële ondersteuning te bieden, terwijl de kosten om deze financiële ondersteuning te verstrekken niet of niet geheel aangemerkt kunnen worden als uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan, zoals bedoeld in artikel 35 van de wet, kan er ook sprake zijn van een noodzaak tot verlening van bijzondere bijstand als door deze bijzondere bijstand:
1. hogere maatschappelijke kosten voor de gemeente in de toekomst worden voorkomen;
2. een doorbraak wordt geforceerd in de omstandigheden van de persoon of het gezin of de situatie van de persoon of het gezin significant verbetert en de zelfredzaamheid daardoor wordt vergroot;
3. escalatie van de problematiek, waar de persoon of het gezin mee wordt geconfronteerd, wordt opgelost dan wel wordt voorkomen.
2. Als maatwerk in de vorm van bijzondere bijstand nodig is, dient er aan tenminste twee van de drie voorwaarden, zoals genoemd in het eerste lid, te worden voldaan.
Zie de uitspraak van 14 juli 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:931.