Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Centrale Raad van Beroep

ECLI:NL:CRVB:2026:1141

2026-08-25 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht 24/2753 PW
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2026-08-25
Publicatiedatum
2026-09-08
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
24/2753 PW
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Opvragen machtiging bij advocaat. Aanvraag om bijzondere bijstand voor kosten eigen bijdrage rechtsbijstand. Het uitgangspunt is dat bij een advocaat niet om een machtiging wordt gevraagd. Dit uitgangspunt is niet beperkt tot het voeren van rechtsgedingen en geldt ook voor de aanvraagfase. Niet in geschil is dat het dagelijks bestuur wist dat mr. IJpelaar advocaat is. Aldus moet ervan worden uitgegaan dat mr. IJpelaar het verzoek om bijzondere bijstand namens appellant heeft gedaan. Dit laat onverlet dat het dagelijks bestuur van appellant een verklaring mag verlangen waaruit blijkt dat hij, bij inwilliging van de aanvraag, ermee instemt dat de bijzondere bijstand wordt overgemaakt aan mr. IJpelaar.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (13.959 tekens)
24/2753 PW


Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer












Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 29 oktober 2024, 24/3960 (aangevallen uitspraak)







Partijen:




[appellant] te [woonplaats] (appellant)



het dagelijks bestuur van het Werkplein Hart van West-Brabant (dagelijks bestuur)








Datum uitspraak: 25 augustus 2026


SAMENVATTING


Deze zaak gaat over een door een advocaat ingediend verzoek om bijzondere bijstand voor de kosten van de eigen bijdrage voor rechtsbijstand van appellant. De kern van het geschil betreft de vraag of het dagelijks bestuur voor de indiening van dat verzoek een machtiging mocht vragen. Omdat er geen machtiging is verstrekt heeft het dagelijks bestuur het verzoek niet inhoudelijk behandeld. De Raad is van oordeel dat het dagelijks bestuur in dit geval niet om een machtiging mocht vragen. Het dagelijks bestuur moet een nieuwe beslissing op het bezwaar nemen en daarbij alsnog inhoudelijk op de aanvraag beslissen.





PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. M.P. Harten, advocaat, hoger beroep ingesteld.



Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.



De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 23 juni 2026, gelijktijdig met zaak 24/2148 PW. Voor appellant is mr. Harten verschenen. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door P. Neeleman. In zaak 24/12148 PW wordt vandaag afzonderlijk uitspraak gedaan.





OVERWEGINGEN




Inleiding


1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.


1.1.
Met een brief van 2 februari 2024 heeft mr. D.A. IJpelaar, advocaat, verzocht om appellant op grond van de Participatiewet bijzondere bijstand te verstrekken voor de kosten van de eigen bijdrage voor rechtsbijstand tot een bedrag van € 165,- en deze bijstand over te maken op de zakelijke bankrekening van de advocaat.


1.2.
Met brieven van 13 februari 2024 en 26 februari 2024 aan appellant zelf heeft het dagelijks bestuur appellant verzocht om binnen twee weken het aanvraagformulier voor de eigen bijdrage voor rechtsbijstand in te vullen en retour te sturen. Op deze verzoeken heeft appellant niet gereageerd.


1.3.
Met een brief van 15 maart 2024 heeft het dagelijks bestuur mr. IJpelaar bericht dat hijzelf geen belanghebbende is in de zin van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dat het dagelijks bestuur het verzoek dan ook niet verder zal beoordelen.


1.4.
Hiertegen heeft mr. IJpelaar namens appellant bezwaar gemaakt.


1.5.
Naar aanleiding van dit bezwaar heeft het dagelijks bestuur mr. IJpelaar met een brief van 8 april 2024 verzocht om binnen twee weken het aanvraagformulier in te vullen en retour te sturen, samen met een machtiging van appellant dat mr. IJpelaar namens hem de aanvraag indient. Hierop heeft het dagelijks bestuur het ingevulde en door mr. IJpelaar ondertekende aanvraagformulier ontvangen. Een machtiging was niet bijgevoegd.


1.6.
Met een besluit van 23 april 2024 (bestreden besluit) heeft het dagelijks bestuur het bezwaar ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt, samengevat, het volgende ten grondslag. Het verzoek om bijzondere bijstand voor de kosten van rechtsbijstand zal niet worden beoordeeld omdat het dagelijks bestuur door het ontbreken van de machtiging niet kan vaststellen of appellant mr. IJpelaar heeft verzocht zijn financiële belangen te behartigen, of appellant op de hoogte is van de aanvraag en of appellant toestemming heeft verleend tot het rechtstreeks uitbetalen van de bijzondere bijstand op de rekening van mr. IJpelaar. Nu geen machtiging is overgelegd, kan mr. IJpelaar niet als gemachtigde worden aangemerkt. Omdat mr. IJpelaar geen belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2 van de Awb is op juiste gronden besloten de aanvraag niet verder te beoordelen.



Uitspraak van de rechtbank



2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.

Het standpunt van appellant


3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.



Het oordeel van de Raad
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over het niet beoordelen van het verzoek om bijzondere bijstand in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.

4.1.
Appellant heeft aangevoerd dat een advocaat voor het doen van een aanvraag geen machtiging van zijn cliënt behoeft te verstrekken en dat het dagelijks bestuur de aanvraag daarom ten onrechte niet heeft beoordeeld.


4.2.
Het dagelijks bestuur is van opvatting dat wel om een machtiging mocht worden gevraagd en heeft dit, samengevat, als volgt toegelicht. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 2:1 van de Awb kan worden afgeleid dat een machtiging niet gevraagd mag worden indien duidelijk is dat de gemachtigde advocaat is, maar deze uitzondering geldt alleen voor het voeren van rechtsgedingen, waaronder het maken van bezwaar, en niet voor het doen van aanvragen. Het dagelijks bestuur betwist niet dat het verzoek om bijzondere bijstand is ingediend door een advocaat, maar heeft in een geval van een andere advocaat vastgesteld dat de betrokkene niets afwist van het verzoek en vraagt daarom bij verzoeken om bijstand gedaan door een advocaat altijd om een machtiging. Daarnaast is het zonder machtiging door een advocaat ontvangen van bijzondere bijstand op de zakelijke bankrekening, niet zijnde een derdengeldrekening, in strijd met artikel 6:19 van de Verordening op de advocatuur. Bijstand kan slechts aan een ander dan de belanghebbende worden uitbetaald als daartoe een machtiging is afgegeven.


4.3.
De Raad is van oordeel dat het dagelijks bestuur in dit geval geen gebruik mocht maken van de bevoegdheid om een machtiging voor het indienen van een aanvraag om bijzondere bijstand te vragen. Daartoe is het volgende van betekenis.

4.3.1.
Op grond van artikel 2:1, tweede lid, van de Awb kan een ieder zich ter behartiging van zijn belangen in het verkeer met bestuursorganen laten bijstaan of door een gemachtigde laten vertegenwoordigen. Op grond van artikel 2:1, derde lid, van de Awb kan het bestuursorgaan van een gemachtigde een schriftelijke machtiging verlangen.


4.3.2.
De bevoegdheid van artikel 2:1, derde lid, van de Awb om een schriftelijke machtiging te verlangen geldt in beginsel voor elke gemachtigde. In artikel 2:1 van de Awb is, anders dan in artikel 8:24 van de Awb, geen uitzondering gemaakt voor het geval de gemachtigde advocaat is. Uit de memorie van toelichting bij artikel 2:1 van de Awb volgt dat dit komt omdat van bestuursorganen niet kan worden gevergd dat zij steeds weten wie wel en wie geen advocaat is. Hieruit vloeit voort dat de wetgever ervan uit is gegaan dat wanneer het het bestuursorgaan redelijkerwijs duidelijk kan zijn dat de gemachtigde advocaat is, niet om een machtiging zal worden gevraagd. Hierbij is van belang dat van een advocaat mag worden verwacht, mede gelet op de disciplinaire maatregelen die de Advocatenwet mogelijk maakt, dat hij niet voor iemand optreedt zonder daartoe opdracht te hebben gekregen. Het uitgangspunt is dus dat bij een advocaat niet om een machtiging wordt gevraagd.


4.3.3.
Niet in geschil is dat het dagelijks bestuur wist dat mr. IJpelaar advocaat is.


4.3.4.
Anders dan het dagelijks bestuur heeft aangevoerd is dit uitgangspunt niet beperkt tot het voeren van rechtsgedingen, waaronder het maken van bezwaar, maar geldt dit ook voor de aanvraagfase. De woorden ‘in het verkeer met bestuursorganen’ in artikel 2:1, tweede lid, van de Awb brengen tot uitdrukking dat de regeling van de bijstand en de vertegenwoordiging in beginsel geldt voor alle fasen waarin contacten met bestuursorganen worden onderhouden. Dit volgt ook uit de wetsgeschiedenis.


4.3.5.
Dat het dagelijks bestuur in een geval van een andere advocaat heeft vastgesteld dat de betrokkene namens wie die advocaat om bijzondere bijstand had verzocht niets afwist van het verzoek, biedt ook geen grond om in het onderhavige geval af te wijken van het uitgangspunt dat bij een advocaat niet om een machtiging wordt gevraagd.


4.3.6.
Hetzelfde geldt voor het feit dat mr. IJpelaar in de brief van 2 mei 2024 heeft verzocht de bijzondere bijstand over te maken op zijn zakelijke rekening. Dit laat onverlet dat het dagelijks bestuur van appellant een verklaring mag verlangen waaruit blijkt dat hij, bij inwilliging van de aanvraag, ermee instemt dat de bijzondere bijstand wordt overgemaakt aan mr. IJpelaar. Dat van een advocaat mag worden verwacht dat hij niet voor iemand optreedt zonder daartoe opdracht te hebben gekregen, betekent immers niet dat de bijstandverlenende instantie gehouden is de bijzondere bijstand zonder instemming van de rechthebbende van de bijzondere bijstand aan de advocaat uit te betalen.



4.4.
Nu het dagelijks bestuur in dit geval geen schriftelijke machtiging voor het indienen van de aanvraag mocht verlangen, moet ervan worden uitgegaan dat mr. IJpelaar het verzoek om bijzondere bijstand namens appellant heeft gedaan. Dit betekent dat het dagelijks bestuur ten onrechte heeft geweigerd de aanvraag inhoudelijk te behandelen.




Conclusie en gevolgen


4.5.
Het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak moet daarom worden vernietigd. De Raad zal het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dit besluit vernietigen wegens strijd met artikel 2:1, derde lid, van de Awb.


4.6.
Aansluitend moet worden bezien welk vervolg aan deze uitkomst wordt gegeven. Het dagelijks bestuur zal een nieuwe beslissing op bezwaar moeten nemen waarbij alsnog inhoudelijk op de aanvraag wordt beslist. Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit op bezwaar slechts beroep kan worden ingesteld bij de Raad.


5. Appellant krijgt een vergoeding voor de kosten die hij in beroep en hoger beroep heeft moeten maken voor verleende rechtsbijstand. Deze worden begroot op € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting; waarde per punt € 934,-). Appellant krijgt ook het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht terug.





BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep




vernietigt de aangevallen uitspraak;


verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 23 april 2024;


draagt het dagelijks bestuur op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak en bepaalt dat beroep tegen dit besluit slechts bij de Raad kan worden ingesteld;


veroordeelt het dagelijks bestuur in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.802,-;


bepaalt dat het dagelijks bestuur aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 189,- vergoedt.





Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en M. Wolfrat en C.F.E. van Olden-Smit als leden, in tegenwoordigheid van W.B. Eefting als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2026.






(getekend) E.J.M. Heijs





(getekend) W.B. Eefting





Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels



Algemene wet bestuursrecht




Artikel 1:21. Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.[…]



Artikel 2:1
[…]

2. Een ieder kan zich ter behartiging van zijn belangen in het verkeer met bestuursorganen laten bijstaan of door een gemachtigde laten vertegenwoordigen.
3. Het bestuursorgaan kan van een gemachtigde een schriftelijke machtiging verlangen.
Artikel 8:24
1. Partijen kunnen zich laten bijstaan of door een gemachtigde laten vertegenwoordigen.2. De bestuursrechter kan van een gemachtigde een schriftelijke machtiging verlangen.3. Het tweede lid is niet van toepassing ten aanzien van advocaten en procureurs.


Kamerstukken II 1988/89, 21 221, nr. 3., blz. 49 en 50 en Kamerstukken II 1990/91, 21 221, nr. 5.


Kamerstukken II 1988/89, 21 221, nr. 3., blz. 49.


Zie ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 19 maart 2014, ECLI:NL:RVS:2014:916.


Zie ook de memorie van toelichting, Kamerstukken II 1988/89, 21 221, nr. 3., blz. 46 en 47.