Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Centrale Raad van Beroep

ECLI:NL:CRVB:2026:1139

2026-08-27 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht 25/2134 WMO15
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2026-08-27
Publicatiedatum
2026-09-08
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
25/2134 WMO15
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

De aanvraag om een maatwerkvoorziening in de vorm van een tandemfiets is terecht door het college afgewezen. Niet is gebleken dat appellante zonder tandemfiets niet in aanvaardbare mate kan participeren.

Citeert (4)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (8.269 tekens)
25/2134 WMO15



Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer












Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 22 september 2025, 24/1768 (aangevallen uitspraak)







Partijen:




[appellante] te [woonplaats] (appellante)



het college van burgemeester en wethouders van Westervoort (college)








Datum uitspraak: 27 augustus 2026


SAMENVATTING


Deze uitspraak gaat over de afwijzing van een aanvraag om een maatwerkvoorziening in de vorm van een tandemfiets. Volgens appellante had het college haar de tandemfiets moeten verstrekken. De Raad oordeelt dat niet is gebleken dat appellante zonder tandemfiets niet in aanvaardbare mate kan participeren.





PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. K. Wevers hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.



De Raad heeft de zaak aan de orde gesteld op een zitting van 16 juli 2026. Partijen zijn niet verschenen.





OVERWEGINGEN




Inleiding


1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.



1.1.
Appellante, geboren in 2011, is bekend met lichamelijke en psychische problematiek. Zij is beperkt in haar mobiliteit. Namens appellante heeft haar moeder een aanvraag voor een maatwerkvoorziening in de vorm van een tandemfiets op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) ingediend.



1.2.
Met een besluit van 9 augustus 2023, gehandhaafd met een besluit van 13 februari 2024 (bestreden besluit) heeft het college deze aanvraag afgewezen. Het college heeft daaraan ten grondslag gelegd dat appellante op eigen kracht en met gebruikelijke hulp in voldoende mate kan participeren.




Uitspraak van de rechtbank



2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat niet in geschil is dat ook zonder tandemfiets in de vervoersbehoefte van appellante wordt voorzien. Het geschil ziet op de vraag of het college gehouden is om de tandemfiets te verstrekken vanwege beperkingen die appellante ondervindt ten aanzien van de participatie in de maatschappij. De rechtbank heeft onder verwijzing naar het gespreks- en onderzoeksverslag van 20 juli 2023 het standpunt van het college onderschreven dat appellante ook zonder tandemfiets in redelijke mate kan deelnemen aan de maatschappij.



Het standpunt van appellante



3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat zij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.





Het oordeel van de Raad


4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de afwijzing van de aanvraag om een maatwerkvoorziening in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.




Motivering van de aangevallen uitspraak




4.1.
Appellante heeft aangevoerd dat de aangevallen uitspraak onvoldoende gemotiveerd is, omdat de rechtbank een aantal beroepsgronden ten onrechte niet heeft besproken. Deze beroepsgrond slaagt niet. Volgens vaste rechtspraak hoeft de rechtbank niet op alle door een belanghebbende aangevoerde gronden afzonderlijk in te gaan, maar kan hij zich beperken tot de kern daarvan. De Raad is van oordeel dat de rechtbank de (kern van de) gronden van appellante voldoende heeft besproken.



Tandemfiets als maatwerkvoorziening





4.2.
Appellante heeft de tandemfiets aangevraagd als een voorziening ten behoeve van participatie. Appellante wil de tandemfiets gebruiken als vorm van beweging waarbij tegelijk sociale interactie plaatsvindt. Zo kan zij met de tandemfiets samen met haar familie en vriendinnen fietstochten maken en actief deelnemen aan het maatschappelijk leven.



4.3.
Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante ook zonder een tandemfiets in aanvaardbare mate kan participeren. Niet is gesteld of gebleken dat appellante zonder de tandemfiets onvoldoende mogelijkheden heeft om sociale contacten aan te gaan. Zij kan met haar elektrische rolstoel en in de auto van haar moeder naar plekken om vrienden, familie of andere mensen te ontmoeten. Dat kan ook samen met vriendinnetjes of familieleden. Uit de beschikbare gegevens kan verder worden afgeleid dat appellante in staat is om een afstand van enige betekenis te lopen. Het college heeft ook een aantal alternatieven aangedragen, waarvan appellante niet heeft gesteld dat deze niet haalbaar zijn. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het college de aanvraag om een maatwerkvoorziening terecht heeft afgewezen.





Conclusie en gevolgen


4.4.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de afwijzing van de aanvraag om een maatwerkvoorziening in stand blijft.


5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.





BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.




Deze uitspraak is gedaan door D. Hardonk-Prins als voorzitter en K.H. Sanders en B. Serno als leden, in tegenwoordigheid van F.M. Gerritsen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2026.






(getekend) D. Hardonk-Prins




(getekend) F.M. Gerritsen






Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels


Artikel 1.1.1 van de Wmo 2015


1. In deze wet en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder:

(…)- participatie: deelnemen aan het maatschappelijke verkeer;
(…)



Artikel 2.3.5 van de Wmo 2015


1. Het college beslist op een aanvraag:
a. van een ingezetene van de gemeente om een maatwerkvoorziening ten behoeve van zelfredzaamheid en participatie;
b. van een ingezetene van Nederland om een maatwerkvoorziening ten behoeve van opvang en beschermd wonen.
2. Het college geeft de beschikking binnen twee weken na ontvangst van de aanvraag.
3. Het college beslist tot verstrekking van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met een algemeen gebruikelijke voorziening, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 2.3.2 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.
(…)





Uitspraken van de Raad van 14 mei 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1759 en van 19 april 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA4319.


Vergelijk de uitspraken van de Raad van 12 december 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2415 en van 16 juli 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:949.