Centrale Raad van Beroep
ECLI:NL:CRVB:2026:1137
Inhoudsindicatie
Maatregel. Niet meewerken aan aangeboden voorziening. Feitelijke grondslag. Inkeerregeling. Afwijzing dwangsom. Plan van aanpak. (Aanvullende) schadevergoeding redelijke termijn. Het dagelijks bestuur heeft ten onrechte een maatregel opgelegd. Zo ontbreekt de verslaglegging van het gesprek waarin aan appellant kenbaar zou zijn gemaakt waar het traject bij het vervoersbedrijf concreet uit bestond en waarom dat traject in het geval van appellant was aangewezen. Bovendien heeft het dagelijks bestuur naar aanleiding van de e-mail van het vervoersbedrijf van 12 januari 2021, waar het standpunt van het dagelijks bestuur op is gebaseerd, geen navraag meer gedaan bij het vervoersbedrijf over het verloop van het gesprek met appellant. Omdat het dagelijks bestuur niet aan appellant op kenbare wijze duidelijk heeft gemaakt waar de voorziening concreet uit bestaat en waarom die voorziening in zijn geval is aangewezen, kan hem niet worden verweten dat hij daaraan niet heeft meegewerkt.
Citeert (11)
- ECLI:NL:CRVB:2011:BQ3331 Centrale Raad van Beroep 26-04-2011
- ECLI:NL:CRVB:2021:400 Centrale Raad van Beroep 01-03-2021
- ECLI:NL:CRVB:2018:149 Centrale Raad van Beroep 18-01-2018
- ECLI:NL:CRVB:2012:BY0905 Centrale Raad van Beroep 23-10-2012
- ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009 Centrale Raad van Beroep 26-01-2009
- ECLI:NL:HR:2016:252 Hoge Raad 19-02-2016
- ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009 Centrale Raad van Beroep 26-01-2009
- ECLI:NL:HR:2014:540 Hoge Raad 21-03-2014
- ECLI:NL:HR:2016:252 Hoge Raad 19-02-2016
- ECLI:NL:HR:2016:252 Hoge Raad 19-02-2016
- ECLI:NL:CRVB:2025:791 Centrale Raad van Beroep 22-05-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (38.697 tekens)
Meervoudige kamer
Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Limburg van 23 november 2023, 21/3096 (aangevallen uitspraak 1), 22/947 (aangevallen uitspraak 2), 22/959 (aangevallen uitspraak 3) en 22/1978 (aangevallen uitspraak 4) en de verzoeken om schadevergoeding.
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke sociale dienst Brunssum Landgraaf (dagelijks bestuur)
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)
Datum uitspraak: 18 augustus 2026
SAMENVATTING
Deze uitspraak heeft betrekking op vier zaken. Het gaat om een maatregel die het dagelijks bestuur appellant heeft opgelegd omdat hij niet heeft meegewerkt aan een door het dagelijks bestuur aangeboden voorziening, de afwijzing van een verzoek om toepassing van de inkeerregeling, de afwijzing van een verzoek om een dwangsom en een plan van aanpak. De Raad komt tot het oordeel dat de maatregel ten onrechte is opgelegd, omdat appellant van het niet meewerken geen verwijt kan worden gemaakt. Hierdoor is de grondslag aan de afwijzing van de inkeerregeling komen te ontvallen zodat ook dit besluit geen stand houdt. Het verzoek om een dwangsom is terecht afgewezen omdat het dagelijks bestuur tijdig op
het verzoek heeft beslist. Het hoger beroep over het plan van aanpak wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat appellant daarbij geen belang heeft. Appellant krijgt verder een schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. P.H.A. Brauer, advocaat, hoger beroepen ingesteld en nadere stukken ingediend. Het dagelijks bestuur heeft verweerschriften ingediend.
De Raad heeft de zaken gevoegd behandeld op een zitting van 9 december 2025. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Brauer. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door W.J.M. Michiels.
Appellant heeft in alle zaken verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Naar aanleiding van dit verzoek heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van de hoger beroepen zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant, geboren op [geboortedatum] 1960, ontvangt bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande. Op appellant zijn de arbeidsverplichtingen op grond van artikel 9 van de PW van toepassing.
1.2.
Appellant heeft een ontwikkeltraject gevolgd bij het Mens en Ontwikkel Bedrijf [plaats] (MOB). In het kader van dat traject heeft hij op 2 november 2020 gesproken met zijn ontwikkelcoach. Daarbij is afgesproken dat appellant wordt aangemeld bij een traject van zes maanden bij het serviceteam van [vervoersbedrijf] met de kans om uit te stromen naar een betaalde baan binnen [vervoersbedrijf] als steward, buschauffeur of treinmachinist. Op 5 januari 2021 heeft appellant een online kennismakingsgesprek met medewerkers van [vervoersbedrijf] gevoerd. Met een e-mail van 12 januari 2021 heeft de coördinator van het ServiceTeam Limburg van [vervoersbedrijf] (coördinator) aan de ontwikkelcoach meegedeeld dat is besloten dat appellant niet goed in het serviceteam past. Tijdens het gesprek met de coördinator heeft appellant onder meer gezegd dat hij niet van plan is om schoonmaakwerkzaamheden, die ook tot het takenpakket behoren, uit te voeren.
1.3.
Met een brief van 11 mei 2021 is appellant uitgenodigd voor een evaluatiegesprek bij het MOB. Met een e-mail van 18 mei 2021 heeft appellant te kennen gegeven dat hij geen gevolg geeft aan de oproep omdat hij niet beschikt over alle op de zaak betrekking hebbende informatie.
1.4.
Met een aangetekende brief van 7 juli 2021 is appellant opnieuw uitgenodigd voor een evaluatiegesprek met zijn ontwikkelcoach op 21 juli 2021. Appellant is, zonder bericht, niet verschenen.
1.5.
Met een aangetekende brief van 2 augustus 2021 heeft het dagelijks bestuur appellant uitgenodigd voor een gesprek op 19 augustus 2021. Daarbij heeft het dagelijks bestuur aangekondigd van plan te zijn appellant tijdelijk geen of een lagere uitkering te geven omdat appellant zich niet of niet goed aan de verplichtingen op grond van de PW heeft gehouden. Tijdens dit gesprek wordt appellant in de gelegenheid gesteld om zijn zienswijze naar voren te brengen. Met een e-mail van 8 augustus 2021 heeft appellant gereageerd op het verzoek van het dagelijks bestuur. Daarin stelt hij onder andere dat de relatie met zijn ontwikkelcoach ernstig verstoord is. Het geplande gesprek op 19 augustus 2021 heeft niet meer plaatsgevonden.
1.6.
Met een besluit van 25 augustus 2021, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 12 november 2021 (bestreden besluit 1), heeft het dagelijks bestuur appellant een maatregel opgelegd. Het dagelijks bestuur heeft de bijstand van appellant gedurende één maand, van 1 september 2021 tot en met 30 september 2021, met 100% verlaagd. Hieraan heeft het dagelijks bestuur ten grondslag gelegd dat appellant in strijd met artikel 18, vierde lid, aanhef en onder h, van de PW geen gebruik heeft gemaakt van een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling, te weten een traject bij [vervoersbedrijf], en dat hij tweemaal niet is verschenen op een gesprek met zijn ontwikkelcoach. Het dagelijks bestuur heeft geen dringende redenen aanwezig geacht, op grond waarvan de maatregel lager zou moeten worden vastgesteld, dan wel zou moeten worden afgezien van de maatregel.
1.7.
Met een brief van 16 september 2021 heeft appellant het dagelijks bestuur verzocht de maatregel te herzien op grond van de zogenoemde inkeerregeling als bedoeld in
artikel 18, lid 11, van de PW. Met een brief van 15 november 2021 heeft appellant het dagelijks bestuur in gebreke gesteld en verzocht binnen veertien dagen te beslissen op zijn verzoek bij gebreke waarvan appellant aanspraak maakt op een dwangsom.
1.8.
Met een besluit van 25 november 2021, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 12 april 2022 (bestreden besluit 2), heeft het dagelijks bestuur het verzoek om herziening van de maatregel afgewezen. In bestreden besluit 2 heeft het dagelijks bestuur erkend dat het besluit van 25 november 2021 onbevoegd is genomen omdat de ontwikkelcoach geen mandaat had om namens het dagelijks bestuur een besluit te nemen op een verzoek om toepassing van de inkeerregeling. Het dagelijks bestuur heeft het besluit van 25 november 2021, onder toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), voor zijn rekening genomen.
1.9.
Met een besluit van 7 december 2021, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 21 april 2022 (bestreden besluit 3), heeft het dagelijks bestuur het verzoek om toekenning van een dwangsom wegens niet tijdig beslissen afgewezen. Het dagelijks bestuur stelt dat na de ingebrekestelling van 15 november 2021 tijdig, namelijk op 25 november 2021, is beslist op het verzoek om toepassing van de inkeerregeling.
1.10.
Het dagelijks bestuur heeft op 11 mei 2022 een nieuw Plan van Aanpak (plan) opgesteld, dat geldig is tot mei 2023. Met een brief van 16 mei 2022 heeft het dagelijks bestuur het plan aan appellant gezonden. Met een besluit van 18 augustus 2022 (bestreden besluit 4) heeft het dagelijks bestuur het bezwaar tegen het plan ongegrond verklaard. Hieraan heeft het dagelijks bestuur ten grondslag gelegd dat het plan terecht en op juiste gronden is genomen.
Uitspraken van de rechtbank
Maatregel
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak 1 (21/3096) het beroep tegen het bestreden besluit 1 ongegrond verklaard en daarmee de maatregel in stand gelaten. Daarbij heeft de rechtbank de Staat veroordeeld tot vergoeding van schade wegens het overschrijden van de redelijke termijn tot een bedrag van € 500,- en de Staat veroordeeld in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 418,50.
Beroep op de inkeerregeling
2.1.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak 2 (22/947) het beroep tegen het bestreden besluit 2, onder toepassing van artikel 6:22 van de Awb, ongegrond verklaard en het college veroordeeld in de kosten van appellant in bezwaar tot een bedrag van € 1.194,-.
Dwangsom wegens niet tijdig beslissen
2.2.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak 3 (22/959) het beroep tegen het bestreden besluit 3 ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank geoordeeld dat het dagelijks bestuur het bevoegdheidsgebrek dat aan het besluit van 25 november 2021 kleefde met toepassing van artikel 6:22 van de Awb heeft kunnen passeren waardoor het bestreden besluit van 25 november 2021 in stand kon blijven.
Plan van aanpak
2.3.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak 4 (22/1978) het beroep tegen het bestreden besluit 4 ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank geoordeeld dat niet is gebleken dat het plan niet op goede gronden is opgesteld.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraken van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.
Het oordeel van de Raad
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht de bestreden besluiten in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in de hoger beroepen heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep in de zaken 23/3439 PW (maatregel) en 23/3441 PW (inkeerregeling) slaagt. In de zaak 23/3437 PW(dwangsom) wordt het hoger beroep ongegrond verklaard en in de zaak 23/3434 PW (plan van aanpak) wordt het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Zaaknummer 23/3439 PW (maatregel)
4.1.1.
Het opleggen van een maatregel is een voor de betrokkene een belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor het opleggen van een maatregel is voldaan in beginsel op de bijstandverlenende instantie. Dit betekent dat de bijstandverlenende instantie de nodige kennis over de relevante feiten moet verzamelen.
4.1.2.
Appellant is in beginsel verplicht om – kort gezegd – gebruik te maken van een door het bijstandverlenend orgaan aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling. Dat staat in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de PW. Daarbij bepaalt niet hij, maar het bijstandverlenend orgaan welke reintegratievoorziening nodig is voor het beoogde doel: arbeidsinschakeling. Dit volgt uit vaste rechtspraak.
4.1.3.
Uit die vaste rechtspraak volgt ook dat het bijstandverlenend orgaan maatwerk moet leveren en dat de voorziening het resultaat moet zijn van een zorgvuldige, op de persoon toegesneden afweging. Het bijstandverlenend orgaan moet verder aan de betrokkene kenbaar maken waaruit de voorziening concreet bestaat, waarom deze voorziening gelet op de feiten en omstandigheden in het individuele geval is aangewezen en welk tijdpad wordt gevolgd.
4.1.4.
Appellant heeft betoogd dat het dagelijks bestuur ten onrechte een maatregel heeft opgelegd. Hij heeft – samengevat – aangevoerd dat het dagelijks bestuur geen maatwerk heeft geleverd en dat het dagelijks bestuur hem geen duidelijkheid heeft gegeven over het traject. De samenwerking met het MOB verliep niet goed. Over het traject bij [vervoersbedrijf] heeft hij toegelicht dat hij al voor het gesprek met [vervoersbedrijf] diverse keren om duidelijkheid had gevraagd maar die niet heeft gekregen. Tijdens het gesprek met [vervoersbedrijf] heeft hij vragen gesteld over de inhoud van het traject en daarbij bleek hem dat er geen betaalde baangarantie was voor de functie van machinist of buschauffeur zoals hem wel was voorgehouden. Verder bleek dat hij in de functie van servicemedewerker ook schoonmaakwerkzaamheden moest verrichten. Appellant betwist dat hij het traject heeft geweigerd. Hij houdt zich aan zijn arbeidsverplichtingen, hij solliciteert regelmatig, hij doet vrijwilligerswerk bij verschillende organisaties en hij werkt zo nu en dan tijdelijk.
4.1.5.
Deze grond slaagt. Zoals ter zitting van de Raad is besproken, en door het dagelijks bestuur is erkend, ontbreekt de verslaglegging van het gesprek van 2 november 2020 waarin aan appellant kenbaar zou zijn gemaakt waar het traject bij [vervoersbedrijf] concreet uit bestond en waarom dat traject in het geval van appellant was aangewezen. Bovendien heeft het dagelijks bestuur naar aanleiding van de e-mail van [vervoersbedrijf] van 12 januari 2021, waar het standpunt van het dagelijks bestuur op is gebaseerd, geen navraag meer gedaan bij [vervoersbedrijf] over het verloop van het gesprek met appellant. Omdat het dagelijks bestuur ondanks vragen van appellant over het traject bij [vervoersbedrijf] niet aan appellant op kenbare wijze duidelijk heeft gemaakt waar de voorziening concreet uit bestaat en waarom die voorziening in zijn geval is aangewezen, kan appellant niet worden verweten dat hij daaraan niet heeft meegewerkt.
4.1.6.
Uit 4.1.1. tot en met 4.1.5. volgt dat het dagelijks bestuur niet aannemelijk heeft gemaakt dat feitelijke grondslag bestaat voor het standpunt van het dagelijks bestuur dat appellant verwijtbaar de verplichting om gebruik te maken van een door het dagelijks bestuur aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling niet is nagekomen. Het bestreden besluit is onzorgvuldig voorbereid en ontbeert een deugdelijke motivering. Dit betekent dat het dagelijks bestuur ten onrechte een maatregel heeft opgelegd.
4.1.7.
Het hoger beroep slaagt. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak 1 voor zover aangevochten, moet worden vernietigd. De Raad zal het beroep gegrond verklaren, het bestreden besluit 1 vernietigen en het besluit van 25 augustus 2021 herroepen omdat aan dat besluit hetzelfde gebrek kleeft.
Zaaknummer 23/3441 PW (het beroep op de inkeerregeling)
4.2.
Uit 4.1.6 volgt dat de grondslag aan bestreden besluit 2 is komen te ontvallen. Achteraf moet worden vastgesteld dat appellant geen verzoek om toepassing van de inkeerregeling had hoeven doen. De besluitvorming op dat verzoek kan daarom niet in stand blijven zodat bestreden besluit 2 voor vernietiging in aanmerking komt.
4.2.1.
Uit 4.2 volgt dat het hoger beroep slaagt. De Raad zal de aangevallen uitspraak 2 vernietigen voor zover aangevochten, het bestreden besluit 2 vernietigen en het besluit van 25 november 2021 herroepen.
Zaaknummer 23/3437 PW (dwangsom wegens niet tijdig beslissen)
4.3.
Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat het dagelijks bestuur ten onrechte geen dwangsom heeft toegekend. Volgens appellant heeft het dagelijks bestuur erkend dat het besluit van 25 november 2021 onbevoegd is genomen en heeft het dagelijks bestuur pas op 12 april 2022 een besluit genomen op zijn verzoek om toepassing van de inkeerregeling. Deze grond slaagt niet.
4.3.1.
Met een besluit van 25 november 2021 heeft de ontwikkelcoach namens het dagelijks bestuur besloten op het verzoek van appellant om de opgelegde maatregel te herzien. Dat het besluit niet is genomen door een daartoe bevoegde functionaris en er dus een gebrek aan het besluit kleeft, is ingevolge de Awb niet van belang bij de bepaling van het besluitkarakter. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat met het herstel van dit gebrek door de bekrachtiging op 12 april 2022, het besluit inhoudelijk en qua rechtsgevolg geen wijziging heeft ondergaan. Verder heeft appellant tegen het bestreden besluit 2 ook een rechtsmiddel aangewend. Voor het antwoord op de vraag of door het dagelijks bestuur een dwangsom is verbeurd, moet worden gekeken naar de periode die is gelegen tussen de datum van de ingebrekestelling, zijnde 15 november 2021, en de datum waarop het besluit van 25 november 2021 is genomen.
4.3.2.
Ingevolge artikel 4:17, derde lid, van de Awb is de eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de betrokkene een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.
4.3.3.
De Raad stelt vast dat het dagelijks bestuur op 25 november 2021, dat wil zeggen binnen de periode van twee weken, als bedoeld in artikel 4:17, derde lid, van de Awb, het besluit heeft genomen, zodat het college terecht geen dwangsom aan appellant heeft toegekend.
4.3.4.
Nu de rechtbank het beroep ongegrond heeft verklaard en het bestreden besluit 3 – om andere redenen – in stand heeft gelaten kan de aangevallen uitspraak – met verbetering van gronden – in stand blijven. Hieruit volgt dat de aangevallen uitspraak 3 wordt bevestigd.
Zaaknummer 23/3435 PW (plan van aanpak)
4.4.
De Raad beoordeelt ambtshalve of appellant procesbelang heeft ten aanzien van de aan hem op grond van artikel 9, eerste lid, (oud) van de PW opgelegde verplichtingen. Zoals de Raad eerder heeft overwogen is pas sprake van (voldoende) procesbelang als het resultaat dat de indiener van het bezwaar- of beroepschrift met het maken van het bezwaar of het indienen van het (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor de indiener feitelijke betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang. Als sprake is van een periode die al verstreken is, blijft procesbelang aanwezig als een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit van belang kan zijn voor een toekomstige periode.
4.4.1.
Het plan heeft zijn geldigheid verloren per 1 mei 2023. Vaststaat dat het dagelijks bestuur aan appellant geen maatregelen heeft opgelegd in verband met het niet naleven van de met dit plan aan hem opgelegde verplichtingen. Het geschil ziet in zoverre op een al verstreken periode en een inhoudelijk oordeel over bestreden besluit 4 is niet van belang voor een toekomstige periode. Appellant heeft aangevoerd dat het dagelijks bestuur geen deugdelijk overleg met hem heeft gevoerd over het plan, maar dit is echter een louter principieel belang. Dit is gelet op 4.4 onvoldoende om procesbelang aan te nemen.
4.4.2.
Uit 4.4 en 4.4.1 volgt dat appellant geen procesbelang heeft bij het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak 4. Het hoger beroep zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.
Verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn
4.5.
Appellant heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM.
4.5.1.
Voor de wijze van beoordeling van een verzoek als dat van appellant wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 26 januari 2009 en het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016.
4.5.2.
De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. In beginsel is een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden.
Zaken 23/3439 PW en 23/3441 PW (maatregel en beroep op inkeerregeling)
4.5.3.
In gevallen waarin meerdere zaken van één belanghebbende gezamenlijk zijn behandeld, dient in dit verband te worden beoordeeld of die zaken in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp. Indien hiervan sprake is, wordt per fase van de procedure waarin sprake is geweest van gezamenlijke behandeling, voor die zaken gezamenlijk slechts eenmaal het tarief van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan gehanteerd. Indien de rechtsmiddelen waarmee die fase van de procedure in de betrokken zaken is ingeleid niet tegelijkertijd zijn aangewend, dient daarbij ter bepaling van de mate van overschrijding van de redelijke termijn te worden gerekend vanaf het tijdstip van indiening van het eerst aangewende rechtsmiddel. Dit is vaste rechtspraak.
4.5.4.
De Raad is van oordeel dat de procedures over de maatregel en het verzoek om herziening van de maatregel in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp. De Raad sluit voor de hoogte van de schadevergoeding dan ook aan bij het eerst ingediende bezwaarschrift.
4.5.5.
Het eerst ingediende bezwaarschrift is het bezwaarschrift gericht tegen de maatregel. Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift door het dagelijks bestuur op 14 september 2021 tot aan de datum van deze uitspraak zijn vier jaar en ruim elf maanden verstreken. Noch de zaak zelf, noch de opstelling van appellant geven aanleiding voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar mag bedragen. Dit betekent dat de redelijke termijn is geschonden met ruim elf maanden. Dit leidt tot een schadevergoeding van € 1.000,-. Van het totale tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar minder dan een half jaar geduurd. Er is dus sprake van overschrijding van de redelijke termijn door de bestuursrechter, zodat de te betalen schadevergoeding voor rekening komt van de Staat.
4.5.6.
Nu de rechtbank aan appellant in verband met de overschrijding van de redelijke termijn al een bedrag van € 500,- aan immateriële schadevergoeding heeft toegekend heeft appellant recht op een aanvullende schadevergoeding van € 500,-.
Zaak 23/3437 PW (dwangsom wegens niet tijdig beslissen)
4.5.7.
In zaken waarin de redelijke termijn is overschreden, wordt als regel – behoudens bijzondere omstandigheden – verondersteld dat de belanghebbende immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie. Het bestuursorgaan en/of de Staat (Minister van Justitie en Veiligheid) kan door de rechter worden veroordeeld tot vergoeding van die schade, indien de belanghebbende daarom heeft verzocht. In de rechtspraak van de Raad wordt tot de hiervoor bedoelde bijzondere omstandigheden in ieder geval het geval gerekend waarin er geen financieel belang bij een procedure is. In zo’n geval mag zonder meer worden verondersteld dat de lange duur van de procedure niet of nauwelijks tot spanning en frustratie bij de belanghebbende heeft geleid en hoeft geen vergoeding van immateriële schade te worden toegekend, maar kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. Dit is inmiddels ook vaste rechtspraak van de Raad.
4.5.8.
Het financiële belang moet afzonderlijk worden bepaald voor elke fase van het geding waarop het verzoek om vergoeding van immateriële schade betrekking heeft aan de hand van de standpunten die de belanghebbende in die fase heeft ingenomen.
4.5.9.
Bij de vaststelling van dat financiële belang wordt verder geen rekening gehouden met het belang dat is gemoeid met nevenbeslissingen van bestuursorganen en rechters met betrekking tot zo’n procedure, dat wil zeggen beslissingen die verband houden met het voeren van bezwaar- en beroepsprocedures. Dat betreft bijvoorbeeld beslissingen over vergoeding van proceskosten, griffierechten, wettelijke rente en materiële en/of immateriële schade, en beslissingen over de verschuldigdheid van een dwangsom wegens niet tijdig beslissen.
4.5.10.
Voorgaande uitgangspunten betekenen in dit geval het volgende. Het financiële belang van appellant is alleen nog gelegen in het verkrijgen van een dwangsom wegens niet tijdig beslissen. Hiermee wordt bij het vaststellen van het financiële belang geen rekening gehouden. Dit betekent dat appellant geen financieel belang bij deze procedure heeft en dat zonder meer mag worden verondersteld dat de lange duur van de procedure bij appellant niet of nauwelijks tot spanning en frustratie heeft geleid. Met een besluit van 7 december 2021 heeft het dagelijks bestuur beslist op het verzoek om dwangsom van appellant. Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift op 8 december 2021 tot aan de datum van deze uitspraak zijn vier jaar en ruim acht maanden verstreken. De Raad volstaat daarom met de constatering dat de redelijke termijn met ruim acht maanden is overschreden.
Zaak 23/3435 PW (plan van aanpak)
4.5.11.
Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift op 24 mei 2022 tot aan de datum van deze uitspraak zijn vier jaar en bijna drie maanden verstreken. Noch de zaak zelf, noch de opstelling van appellant geven aanleiding voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar mag bedragen. Dit leidt tot een schadevergoeding van € 500,-. Van het totale tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar minder dan een half jaar geduurd. Er is dus sprake van overschrijding van de redelijke termijn door de bestuursrechter, zodat de te betalen schadevergoeding voor rekening komt van de Staat.
Conclusie en gevolgen
4.6.
Gelet op 4.1 tot en met 4.4 zal de Raad de aangevallen uitspraken 1 en 2 vernietigen voor zover aangevochten. De Raad zal de beroepen tegen de bestreden besluiten 1 en 2 gegrond verklaren en de besluiten van 25 augustus 2021 en 25 november 2021 herroepen omdat die besluiten niet meer kunnen worden hersteld. Dit betekent dat het dagelijks bestuur appellant de bijstand over de maand september 2021 moet nabetalen.
4.7.
De Raad zal de aangevallen uitspraak 3 bevestigen en het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak 4 niet-ontvankelijk verklaren.
Proceskosten
5 Aanleiding bestaat het dagelijks bestuur te veroordelen in de (proces)kosten van appellant voor verleende rechtsbijstand.
5.1.
Wat betreft het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak 1 worden de kosten in bezwaar begroot op € 1.332,- (2 punten: voor het indienen van het bezwaarschrift en de hoorzitting, € 666,- per punt), in beroep op € 1.868,- (2 punten: voor het indienen van het beroepschrift en het verschijnen ter zitting, € 934,- per punt), in hoger beroep op € 1.868,- (2 punten: voor het indienen van het hoger beroepschrift en het verschijnen ter zitting, € 934,- per punt) en een bedrag van € 85,70 aan reiskosten in verband met het bijwonen van de zittingen in beroep en hoger beroep. In totaal: € 5.153,70.
5.2.
Wat betreft de (proces)kosten van appellant voor verleende rechtsbijstand betreffende het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak 2, waarbij rekening wordt gehouden met de door de rechtbank al toegekende vergoeding voor de kosten van bezwaar zoals weergegeven in 2, worden de proceskosten begroot op € 934,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift) en € 934,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift), in totaal € 1.868,-. De kosten voor het bijwonen van de zittingen in beroep en hoger beroep zijn begrepen in de bij 5.1 vastgestelde vergoeding.
5.3.
Omdat de hoger beroepen tegen de aangevallen uitspraken 1 en 2 slagen krijgt appellant in die zaken een vergoeding voor het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht.
5.4.
Wat betreft de hoger beroepen tegen de aangevallen uitspraak 3 en 4 krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en van het griffierecht omdat zijn hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak 3 niet slaagt en het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak 4 niet-ontvankelijk wordt verklaard.
5.5.
Verder bestaat aanleiding om de Staat te veroordelen tot de kosten die verzoeker heeft moeten maken voor het indienen van het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Deze kosten worden vastgesteld op € 467,- (1 punt voor het verzoekschrift, met een wegingsfactor van 0,5 en een waarde per punt van € 934,-). Voor toekenning van een afzonderlijk punt voor de behandeling van het verzoek om schadevergoeding op zitting bestaat in dit geval geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
met betrekking tot aangevallen uitspraak 1
vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit van 12 november 2021;
herroept het besluit van 25 augustus 2021 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit van 12 november 2021;
veroordeelt het dagelijks bestuur in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 5.153,70;
bepaalt dat het dagelijks bestuur aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van € 186,- vergoedt.
met betrekking tot aangevallen uitspraak 2
vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit van 12 april 2022;
herroept het besluit van 25 november 2021 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 12 april 2022;
veroordeelt het dagelijks bestuur in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.868, -;
bepaalt dat het dagelijks bestuur aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van € 186,- vergoedt.
met betrekking tot de aangevallen uitspraak 3
- bevestigt de aangevallen uitspraak.
met betrekking tot aangevallen uitspraak 4
- verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
in alle zaken
veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan appellant van vergoeding van schade tot een bedrag van € 1.000, -;
wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade voor het overige af;
veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door A.M. Overbeeke als voorzitter en C. Karman en W.R.van der Velde als leden, in tegenwoordigheid van B.F.C. Wiedenhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2026.
(getekend) A.M. Overbeeke
De griffier is verhinderd te ondertekenen
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
Participatiewet
Artikel 9 Verplichtingen
1. De belanghebbende van 18 jaar of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd is, vanaf de dag van melding als bedoeld in artikel 44, tweede lid, verplicht:
a. a) naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, te verkrijgen, deze te aanvaarden en te behouden, waaronder begrepen registratie als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, indien hem daartoe het recht toekomt op grond van artikel 30b, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
b) gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling, alsmede mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling en, indien van toepassing, mee te werken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a;
c) naar vermogen door het college opgedragen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden te verrichten die worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid en die niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt
Artikel 18 Afstemming
4. Het college verlaagt in ieder geval de bijstand overeenkomstig het vijfde, zesde, zevende of achtste lid ter zake van het niet nakomen door de belanghebbende van de volgende verplichtingen:
(…)
h) het gebruik maken van door het college aangeboden voorzieningen, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling en mee te werken aan onderzoek naar zijn of haar mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.
(…)
10. Het college stemt een op te leggen maatregel of een opgelegde maatregel af op de omstandigheden van de belanghebbende en diens mogelijkheden om middelen te verwerven, indien naar zijn oordeel, gelet op bijzondere omstandigheden, dringende redenen daartoe noodzaken.
11. Indien het college de bijstand overeenkomstig het vijfde, zesde, zevende of achtste lid heeft verlaagd, kan het college op verzoek van de belanghebbende ten aanzien van wie de maatregel is opgelegd, de verlaging herzien zodra uit de houding en gedragingen van de belanghebbende ondubbelzinnig is gebleken dat hij de verplichtingen, bedoeld in het vierde lid, nakomt.
(…)
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 1:3, eerste lid
Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
(…)
Artikel 4:17, derde lid
De eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, is de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.
Artikel 6:22
Een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, kan, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.
Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
Artikel 6, eerste lid
Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging heeft een ieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld. De uitspraak moet in het openbaar worden gewezen maar de toegang tot de rechtszaal kan aan de pers en het publiek worden ontzegd, gedurende de gehele terechtzitting of een deel daarvan, in het belang van de goede zeden, van de openbare orde of nationale veiligheid in een democratische samenleving, wanneer de belangen van minderjarigen of de bescherming van het privé leven van procespartijen dit eisen of, in die mate als door de rechter onder bijzondere omstandigheden strikt noodzakelijk wordt geoordeeld, wanneer de openbaarheid de belangen van een behoorlijke rechtspleging zou schaden.
Uitspraken van 26 april 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ3331 en van 1 maart 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:400.
Vergelijk de uitspraak van de Raad van 18 januari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:149.
Bijvoorbeeld de uitspraak van 23 oktober 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY0905.
ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009 en ECLI:NL:HR:2016:252.
Zie de uitspraak van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009.
Zie onder meer de arresten van 21 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:540, onder 2.5.2, en 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, onder 3.10.2, en de uitspraak van
30 juni 2009, ECLI:NL: CRVB:2009:BJ2125.
Zie het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, onder 3.9.6.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 22 mei 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:791.