Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Centrale Raad van Beroep

ECLI:NL:CRVB:2026:1136

2026-08-18 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht 24/1582 PW-PV
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2026-08-18
Publicatiedatum
2026-09-07
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
24/1582 PW-PV
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl; ABkort 2026/262

Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag. Bedrijf niet levensvatbaar. Deskundigenadvies. Afzonderlijk verslag hoorzitting niet vereist. Afwijzing schadevergoeding. In de beroepsgrond dat appellant geen schriftelijk verslag van de hoorzitting heeft gehad ziet de Raad geen aanleiding om het bestreden besluit om die reden te vernietigen. In art. 7:7 Awb is weliswaar de verplichting opgenomen om een verslag van de hoorzitting te maken, maar het is toegelaten dat in plaats van een afzonderlijk verslag, uit de beslissing op bezwaar, of zoals in dit geval uit het advies van de bezwaarschriftcommissie, blijkt van hetgeen tijdens de hoorzitting is verhandeld. Niet kan worden geëist dat het verslag een woordelijke weergave inhoudt van al hetgeen tijdens de hoorzitting is gezegd.

Citeert (5)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (6.681 tekens)
24/1582 PW-PV


Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer












Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 11 juni 2024, 23/1810 (aangevallen uitspraak) en mondelinge uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding tot schade







Partijen:




[appellant] te [woonplaats] (appellant)



het college van burgemeester en wethouders van Leiden (college)








Datum uitspraak: 18 augustus 2026



Zitting heeft: A.M. Overbeeke
Griffier: S.A.M. Schilder



De zitting is gehouden op 18 augustus 2026. Appellant is verschenen. Het college heeft zich niet laten vertegenwoordigen.





BESLISSING




De Centrale Raad van Beroep




bevestigt de aangevallen uitspraak;


wijst het verzoek om schadevergoeding af.




Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.


1. Appellant is werkzaam als zelfstandig ondernemer binnen de grafische sector. Appellant heeft op 18 juli 2022 een aanvraag ingediend om bijstand voor levensonderhoud op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004). Naar aanleiding van deze aanvraag heeft het adviesbureau ‘[naam B.V.]’ ([naam adviesbureau]) in opdracht van het college een onderzoek ingesteld naar de levensvatbaarheid van het bedrijf van appellant. De bevindingen zijn opgenomen in een rapport van 28 september 2022 (rapport). In het rapport heeft [naam adviesbureau] geconcludeerd dat het bedrijf van appellant niet levensvatbaar is. Uit het rapport komt naar voren dat uit alle beschikbare jaarcijfers blijkt dat de omzet en bedrijfskosten laag zijn. In 2020 en 2021 teerde appellant in op zijn spaargeld. De vooruitzichten voor de grafische branche zijn gematigd positief. Er is sprake van een groot aantal concurrenten. Het ontbreekt aan duidelijk onderscheidende elementen in het bedrijfsconcept van appellant. Ondanks de inzet van appellant zijn de omzetvooruitzichten voor 2022, en naar verwachting ook voor 2023, minimaal.


1.1. Het college heeft daarop en onder verwijzing naar het rapport met een besluit van 18 oktober 2022, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 15 februari 2023 (bestreden besluit), de aanvraag afgewezen omdat het bedrijf van appellant niet levensvatbaar is.


2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak, onder verwijzing naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 april 2023, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.


3.1. Appellant heeft aangevoerd dat zijn bedrijf wel levensvatbaar is. Appellant heeft ter zitting toegelicht dat het een moeilijke periode is geweest maar dat het inmiddels beter gaat met zijn bedrijf. Deze beroepsgrond slaagt niet.



3.1.1. Het gaat hier om een aanvraag. Het ligt daarom op de weg van appellant om aannemelijk te maken dat zijn bedrijf levensvatbaar is. Dit volgt uit eerdere rechtspraak.



3.1.2 Een bedrijf of zelfstandig beroep is levensvatbaar als de zelfstandige daaruit naar verwachting na bijstandverlening een inkomen zal verwerven dat, samen met het overig inkomen, toereikend is voor de voortzetting van het bedrijf of zelfstandig beroep en voor de voorziening in het bestaan. Dat staat in artikel 1, aanhef en onder c, van het Bbz 2004. Het inkomen zal dus toereikend moeten zijn om alle aflossingsverplichtingen na te komen, het bedrijf op peil te houden en te voorzien in de kosten van het bestaan.



3.1.3. De levensvatbaarheid van een bedrijf wordt beoordeeld naar de situatie van het bedrijf op het moment dat het besluit op de aanvraag wordt genomen. Dat is in dit geval 18 oktober 2022. Met eventuele ontwikkelingen na dat tijdstip wordt geen rekening gehouden. Het gaat om de verwachting op een bepaald moment over de toekomst van het bedrijf. Dat is vaste rechtspraak.



3.1.4. Het college heeft zijn standpunt dat het bedrijf van appellant niet levensvatbaar is gebaseerd op het advies van [naam adviesbureau]. Het college is in zaken als deze gerechtigd om zich bij zijn besluitvorming te baseren op concrete adviezen van een deskundige instantie zoals [naam adviesbureau]. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat het advies van [naam adviesbureau] op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen, feitelijke onjuistheden bevat of ondeugdelijk is gemotiveerd. Appellant heeft ook geen deskundig tegenadvies ingebracht.



3.2. Appellant heeft verder het vermoeden uitgesproken dat de leden van de commissie bezwaarschriften medewerkers waren van de Rijkspolitie en dat er tijdens de hoorzitting is gedreigd met een onderzoek door de Rijkspolitie. Anders dan appellant meent kan dit, wat hier verder ook van zij, niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Zoals ter zitting is besproken, wijst de Raad erop dat de Rijkspolitie sinds 1993 niet meer bestaat.



3.3. In de beroepsgrond dat appellant geen schriftelijk verslag van de hoorzitting heeft gehad ziet de Raad geen aanleiding om het bestreden besluit om die reden te vernietigen. In artikel 7:7 van de Algemene wet bestuursrecht is weliswaar de verplichting opgenomen om een verslag van de hoorzitting te maken, maar het is toegelaten dat in plaats van een afzonderlijk verslag, uit de beslissing op bezwaar, of zoals in dit geval uit het advies van de bezwaarschriftcommissie, blijkt van hetgeen tijdens de hoorzitting is verhandeld (ECLI:NL:RVS:2023:163). Daarbij kan worden volstaan met een beknopte, zakelijke vermelding van hetgeen tijdens de hoorzitting met betrekking tot de zaak is betoogd. Niet kan worden geëist dat het verslag een woordelijke weergave inhoudt van al hetgeen tijdens de hoorzitting is gezegd (ECLI:NL:RVS:2020:842).


4. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor de proceskosten en het betaalde griffierecht. Dit betekent dat het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen omdat van een onrechtmatig besluit geen sprake is.


Waarvan proces-verbaal.



De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer



(getekend) S.A.M. Schilder (getekend) A.M. Overbeeke


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 18 december 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:4314.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 1 augustus 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2743.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 1 augustus 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2743.