Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Centrale Raad van Beroep

ECLI:NL:CRVB:2026:1135

2026-08-18 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht 25/2055 PW
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2026-08-18
Publicatiedatum
2026-09-07
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
25/2055 PW
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Inhouding vanwege derdenbeslag. Toetsingskader. Dat wat appellant ter zitting naar voren heeft gebracht over en in verband met het derdenbeslag, dient hij voor te leggen aan de civiele rechter. Toetsing van de geldigheid en de omvang van het beslag zijn namelijk voorbehouden aan die rechter.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (8.034 tekens)
25/2055 PW


Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer












Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 29 september 2025, 25/4136 (aangevallen uitspraak)







Partijen:




[appellante] te [woonplaats] (appellant)



het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)








Datum uitspraak: 18 augustus 2026





SAMENVATTING




Deze zaak gaat over een maandelijks inhouding als gevolg van een derdenbeslag. De beoordeling van de Raad is in dat geval beperkt tot de vraag of het college binnen het kader van het beslag is gebleven. De Raad stelt vast dat appellant daartegen geen beroepsgrond heeft aangevoerd. Dat wat appellant heeft aangevoerd, ziet in feite op het derdenbeslag en daarvoor dient hij zich tot de civiele rechter te wenden. Appellant krijgt dus geen gelijk.





PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.



Appellant heeft nadere stukken ingediend.



De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 7 juli 2026. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Ercan.





OVERWEGINGEN




Inleiding


1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.



1.1.
Appellant ontvangt bijstand op grond van de Participatiewet naar de norm voor een alleenstaande.



1.2.
Op basis van een vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 19 december 2023 heeft een gerechtsdeurwaarder van [naam gerechtsdeurwaarderskantoor] ( [naam gerechtsdeurwaarderskantoor] ) op 22 januari 2024 ten laste van appellant executoriaal derdenbeslag gelegd op de bijstandsuitkering van appellant in verband met een openstaande vordering van VGZ Zorgverzekeraar N.V. (VGZ). Het openstaande bedrag bedraagt volgens het beslagexploot inclusief rente en kosten € 1.854,62.



1.3.
Met een besluit van 31 januari 2025, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 22 april 2025 (bestreden besluit), heeft het college aan appellant bekendgemaakt dat het college vanaf 31 januari 2025 maandelijks een bedrag van € 67,27 zal inhouden op de bijstandsuitkering van appellant en dat de ingehouden bedragen eenmaal per jaar in de maand mei worden afgedragen aan [naam gerechtsdeurwaarderskantoor] . Aan het bestreden besluit ligt, samengevat weergegeven, ten grondslag dat het college verplicht is om volledige medewerking te verlenen aan een derdenbeslag, zonder de geldigheid en de omvang daarvan te mogen beoordelen. Daarvoor dient appellant zich tot de civiele rechter te wenden. De toetsing van het college kan dan ook niet verder strekken dan het beantwoorden van de vraag of het college bij het nemen van de betalingsbeslissing gebleven is binnen het kader van het beslag en dat is volgens het college hier het geval.




Uitspraak van de rechtbank



2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.



Het standpunt van appellant



3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd, wordt hierna besproken.




Het oordeel van de Raad


4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.



4.1.
Ter zitting heeft appellant gesteld dat het college geen uitvoering mocht geven aan het derdenbeslag, omdat volgens hem niet duidelijk is dat de schuld – als gevolg waarvan bedragen op zijn bijstandsuitkering in mindering worden gebracht – aan hem kan worden toegerekend. Appellant heeft daarbij gewezen op een overzicht met achterstallige betalingen, waaruit voor hem niet duidelijk wordt dat dit op hem betrekking heeft. Deze beroepsgrond slaagt niet. Daartoe is het volgende van belang.


4.1.1.
Zoals terecht in het bestreden besluit is vermeld en wat ook de rechtbank met juistheid heeft overwogen, is het college verplicht om volledige medewerking te verlenen aan een derdenbeslag, zonder de geldigheid en de omvang daarvan te mogen beoordelen. Ook de bestuursrechter moet bij de beoordeling van een betalingsbeslissing ter uitvoering van een gelegd derdenbeslag de geldigheid van dat beslag als een gegeven beschouwen. De toetsing van de bestuursrechter kan niet verder strekken dan het beantwoorden van de vraag of het bestuursorgaan bij het nemen van de betalingsbeslissing gebleven is binnen het kader van het beslag. Toetsing van de geldigheid en de omvang van het beslag zijn voorbehouden aan de civiele rechter. Dat volgt uit vaste rechtspraak.



4.1.2.
Dat wat appellant ter zitting naar voren heeft gebracht, dient hij – gelet op het beperkte toetsingskader, zoals weergegeven in 4.1.1 – voor te leggen aan de civiele rechter. De Raad kan daarover geen oordeel geven.




4.2.
Verder heeft appellant in zijn hoger beroepschrift – samengevat weergegeven – aangevoerd dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak niet is ingegaan op enkele aanvullende beroepsgronden. Appellant noemt in dat verband onder meer dat een geldige handtekening onder het in 1.1 genoemde vonnis van de kantonrechter ontbreekt en dat de aangevallen uitspraak feitelijke onjuistheden bevat over een brief van VGZ van 3 juni 2025. Volgens appellant is de aangevallen uitspraak daarom in strijd met artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 143 van het Wetboek van Rechtsvordering, artikel 1 van de Grondwet en artikelen 6 en 14 van het Europees Verdrag van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Deze beroepsgrond slaagt niet. Daartoe is het volgende van belang.


4.2.1.
De Raad stelt vast dat wat appellant in zijn hoger beroepschrift naar voren heeft gebracht in essentie is gericht tegen het derdenbeslag en het vonnis van de kantonrechter daarover. Hierover kan de Raad, zoals reeds is overwogen in 4.1.2, geen oordeel geven. Om die reden hoefde de rechtbank ook niet inhoudelijk op die gronden in te gaan. Ook in hoger beroep heeft appellant niet bestreden dat het college niet binnen het kader van het beslag is gebleven.






Conclusie en gevolgen


4.3.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de maandelijkse inhouding op de bijstandsuitkering van appellant als gevolg van een derdenbeslag in stand blijft.


5. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.






BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.




Deze uitspraak is gedaan door J.T.H. Zimmerman in tegenwoordigheid van M.G.J. van Eck als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2026.






(getekend) J.T.H. Zimmerman




(getekend) M.G.J. van Eck



Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 14 mei 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1409 en de uitspraak van 23 oktober 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3340.