Centrale Raad van Beroep
ECLI:NL:CRVB:2026:1131
2026-08-26
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
24/2277 WIA
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Vaststelling hoogte WIA-dagloon en hoogte toeslag. Juiste referteperiode. Het Uwv is terecht uitgegaan van het totale sv-loon dat appellante in de periode van 1 juni 2020 tot en met 31 mei 2021 heeft genoten.
Citeert (4)
- ECLI:NL:CBB:2024:190 College van Beroep voor het bedrijfsleven 26-03-2024
- ECLI:NL:CRVB:2025:1541 Centrale Raad van Beroep 22-10-2025
- ECLI:NL:CRVB:2025:602 Centrale Raad van Beroep 16-04-2025
- ECLI:NL:CRVB:2025:605 Centrale Raad van Beroep 16-04-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (14.829 tekens)
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
24/2277 WIA, 24/2284 WIA
Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Noord-Holland van 10 september 2024, 23/7548 (aangevallen uitspraak 1) en 24/770 (aangevallen uitspraak 2)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 26 augustus 2026
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaken over de vraag of het Uwv de hoogte van (het dagloon van) de aan appellante toegekende WIA-uitkering en toeslag juist heeft berekend. Appellante heeft aangevoerd dat strikte toepassing van de dagloonregels in haar geval leidt tot een onevenredige uitkomst, omdat daarbij ook inkomsten zijn betrokken die zij heeft gehad uit een stage en diverse bijbanen tijdens haar studie, die volgens haar niet representatief zijn voor haar welvaartsniveau. Omdat het dagloon van de WIA-uitkering volgens haar niet juist is vastgesteld, is appellante het ook niet eens met de hoogte van de toeslag. De Raad volgt de standpunten van appellante niet.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. V.C.D. Klaassen, advocaat, hoger beroepen ingesteld.
Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.
Appellante heeft nadere stukken ingediend.
De Raad heeft de zaken gevoegd behandeld op een zitting van 15 juli 2026. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Klaassen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.C. van der Meer.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van de hoger beroepen zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante is vanaf 1 maart 2021 werkzaam geweest als laborante klinische neurofysiologie i.o. bij [naam stichting] . Op 17 juni 2021 heeft zij zich voor dit werk ziekgemeld. Het Uwv heeft bij besluit van 1 juni 2023 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aan appellante toegekend met ingang van 15 juni 2023. Het WIA-dagloon is hierbij (na indexering) vastgesteld op € 57,26. Voor de berekening van het dagloon is het Uwv uitgegaan van het totale SV-loon dat appellante heeft genoten in de periode van 1 juni 2020 tot en met 31 mei 2021, de zogenoemde referteperiode. Dit betreft naast het loon uit het dienstverband met [naam stichting] ook inkomsten die appellante heeft gehad uit een stage en diverse bijbanen.
1.2.
In aanvulling op de WIA-uitkering heeft het Uwv bij besluit van 4 juli 2023 met ingang van 15 juni 2023 een toeslag op grond van de Toeslagenwet aan appellante toegekend. De hoogte van de toeslag bedraagt vanaf 15 juni 2023 € 13,25 bruto per dag en vanaf 1 juli 2023 € 13,67 bruto per dag.
1.3.
Bij besluit van 20 november 2023 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 1 juni 2023 ongegrond verklaard. Met een besluit van 18 januari 2024 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv ook het bezwaar tegen het besluit van 4 juli 2023 ongegrond verklaard.
Uitspraken van de rechtbank
2.1.
In aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard en daarmee dit besluit in stand gelaten. Naar het oordeel van de rechtbank leidt strikte toepassing van artikel 16, eerste lid, van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen (Dagloonbesluit) in het geval van appellante niet tot zodanig onevenredige gevolgen dat het in de gegeven omstandigheden onredelijk bezwarend voor appellante is. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat voor de vaststelling van het dagloon nu eenmaal al het verdiende loon in het refertejaar bepalend is en dat inherent aan deze wijze van bepaling is dat periodes waarin minder loon is genoten een neerwaarts effect hebben op de hoogte van het dagloon. In de onderhavige situatie is geen sprake van loonloze tijdvakken. Juist omdat appellante pas in de laatste drie maanden van haar refertejaar fulltime is gaan werken, is een groot neerwaarts effect te verwachten. Het staat buiten kijf dat het inkomen van appellante zich nog had kunnen ontwikkelen als zij niet zo vroeg in haar carrière ziek was geworden, maar daar staat tegenover dat het dagloon een redelijke afspiegeling dient te vormen van de welvaart in de periode voorafgaand aan de arbeidsongeschiktheid. Kijkend naar die (hele) periode kan het Uwv worden gevolgd in de stelling dat het vastgestelde dagloon geen onredelijke afspiegeling is van het welvaartsniveau van appellante in die periode.
2.2.
In aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard en daarmee dit besluit in stand gelaten. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat onbestreden is dat de toeslag niet hoger kan zijn dan het verschil tussen het vastgestelde dagloon en de uitkering. Dit betekent dat de toeslag terecht is vastgesteld op € 13,25 bruto per dag.
Het standpunt van appellante
3.1.
Appellante is het met de uitspraken van de rechtbank niet eens. Zij heeft in hoger beroep aangevoerd dat sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat de toepassing van de dagloonregels in haar geval leidt tot een onevenredige uitkomst en daarom hiervan had moeten worden afgeweken. Appellante heeft er in dit verband op gewezen dat zij ziek is geworden uit haar eerste volwaardige dienstbetrekking, terwijl het dagloon van de WIA-uitkering voor een groot deel wordt bepaald door inkomsten die zij tijdens haar studie heeft gehad uit een stage en bijbanen. Deze inkomsten zijn substantieel lager dan het loon dat appellante had in het werk waaruit zij ziek is geworden en het dagloon staat daarmee niet in verhouding tot het daadwerkelijke loonverlies. Daar komt bij dat de WGA-uitkering inmiddels per 1 december 2024 omgezet in een IVA-uitkering. Dit betekent dat appellante waarschijnlijk niet meer in staat zal zijn om te werken en daarmee haar inkomen te verhogen waardoor zij blijvend met het lage WIA-dagloon wordt geconfronteerd. De toekenning van een toeslag maakt dit niet anders. Appellante is van mening dat voor de berekening van haar dagloon uitsluitend moet worden gekeken naar het loon dat zij had in de dienstbetrekking waaruit zij ziek is geworden.
3.2.
In de zaak over de toeslag heeft appellante aangevoerd dat omdat het dagloon te laag is vastgesteld, de hoogte van de toeslag ook niet juist is berekend.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft gevraagd om de aangevallen uitspraken te bevestigen.
Het oordeel van de Raad
5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht de bestreden besluiten over de vaststelling van het dagloon en de hoogte van de toeslag in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat de hoger beroepen niet slagen. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.1.
De wettelijke regels die voor de beoordeling van de hoger beroepen belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Het dagloon
5.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat toepassing van de regels die in de Wet WIA en het Dagloonbesluit zijn opgenomen voor de berekening van het dagloon leidt tot het door het Uwv berekende dagloon van € 57,26. Het geschil spitst zich toe op de vraag of het Uwv in het geval van appellante van de voorgeschreven berekeningswijze had moeten afwijken, omdat dit volgens appelante zou leiden tot een onevenredige uitkomst. Net als de rechtbank beantwoordt de Raad deze vraag ontkennend.
5.3.
Bij een gebonden bevoegdheid heeft op het niveau van het algemeen verbindend voorschrift al een belangenafweging in algemene zin plaatsgevonden. De uitkomst daarvan is neergelegd in de voorwaarden voor de uitoefening van die bevoegdheid. Daarmee is in beginsel ook de evenredigheid van het besluit gegeven. Het te nemen besluit volgt namelijk uit het wel of niet vervuld zijn van de toepassingsvoorwaarden en het bestuursorgaan hoeft daarbij geen belangenafweging te maken. Toch kunnen er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat in een voorliggend geval toepassing van het algemeen verbindend voorschrift voor een of meer belanghebbenden zozeer in strijd komt met het evenredigheidsbeginsel dat die toepassing achterwege moet blijven. Dit is het geval als er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat toepassing van het algemeen verbindend voorschrift in het voorliggende geval tot een onevenredig nadelige uitkomst leidt. De door appellante gestelde omstandigheden leiden in dit geval niet tot conclusie dat het bestreden besluit voor haar een onevenredig nadeel oplevert. Daarvoor is het volgende van belang.
5.4.
Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, volgt uit de regeling van de referteperiode in artikel 13, eerste lid, van de Wet WIA en artikel 13, eerste lid, van het Dagloonbesluit dat voor de vaststelling van het welvaartsniveau niet bepalend is het loon dat werd genoten op het moment van intreden van het verzekerde risico, maar het loon dat daadwerkelijk is genoten tijdens de gehele referteperiode (historisch dagloon). Zoals de Raad eerder heeft overwogen, is hieraan inherent dat periodes waarin minder loon is ontvangen tijdens de referteperiode een negatieve invloed hebben op de hoogte van het dagloon. De besluitgever heeft hiermee rekening gehouden en maakt daarbij geen onderscheid naar de reden waarom in een periode minder loon is ontvangen. In het geval van appellante wordt het lagere dagloon veroorzaakt door de omstandigheid dat het loon dat zij in de referteperiode heeft genoten uit een stage en bijbanen aanmerkelijk lager was dan het loon dat zij heeft genoten uit het dienstverband bij [naam stichting]. Dit is een bewust en voorzien gevolg van de systematiek van het historisch dagloon. Dat inmiddels een IVA-uitkering aan appellante is toegekend en zij wellicht niet meer in staat zal zijn om te werken en daarmee haar inkomen aan te vullen, maakt ook niet dat sprake is van bijzondere omstandigheden. Dit is namelijk een omstandigheid die – ondanks uiteenlopende persoonlijke situaties – ook voor andere IVA-gerechtigden geldt.
De toeslag
5.5.
Over de bij bestreden besluit 2 gehandhaafde hoogte van de toeslag heeft appellante geen zelfstandige gronden aangevoerd. Uit 5.2 tot en met 5.4 volgt dat het dagloon juist is vastgesteld. Dat brengt dat mee dat ook de hoogte van de toeslag juist is vastgesteld.
Conclusie en gevolgen
5.6.
De hoger beroepen slagen dus niet. De aangevallen uitspraken worden bevestigd. Dit betekent dat de besluiten van het Uwv over de hoogte van het dagloon en de toeslag in stand blijven.
6. Omdat de hoger beroepen niet slagen krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.
Deze uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin als voorzitter en C. Karman en J.H. Ermers als leden, in tegenwoordigheid van D. Semiz als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2026.
(getekend) M.E. Fortuin
(getekend) D. Semiz
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
Artikel 13 van de Wet WIA:1. Voor de berekening van een uitkering waarop op grond van deze wet recht bestaat, wordt als dagloon beschouwd 1/261 deel van het loon dat de werknemer verdiende in de periode van één jaar, die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de ziekte, het gebrek, de zwangerschap of de bevalling, die tot volledig en duurzame arbeidsongeschiktheid of gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid heeft geleid, is ingetreden doch ten hoogste het in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen bedoelde bedrag met betrekking tot een loontijdvak van een dag.
[…]
3. Bij algemene maatregel van bestuur worden met betrekking tot de vaststelling van het dagloon, bedoeld in het eerste lid, en de herziening ervan nadere en zonodig afwijkende regels gesteld.
[…]
Artikel 13, eerste lid, van het Dagloonbesluit:
Onder referteperiode wordt in dit hoofdstuk de periode verstaan van één jaar die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de arbeidsongeschiktheid is ingetreden, of die eindigt, in geval de arbeidsongeschiktheid is ingetreden in gelijktijdige dienstbetrekkingen, op de laatste dag van het aangiftetijdvak dat het eerst voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid is geëindigd.
Artikel 16, eerste lid, van het Dagloonbesluit:
Het dagloon van uitkeringen op grond van de Wet WIA en de WAO is de uitkomst van de volgende berekening:
(A – B + C) / D
waarbij:
A staat voor het loon dat de werknemer in de referteperiode heeft genoten bij alle werkgevers;
B staat voor de bedragen aan vakantiebijslag die in de referteperiode als loon zijn uitbetaald ten laste van een opgebouwd bedrag en de bedragen die in die periode als loon zijn uitbetaald ten laste van een arbeidsvoorwaardenbedrag;
C staat voor de in de referteperiode opgebouwde bedragen ten behoeve van vakantiebijslag dan wel ten behoeve van een arbeidsvoorwaardenbedrag; en
D staat voor 261.
Zie de uitspraak van het CBb van 26 maart 2024, ECLI:NL:CBB:2024:190, r.o. 8.2.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 22 oktober 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1541.
Vergelijk de uitspraak van de Raad van 16 april 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:602.
Vergelijk de uitspraak van de Raad van 16 april 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:605.
Meervoudige kamer
24/2277 WIA, 24/2284 WIA
Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Noord-Holland van 10 september 2024, 23/7548 (aangevallen uitspraak 1) en 24/770 (aangevallen uitspraak 2)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 26 augustus 2026
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaken over de vraag of het Uwv de hoogte van (het dagloon van) de aan appellante toegekende WIA-uitkering en toeslag juist heeft berekend. Appellante heeft aangevoerd dat strikte toepassing van de dagloonregels in haar geval leidt tot een onevenredige uitkomst, omdat daarbij ook inkomsten zijn betrokken die zij heeft gehad uit een stage en diverse bijbanen tijdens haar studie, die volgens haar niet representatief zijn voor haar welvaartsniveau. Omdat het dagloon van de WIA-uitkering volgens haar niet juist is vastgesteld, is appellante het ook niet eens met de hoogte van de toeslag. De Raad volgt de standpunten van appellante niet.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. V.C.D. Klaassen, advocaat, hoger beroepen ingesteld.
Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.
Appellante heeft nadere stukken ingediend.
De Raad heeft de zaken gevoegd behandeld op een zitting van 15 juli 2026. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Klaassen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.C. van der Meer.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van de hoger beroepen zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante is vanaf 1 maart 2021 werkzaam geweest als laborante klinische neurofysiologie i.o. bij [naam stichting] . Op 17 juni 2021 heeft zij zich voor dit werk ziekgemeld. Het Uwv heeft bij besluit van 1 juni 2023 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aan appellante toegekend met ingang van 15 juni 2023. Het WIA-dagloon is hierbij (na indexering) vastgesteld op € 57,26. Voor de berekening van het dagloon is het Uwv uitgegaan van het totale SV-loon dat appellante heeft genoten in de periode van 1 juni 2020 tot en met 31 mei 2021, de zogenoemde referteperiode. Dit betreft naast het loon uit het dienstverband met [naam stichting] ook inkomsten die appellante heeft gehad uit een stage en diverse bijbanen.
1.2.
In aanvulling op de WIA-uitkering heeft het Uwv bij besluit van 4 juli 2023 met ingang van 15 juni 2023 een toeslag op grond van de Toeslagenwet aan appellante toegekend. De hoogte van de toeslag bedraagt vanaf 15 juni 2023 € 13,25 bruto per dag en vanaf 1 juli 2023 € 13,67 bruto per dag.
1.3.
Bij besluit van 20 november 2023 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 1 juni 2023 ongegrond verklaard. Met een besluit van 18 januari 2024 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv ook het bezwaar tegen het besluit van 4 juli 2023 ongegrond verklaard.
Uitspraken van de rechtbank
2.1.
In aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard en daarmee dit besluit in stand gelaten. Naar het oordeel van de rechtbank leidt strikte toepassing van artikel 16, eerste lid, van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen (Dagloonbesluit) in het geval van appellante niet tot zodanig onevenredige gevolgen dat het in de gegeven omstandigheden onredelijk bezwarend voor appellante is. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat voor de vaststelling van het dagloon nu eenmaal al het verdiende loon in het refertejaar bepalend is en dat inherent aan deze wijze van bepaling is dat periodes waarin minder loon is genoten een neerwaarts effect hebben op de hoogte van het dagloon. In de onderhavige situatie is geen sprake van loonloze tijdvakken. Juist omdat appellante pas in de laatste drie maanden van haar refertejaar fulltime is gaan werken, is een groot neerwaarts effect te verwachten. Het staat buiten kijf dat het inkomen van appellante zich nog had kunnen ontwikkelen als zij niet zo vroeg in haar carrière ziek was geworden, maar daar staat tegenover dat het dagloon een redelijke afspiegeling dient te vormen van de welvaart in de periode voorafgaand aan de arbeidsongeschiktheid. Kijkend naar die (hele) periode kan het Uwv worden gevolgd in de stelling dat het vastgestelde dagloon geen onredelijke afspiegeling is van het welvaartsniveau van appellante in die periode.
2.2.
In aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard en daarmee dit besluit in stand gelaten. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat onbestreden is dat de toeslag niet hoger kan zijn dan het verschil tussen het vastgestelde dagloon en de uitkering. Dit betekent dat de toeslag terecht is vastgesteld op € 13,25 bruto per dag.
Het standpunt van appellante
3.1.
Appellante is het met de uitspraken van de rechtbank niet eens. Zij heeft in hoger beroep aangevoerd dat sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat de toepassing van de dagloonregels in haar geval leidt tot een onevenredige uitkomst en daarom hiervan had moeten worden afgeweken. Appellante heeft er in dit verband op gewezen dat zij ziek is geworden uit haar eerste volwaardige dienstbetrekking, terwijl het dagloon van de WIA-uitkering voor een groot deel wordt bepaald door inkomsten die zij tijdens haar studie heeft gehad uit een stage en bijbanen. Deze inkomsten zijn substantieel lager dan het loon dat appellante had in het werk waaruit zij ziek is geworden en het dagloon staat daarmee niet in verhouding tot het daadwerkelijke loonverlies. Daar komt bij dat de WGA-uitkering inmiddels per 1 december 2024 omgezet in een IVA-uitkering. Dit betekent dat appellante waarschijnlijk niet meer in staat zal zijn om te werken en daarmee haar inkomen te verhogen waardoor zij blijvend met het lage WIA-dagloon wordt geconfronteerd. De toekenning van een toeslag maakt dit niet anders. Appellante is van mening dat voor de berekening van haar dagloon uitsluitend moet worden gekeken naar het loon dat zij had in de dienstbetrekking waaruit zij ziek is geworden.
3.2.
In de zaak over de toeslag heeft appellante aangevoerd dat omdat het dagloon te laag is vastgesteld, de hoogte van de toeslag ook niet juist is berekend.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft gevraagd om de aangevallen uitspraken te bevestigen.
Het oordeel van de Raad
5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht de bestreden besluiten over de vaststelling van het dagloon en de hoogte van de toeslag in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat de hoger beroepen niet slagen. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.1.
De wettelijke regels die voor de beoordeling van de hoger beroepen belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Het dagloon
5.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat toepassing van de regels die in de Wet WIA en het Dagloonbesluit zijn opgenomen voor de berekening van het dagloon leidt tot het door het Uwv berekende dagloon van € 57,26. Het geschil spitst zich toe op de vraag of het Uwv in het geval van appellante van de voorgeschreven berekeningswijze had moeten afwijken, omdat dit volgens appelante zou leiden tot een onevenredige uitkomst. Net als de rechtbank beantwoordt de Raad deze vraag ontkennend.
5.3.
Bij een gebonden bevoegdheid heeft op het niveau van het algemeen verbindend voorschrift al een belangenafweging in algemene zin plaatsgevonden. De uitkomst daarvan is neergelegd in de voorwaarden voor de uitoefening van die bevoegdheid. Daarmee is in beginsel ook de evenredigheid van het besluit gegeven. Het te nemen besluit volgt namelijk uit het wel of niet vervuld zijn van de toepassingsvoorwaarden en het bestuursorgaan hoeft daarbij geen belangenafweging te maken. Toch kunnen er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat in een voorliggend geval toepassing van het algemeen verbindend voorschrift voor een of meer belanghebbenden zozeer in strijd komt met het evenredigheidsbeginsel dat die toepassing achterwege moet blijven. Dit is het geval als er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat toepassing van het algemeen verbindend voorschrift in het voorliggende geval tot een onevenredig nadelige uitkomst leidt. De door appellante gestelde omstandigheden leiden in dit geval niet tot conclusie dat het bestreden besluit voor haar een onevenredig nadeel oplevert. Daarvoor is het volgende van belang.
5.4.
Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, volgt uit de regeling van de referteperiode in artikel 13, eerste lid, van de Wet WIA en artikel 13, eerste lid, van het Dagloonbesluit dat voor de vaststelling van het welvaartsniveau niet bepalend is het loon dat werd genoten op het moment van intreden van het verzekerde risico, maar het loon dat daadwerkelijk is genoten tijdens de gehele referteperiode (historisch dagloon). Zoals de Raad eerder heeft overwogen, is hieraan inherent dat periodes waarin minder loon is ontvangen tijdens de referteperiode een negatieve invloed hebben op de hoogte van het dagloon. De besluitgever heeft hiermee rekening gehouden en maakt daarbij geen onderscheid naar de reden waarom in een periode minder loon is ontvangen. In het geval van appellante wordt het lagere dagloon veroorzaakt door de omstandigheid dat het loon dat zij in de referteperiode heeft genoten uit een stage en bijbanen aanmerkelijk lager was dan het loon dat zij heeft genoten uit het dienstverband bij [naam stichting]. Dit is een bewust en voorzien gevolg van de systematiek van het historisch dagloon. Dat inmiddels een IVA-uitkering aan appellante is toegekend en zij wellicht niet meer in staat zal zijn om te werken en daarmee haar inkomen aan te vullen, maakt ook niet dat sprake is van bijzondere omstandigheden. Dit is namelijk een omstandigheid die – ondanks uiteenlopende persoonlijke situaties – ook voor andere IVA-gerechtigden geldt.
De toeslag
5.5.
Over de bij bestreden besluit 2 gehandhaafde hoogte van de toeslag heeft appellante geen zelfstandige gronden aangevoerd. Uit 5.2 tot en met 5.4 volgt dat het dagloon juist is vastgesteld. Dat brengt dat mee dat ook de hoogte van de toeslag juist is vastgesteld.
Conclusie en gevolgen
5.6.
De hoger beroepen slagen dus niet. De aangevallen uitspraken worden bevestigd. Dit betekent dat de besluiten van het Uwv over de hoogte van het dagloon en de toeslag in stand blijven.
6. Omdat de hoger beroepen niet slagen krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.
Deze uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin als voorzitter en C. Karman en J.H. Ermers als leden, in tegenwoordigheid van D. Semiz als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2026.
(getekend) M.E. Fortuin
(getekend) D. Semiz
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
Artikel 13 van de Wet WIA:1. Voor de berekening van een uitkering waarop op grond van deze wet recht bestaat, wordt als dagloon beschouwd 1/261 deel van het loon dat de werknemer verdiende in de periode van één jaar, die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de ziekte, het gebrek, de zwangerschap of de bevalling, die tot volledig en duurzame arbeidsongeschiktheid of gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid heeft geleid, is ingetreden doch ten hoogste het in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen bedoelde bedrag met betrekking tot een loontijdvak van een dag.
[…]
3. Bij algemene maatregel van bestuur worden met betrekking tot de vaststelling van het dagloon, bedoeld in het eerste lid, en de herziening ervan nadere en zonodig afwijkende regels gesteld.
[…]
Artikel 13, eerste lid, van het Dagloonbesluit:
Onder referteperiode wordt in dit hoofdstuk de periode verstaan van één jaar die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de arbeidsongeschiktheid is ingetreden, of die eindigt, in geval de arbeidsongeschiktheid is ingetreden in gelijktijdige dienstbetrekkingen, op de laatste dag van het aangiftetijdvak dat het eerst voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid is geëindigd.
Artikel 16, eerste lid, van het Dagloonbesluit:
Het dagloon van uitkeringen op grond van de Wet WIA en de WAO is de uitkomst van de volgende berekening:
(A – B + C) / D
waarbij:
A staat voor het loon dat de werknemer in de referteperiode heeft genoten bij alle werkgevers;
B staat voor de bedragen aan vakantiebijslag die in de referteperiode als loon zijn uitbetaald ten laste van een opgebouwd bedrag en de bedragen die in die periode als loon zijn uitbetaald ten laste van een arbeidsvoorwaardenbedrag;
C staat voor de in de referteperiode opgebouwde bedragen ten behoeve van vakantiebijslag dan wel ten behoeve van een arbeidsvoorwaardenbedrag; en
D staat voor 261.
Zie de uitspraak van het CBb van 26 maart 2024, ECLI:NL:CBB:2024:190, r.o. 8.2.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 22 oktober 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1541.
Vergelijk de uitspraak van de Raad van 16 april 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:602.
Vergelijk de uitspraak van de Raad van 16 april 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:605.