Centrale Raad van Beroep
ECLI:NL:CRVB:2026:1129
2026-08-31
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
25/1652 ZW-W
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Afwijzing verzoek om wraking. Dat de behandelend rechters in twee zaken van verzoeker reeds uitspraak hebben gedaan vormt geen zwaarwegende aanwijzing voor vooringenomenheid van de behandelend rechters. Dat geldt ook voor zover de behandelend rechters in de twee uitspraken hebben geoordeeld over de in geschil zijnde rechtsvraag.
Citeert (1)
- ECLI:NL:CRVB:2025:1905 Centrale Raad van Beroep 23-12-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (4.146 tekens)
25/1652 ZW-W
Datum beslissing: 31 augustus 2026
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Beslissing op het verzoek om wraking gedaan door
[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)
PROCESVERLOOP
Verzoeker heeft hoger beroepen ingesteld tegen drie uitspraken van de rechtbank NoordNederland van 27 juni 2025, 24/1384, 24/1926, 24/3592. Bij de Raad staan deze zaken geregistreerd onder de nummers 25/1303 WIA, 25/1652 ZW en 25/1566 WIA.
De hoger beroepen zijn op 15 april 2026 ter zitting behandeld door H.G. Rottier, A.I. van der Kris en W.A. Timmer (behandelend rechters).
Op 8 juli 2026 heeft de Raad uitspraak gedaan in de zaak met nummer 25/1566 WIA. Op 17 juli 2026 heeft de Raad uitspraak gedaan in de zaak met nummer 25/1303 WIA. In de zaak met nummer 25/1652 ZW is nog geen uitspraak gedaan.
Bij brief van 18 juli 2026 heeft verzoeker verzocht om wraking van de behandelend rechters in de zaak met nummer 25/1652 ZW.
De behandelend rechters hebben schriftelijk gereageerd op het verzoek om wraking en te kennen gegeven niet in de wraking te berusten. De behandelend rechters hebben daarnaast aangegeven geen gebruik te zullen maken van de gelegenheid om ter zitting te worden gehoord.
Verzoeker heeft op verschillende momenten nadere stukken ingediend.
De Raad heeft het verzoek om wraking behandeld op de zitting van 24 augustus 2026. Verzoeker is verschenen.
OVERWEGINGEN
1. Op grond van artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht kan elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
2. Verzoeker heeft aan zijn verzoek om wraking het volgende ten grondslag gelegd. De behandelend rechters hebben in de uitspraken van 8 juli 2026 en 17 juli 2026 geoordeeld over de centrale rechtsvraag die ook beslissend is voor het hoger beroep in de zaak met nummer 25/1652 ZW. Hierdoor is volgens verzoeker de objectief gerechtvaardigde vrees ontstaan dat onderhavige zaak, waarin nog uitspraak moet worden gedaan, niet meer onbevangen zal worden beoordeeld door de behandelend rechters.
3.1.
Bij de beoordeling van een wrakingsverzoek moet voorop staan dat een rechter op grond van zijn of haar aanstelling geacht wordt onpartijdig te zijn. Van dit uitgangspunt moet worden afgeweken als er een uitzonderlijke omstandigheid is die een zwaarwegende aanwijzing vormt voor vooringenomenheid van de rechter. De vrees voor vooringenomenheid van de rechter moet objectief gerechtvaardigd zijn.
3.2.
Verder is vaste rechtspraak dat de enkele omstandigheid dat een rechter in een eerdere zaak van verzoeker (een hem onwelgevallige) uitspraak heeft gedaan niet kan worden gerekend tot feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
3.3.
Dat de behandelend rechters in twee zaken van verzoeker reeds uitspraak hebben gedaan vormt dan ook geen zwaarwegende aanwijzing voor vooringenomenheid van de behandelend rechters. Dat geldt ook voor zover de behandelend rechters in de twee uitspraken hebben geoordeeld over de in geschil zijnde rechtsvraag.
4. Uit het voorgaande volgt dat het verzoek om wraking moet worden afgewezen.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om wraking af.
Deze beslissing is gegeven door E.J.M. Heijs als voorzitter en M.A.H. van Dalen-van Bekkum en L.M. Tobé als leden, in tegenwoordigheid van R.R. Olde Engberink als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2026.
(getekend) E.J.M. Heijs
(getekend) R.R. Olde Engberink
Zie bijvoorbeeld de beslissing van de Raad van 23 december 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1905.
Datum beslissing: 31 augustus 2026
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Beslissing op het verzoek om wraking gedaan door
[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)
PROCESVERLOOP
Verzoeker heeft hoger beroepen ingesteld tegen drie uitspraken van de rechtbank NoordNederland van 27 juni 2025, 24/1384, 24/1926, 24/3592. Bij de Raad staan deze zaken geregistreerd onder de nummers 25/1303 WIA, 25/1652 ZW en 25/1566 WIA.
De hoger beroepen zijn op 15 april 2026 ter zitting behandeld door H.G. Rottier, A.I. van der Kris en W.A. Timmer (behandelend rechters).
Op 8 juli 2026 heeft de Raad uitspraak gedaan in de zaak met nummer 25/1566 WIA. Op 17 juli 2026 heeft de Raad uitspraak gedaan in de zaak met nummer 25/1303 WIA. In de zaak met nummer 25/1652 ZW is nog geen uitspraak gedaan.
Bij brief van 18 juli 2026 heeft verzoeker verzocht om wraking van de behandelend rechters in de zaak met nummer 25/1652 ZW.
De behandelend rechters hebben schriftelijk gereageerd op het verzoek om wraking en te kennen gegeven niet in de wraking te berusten. De behandelend rechters hebben daarnaast aangegeven geen gebruik te zullen maken van de gelegenheid om ter zitting te worden gehoord.
Verzoeker heeft op verschillende momenten nadere stukken ingediend.
De Raad heeft het verzoek om wraking behandeld op de zitting van 24 augustus 2026. Verzoeker is verschenen.
OVERWEGINGEN
1. Op grond van artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht kan elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
2. Verzoeker heeft aan zijn verzoek om wraking het volgende ten grondslag gelegd. De behandelend rechters hebben in de uitspraken van 8 juli 2026 en 17 juli 2026 geoordeeld over de centrale rechtsvraag die ook beslissend is voor het hoger beroep in de zaak met nummer 25/1652 ZW. Hierdoor is volgens verzoeker de objectief gerechtvaardigde vrees ontstaan dat onderhavige zaak, waarin nog uitspraak moet worden gedaan, niet meer onbevangen zal worden beoordeeld door de behandelend rechters.
3.1.
Bij de beoordeling van een wrakingsverzoek moet voorop staan dat een rechter op grond van zijn of haar aanstelling geacht wordt onpartijdig te zijn. Van dit uitgangspunt moet worden afgeweken als er een uitzonderlijke omstandigheid is die een zwaarwegende aanwijzing vormt voor vooringenomenheid van de rechter. De vrees voor vooringenomenheid van de rechter moet objectief gerechtvaardigd zijn.
3.2.
Verder is vaste rechtspraak dat de enkele omstandigheid dat een rechter in een eerdere zaak van verzoeker (een hem onwelgevallige) uitspraak heeft gedaan niet kan worden gerekend tot feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
3.3.
Dat de behandelend rechters in twee zaken van verzoeker reeds uitspraak hebben gedaan vormt dan ook geen zwaarwegende aanwijzing voor vooringenomenheid van de behandelend rechters. Dat geldt ook voor zover de behandelend rechters in de twee uitspraken hebben geoordeeld over de in geschil zijnde rechtsvraag.
4. Uit het voorgaande volgt dat het verzoek om wraking moet worden afgewezen.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om wraking af.
Deze beslissing is gegeven door E.J.M. Heijs als voorzitter en M.A.H. van Dalen-van Bekkum en L.M. Tobé als leden, in tegenwoordigheid van R.R. Olde Engberink als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2026.
(getekend) E.J.M. Heijs
(getekend) R.R. Olde Engberink
Zie bijvoorbeeld de beslissing van de Raad van 23 december 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1905.