Centrale Raad van Beroep
ECLI:NL:CRVB:2026:1126
2026-08-27
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
25/1863 WIA
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Weigering toekenning IVA-uitkering terecht omdat de volledige arbeidsongeschiktheid niet duurzaam is. Het Uwv heeft terecht een WGA-uitkering toegekend.
Citeert (1)
- ECLI:NL:CRVB:2009:BH1896 Centrale Raad van Beroep 04-02-2009
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (11.696 tekens)
25/1863 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 17 juli 2025, 24/7312 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 27 augustus 2026
SAMENVATTING
Het Uwv heeft geweigerd om aan appellante per 4 januari 2022 een IVA-uitkering toe te kennen omdat de volledige arbeidsongeschiktheid niet duurzaam is. Volgens appellante zijn de beperkingen wél duurzaam. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht geen IVA-uitkering, maar een WGA-uitkering heeft toegekend.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. J.H.F. de Jong, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Appellante heeft een nadere reactie ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 16 juli 2026. Partijen zijn niet verschenen.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1.1.
Appellante heeft voor het laatst gewerkt als klantenservicemedewerker voor gemiddeld 38,31 uur per week. Op 7 januari 2020 heeft zij zich ziekgemeld met psychische en lichamelijke klachten. Nadat appellante een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een arts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. Het Uwv heeft bij besluit van 4 mei 2023 geweigerd appellante met ingang van 4 januari 2022 een WIAuitkering toe te kennen, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
1.2.
Bij beslissing op bezwaar van 30 september 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar gegrond verklaard en appellante met ingang van 4 januari 2022 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA toegekend. Na onderzoek door een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep is de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante vastgesteld op 100%. Appellante is volledig maar niet duurzaam arbeidsongeschikt.
Uitspraak van de rechtbank
2.1.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven, onder veroordeling van het Uwv in het betaalde griffierecht en de proceskosten van appellante.
2.2.
De rechtbank heeft de toelichting van de verzekeringsarts bezwaar en beroep gevolgd dat bij appellante geen sprake is van fysieke beperkingen maar dat zij zwaarder werk dient te vermijden om haar energie te behouden. Omdat bij appellante geen sprake is van een evidente fysieke pathologie maar van een somatische symptoomstoornis, staat dit het normaal belasten van het lichaam niet in de weg.
2.3.
De rechtbank heeft appellante niet gevolgd in haar standpunt dat de motivering van de verzekeringsarts bezwaar en beroep over de duurzaamheid van appellantes beperkingen ten onrechte alleen ziet op de behandeling van de depressie. Appellante is vanwege fysieke klachten uitgevallen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) naar aanleiding van bijgekomen psychische klachten aangepast. Er zijn meer beperkingen aangenomen, waardoor appellante volledig arbeidsongeschikt wordt geacht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep is daarom alleen ingegaan op de duurzaamheid van de psychische klachten. De fysieke klachten zijn immers in het primaire besluit behandeld. Omdat er toen geen sprake was van volledige arbeidsongeschiktheid, is de duurzaamheid van de fysieke klachten niet aan de orde geweest. De verzekeringsarts bezwaar en beroep kon de bespreking van de duurzaamheid dus beperken tot de psychische klachten, omdat appellante alleen vanwege deze klachten volledig arbeidsongeschikt wordt geacht.
2.4.
De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende heeft gemotiveerd dat appellante op de datum in geding niet duurzaam arbeidsongeschikt is. Uit de beschikbare gegevens kan niet worden afgeleid dat zij een onvolledig beeld heeft gehad van de medische situatie van appellante. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in een rapport van 10 januari 2025 inzichtelijk gemotiveerd dat de beperkingen van appellante niet duurzaam zijn. Daarbij is aandacht besteed aan de concrete situatie van appellante en is voldoende onderbouwd dat nog een aantal behandelingen kan worden gevolgd voor de mentale klachten. Dat appellante het daar niet mee eens is en van mening is dat die behandelingen niet passend zijn, is niet met medische stukken onderbouwd. Daarnaast is toegelicht dat nog medicatie kan worden ingezet. Dat appellante geen medicamenteuze behandeling wil doet daar niet aan af.
2.5.
Omdat het Uwv het bestreden besluit pas in beroep heeft voorzien van een toereikende medische grondslag, heeft de rechtbank aanleiding gezien het beroep gegrond te verklaren en het bestreden besluit te vernietigen. De rechtbank heeft voorts aanleiding gezien om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten, omdat het Uwv in beroep alsnog een goede motivering heeft gegeven voor het besluit.
Het standpunt van appellante
3.1.
Appellante betwist het oordeel van de rechtbank dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de bespreking van de duurzaamheid kon beperken tot de mentale klachten, omdat appellante alleen vanwege deze klachten volledig arbeidsongeschikt wordt geacht. De volledige arbeidsongeschiktheid van appellante is gebaseerd op de gehele FML, waarvan zowel de psychische als de fysieke beperkingen deel uitmaken.
3.2.
Los daarvan is appellante van oordeel dat het Uwv ten onrechte geen rekening lijkt te hebben gehouden met de in december 2024 gediagnosticeerde fibromyalgie. Weliswaar is de datum in geding 4 januari 2022, maar appellante meent dat de door haar toen al gepresenteerde lichamelijke klachten in retrospectief zeer wel door deze fibromyalgie verklaard kunnen worden.
3.3.
Appellante stelt dat haar beperkingen als duurzaam dienen te worden aangemerkt, zodat zij recht heeft op een IVA-uitkering. In haar specifieke situatie zijn geen behandelingen meer mogelijk. Daarom is het ook niet mogelijk om met een aanvullende medische onderbouwing te komen.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Het oordeel van de Raad
5.1.
Niet in geschil is dat appellante volledig arbeidsongeschikt is. Gelet op de door partijen ingenomen standpunten, ligt de vraag voor of de arbeidsongeschiktheid van appellante op de datum in geding, 4 januari 2022, moet worden geacht volledig en duurzaam te zijn, zodat appellante op grond van artikel 47 van de Wet WIA recht heeft op een IVA- in plaats van een WGA-uitkering.
5.2.
De Raad heeft in zijn uitspraak van 4 februari 2009 geoordeeld dat de verzekeringsarts zich een oordeel moet vormen over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 4 van de Wet WIA. Hierbij moet hij een inschatting maken van de herstelkansen, in de zin van een verbetering van de functionele mogelijkheden van de verzekerde. De inschatting van de verzekeringsarts van de kans op herstel in het eerste jaar na het ontstaan van het recht op uitkering en in de periode daarna moet berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de individuele verzekerde aan de orde zijn, voor zover die feiten en omstandigheden betrekking hebben op de medische situatie van de verzekerde op de datum in geding. Indien die inschatting berust op een (ingezette) medische behandeling, is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de individuele verzekerde.
5.3.
Appellante heeft de motivering van de verzekeringsarts bezwaar en beroep over de behandelmogelijkheden van haar psychische klachten niet (meer) bestreden.
5.4.
Wat betreft haar fysieke klachten is van belang dat weliswaar is uitgegaan van somatisering en darmklachten, maar dat dit niet heeft geleid tot beperkingen in appellantes arbeidsmogelijkheden omdat volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen sprake was van evidente fysieke pathologie. Er was sprake van een somatische symptoomstoornis die het normaal belasten van het lichaam niet in de weg staat. De rechtbank heeft het standpunt van het Uwv zoals verwoord door de verzekeringsarts bezwaar en beroep terecht gevolgd. Appellante heeft ook in hoger beroep geen medische stukken overgelegd op grond waarvan anders zou moeten worden geoordeeld. Gelet hierop en gelet op het Beoordelingskader voor de duurzaamheid van de arbeidsbeperkingen heeft de rechtbank terecht de vraag opgeworpen wat de toegevoegde waarde is van een motivering van de verwachte verbetering van appellantes fysieke belastbaarheid als die fysieke belastbaarheid niet beperkt en dus normaal is.
5.5.
Ook al zou appellante worden gevolgd in haar standpunt dat haar klachten als gevolg van fibromyalgie ten tijde in geding (4 januari 2022) al speelden, dan volgt daaruit niet dat zij duurzaam (volledig) arbeidsongeschikt is. Ten tijde in geding was nog geen behandeling gestart voor appellantes lichamelijke klachten. Uit informatie van de klinisch psycholoog van 5 juli 2023 blijkt dat appellante eind 2022 is gestart met een lichaamsgerichte groeps(behandeling) gericht op SOLK-klachten. In 2023 is appellante verwezen naar de KNO-arts vanwege duizeligheidsklachten. In 2024 is bij appellante fibromyalgie vastgesteld. Uit de informatie van de reumatoloog uit 2024 blijkt dat er daarvoor diverse opties voor behandeling en begeleiding zijn. Uit de medische informatie volgt dus niet dat er ten tijde in geding geen behandelmogelijkheden waren voor appellante.
Conclusie en gevolgen
5.6
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, wordt bevestigd. Dit betekent dat de toekenning van een WGA-uitkering in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van G.T. Hunsel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2026.
(getekend) H.G. Rottier
(getekend) G.T. Hunsel
CRvB 4 februari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1896.
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 17 juli 2025, 24/7312 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 27 augustus 2026
SAMENVATTING
Het Uwv heeft geweigerd om aan appellante per 4 januari 2022 een IVA-uitkering toe te kennen omdat de volledige arbeidsongeschiktheid niet duurzaam is. Volgens appellante zijn de beperkingen wél duurzaam. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht geen IVA-uitkering, maar een WGA-uitkering heeft toegekend.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. J.H.F. de Jong, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Appellante heeft een nadere reactie ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 16 juli 2026. Partijen zijn niet verschenen.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1.1.
Appellante heeft voor het laatst gewerkt als klantenservicemedewerker voor gemiddeld 38,31 uur per week. Op 7 januari 2020 heeft zij zich ziekgemeld met psychische en lichamelijke klachten. Nadat appellante een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een arts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. Het Uwv heeft bij besluit van 4 mei 2023 geweigerd appellante met ingang van 4 januari 2022 een WIAuitkering toe te kennen, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
1.2.
Bij beslissing op bezwaar van 30 september 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar gegrond verklaard en appellante met ingang van 4 januari 2022 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA toegekend. Na onderzoek door een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep is de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante vastgesteld op 100%. Appellante is volledig maar niet duurzaam arbeidsongeschikt.
Uitspraak van de rechtbank
2.1.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven, onder veroordeling van het Uwv in het betaalde griffierecht en de proceskosten van appellante.
2.2.
De rechtbank heeft de toelichting van de verzekeringsarts bezwaar en beroep gevolgd dat bij appellante geen sprake is van fysieke beperkingen maar dat zij zwaarder werk dient te vermijden om haar energie te behouden. Omdat bij appellante geen sprake is van een evidente fysieke pathologie maar van een somatische symptoomstoornis, staat dit het normaal belasten van het lichaam niet in de weg.
2.3.
De rechtbank heeft appellante niet gevolgd in haar standpunt dat de motivering van de verzekeringsarts bezwaar en beroep over de duurzaamheid van appellantes beperkingen ten onrechte alleen ziet op de behandeling van de depressie. Appellante is vanwege fysieke klachten uitgevallen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) naar aanleiding van bijgekomen psychische klachten aangepast. Er zijn meer beperkingen aangenomen, waardoor appellante volledig arbeidsongeschikt wordt geacht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep is daarom alleen ingegaan op de duurzaamheid van de psychische klachten. De fysieke klachten zijn immers in het primaire besluit behandeld. Omdat er toen geen sprake was van volledige arbeidsongeschiktheid, is de duurzaamheid van de fysieke klachten niet aan de orde geweest. De verzekeringsarts bezwaar en beroep kon de bespreking van de duurzaamheid dus beperken tot de psychische klachten, omdat appellante alleen vanwege deze klachten volledig arbeidsongeschikt wordt geacht.
2.4.
De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende heeft gemotiveerd dat appellante op de datum in geding niet duurzaam arbeidsongeschikt is. Uit de beschikbare gegevens kan niet worden afgeleid dat zij een onvolledig beeld heeft gehad van de medische situatie van appellante. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in een rapport van 10 januari 2025 inzichtelijk gemotiveerd dat de beperkingen van appellante niet duurzaam zijn. Daarbij is aandacht besteed aan de concrete situatie van appellante en is voldoende onderbouwd dat nog een aantal behandelingen kan worden gevolgd voor de mentale klachten. Dat appellante het daar niet mee eens is en van mening is dat die behandelingen niet passend zijn, is niet met medische stukken onderbouwd. Daarnaast is toegelicht dat nog medicatie kan worden ingezet. Dat appellante geen medicamenteuze behandeling wil doet daar niet aan af.
2.5.
Omdat het Uwv het bestreden besluit pas in beroep heeft voorzien van een toereikende medische grondslag, heeft de rechtbank aanleiding gezien het beroep gegrond te verklaren en het bestreden besluit te vernietigen. De rechtbank heeft voorts aanleiding gezien om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten, omdat het Uwv in beroep alsnog een goede motivering heeft gegeven voor het besluit.
Het standpunt van appellante
3.1.
Appellante betwist het oordeel van de rechtbank dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de bespreking van de duurzaamheid kon beperken tot de mentale klachten, omdat appellante alleen vanwege deze klachten volledig arbeidsongeschikt wordt geacht. De volledige arbeidsongeschiktheid van appellante is gebaseerd op de gehele FML, waarvan zowel de psychische als de fysieke beperkingen deel uitmaken.
3.2.
Los daarvan is appellante van oordeel dat het Uwv ten onrechte geen rekening lijkt te hebben gehouden met de in december 2024 gediagnosticeerde fibromyalgie. Weliswaar is de datum in geding 4 januari 2022, maar appellante meent dat de door haar toen al gepresenteerde lichamelijke klachten in retrospectief zeer wel door deze fibromyalgie verklaard kunnen worden.
3.3.
Appellante stelt dat haar beperkingen als duurzaam dienen te worden aangemerkt, zodat zij recht heeft op een IVA-uitkering. In haar specifieke situatie zijn geen behandelingen meer mogelijk. Daarom is het ook niet mogelijk om met een aanvullende medische onderbouwing te komen.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Het oordeel van de Raad
5.1.
Niet in geschil is dat appellante volledig arbeidsongeschikt is. Gelet op de door partijen ingenomen standpunten, ligt de vraag voor of de arbeidsongeschiktheid van appellante op de datum in geding, 4 januari 2022, moet worden geacht volledig en duurzaam te zijn, zodat appellante op grond van artikel 47 van de Wet WIA recht heeft op een IVA- in plaats van een WGA-uitkering.
5.2.
De Raad heeft in zijn uitspraak van 4 februari 2009 geoordeeld dat de verzekeringsarts zich een oordeel moet vormen over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 4 van de Wet WIA. Hierbij moet hij een inschatting maken van de herstelkansen, in de zin van een verbetering van de functionele mogelijkheden van de verzekerde. De inschatting van de verzekeringsarts van de kans op herstel in het eerste jaar na het ontstaan van het recht op uitkering en in de periode daarna moet berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de individuele verzekerde aan de orde zijn, voor zover die feiten en omstandigheden betrekking hebben op de medische situatie van de verzekerde op de datum in geding. Indien die inschatting berust op een (ingezette) medische behandeling, is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de individuele verzekerde.
5.3.
Appellante heeft de motivering van de verzekeringsarts bezwaar en beroep over de behandelmogelijkheden van haar psychische klachten niet (meer) bestreden.
5.4.
Wat betreft haar fysieke klachten is van belang dat weliswaar is uitgegaan van somatisering en darmklachten, maar dat dit niet heeft geleid tot beperkingen in appellantes arbeidsmogelijkheden omdat volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen sprake was van evidente fysieke pathologie. Er was sprake van een somatische symptoomstoornis die het normaal belasten van het lichaam niet in de weg staat. De rechtbank heeft het standpunt van het Uwv zoals verwoord door de verzekeringsarts bezwaar en beroep terecht gevolgd. Appellante heeft ook in hoger beroep geen medische stukken overgelegd op grond waarvan anders zou moeten worden geoordeeld. Gelet hierop en gelet op het Beoordelingskader voor de duurzaamheid van de arbeidsbeperkingen heeft de rechtbank terecht de vraag opgeworpen wat de toegevoegde waarde is van een motivering van de verwachte verbetering van appellantes fysieke belastbaarheid als die fysieke belastbaarheid niet beperkt en dus normaal is.
5.5.
Ook al zou appellante worden gevolgd in haar standpunt dat haar klachten als gevolg van fibromyalgie ten tijde in geding (4 januari 2022) al speelden, dan volgt daaruit niet dat zij duurzaam (volledig) arbeidsongeschikt is. Ten tijde in geding was nog geen behandeling gestart voor appellantes lichamelijke klachten. Uit informatie van de klinisch psycholoog van 5 juli 2023 blijkt dat appellante eind 2022 is gestart met een lichaamsgerichte groeps(behandeling) gericht op SOLK-klachten. In 2023 is appellante verwezen naar de KNO-arts vanwege duizeligheidsklachten. In 2024 is bij appellante fibromyalgie vastgesteld. Uit de informatie van de reumatoloog uit 2024 blijkt dat er daarvoor diverse opties voor behandeling en begeleiding zijn. Uit de medische informatie volgt dus niet dat er ten tijde in geding geen behandelmogelijkheden waren voor appellante.
Conclusie en gevolgen
5.6
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, wordt bevestigd. Dit betekent dat de toekenning van een WGA-uitkering in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van G.T. Hunsel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2026.
(getekend) H.G. Rottier
(getekend) G.T. Hunsel
CRvB 4 februari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1896.