Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Centrale Raad van Beroep

ECLI:NL:CRVB:2026:1125

2026-08-27 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht 25/1799 WIA
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2026-08-27
Publicatiedatum
2026-08-28
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
25/1799 WIA
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering toe te kennen omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Voldoende medische en arbeidskundige onderbouwing. Het UWV heeft, uitgaande van de juistheid van de FML van 8 januari 2025 en de toelichting van de arbeidsdeskundige, voldoende gemotiveerd dat de geselecteerde functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellant.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (11.823 tekens)
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer



25/1799 WIA












Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 juli 2025, 24/6475 (aangevallen uitspraak)







Partijen:




[appellant] te [woonplaats] (appellant)



de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)








Datum uitspraak: 27 augustus 2026


SAMENVATTING


Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht appellant per 5 september 2023 geen WIA-uitkering heeft toegekend, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Volgens appellant heeft hij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan hij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet.





PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. drs. W. Hoebba, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een nader stuk overgelegd.



De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.



De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 16 juli 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. drs. Hoebba. Als tolk is verschenen A. Moss-de Boer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door Y. Huisman.





OVERWEGINGEN




Inleiding


1.1.
Appellant heeft voor het laatst gewerkt als cateringmedewerker voor gemiddeld 29,03 uur per week. Op 7 september 2021 heeft hij zich ziekgemeld met rug- en schouderklachten. Nadat appellant een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een arts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De arts heeft vastgesteld dat appellant bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een zogenoemde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Een arbeidsdeskundige heeft aan de hand daarvan vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor zijn laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellant functies geselecteerd en de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 0 %. Het Uwv heeft bij besluit van 29 augustus 2023 geweigerd appellant met ingang van 5 september 2023 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.



1.2.
Bij beslissing op bezwaar van 30 september 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 9 september 2024, een nieuwe FML van 5 september 2024 en een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 20 september 2024 ten grondslag.




Uitspraak van de rechtbank



2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Appellant heeft geen medische stukken in het geding gebracht waaruit blijkt dat zijn beperkingen op de datum in geding zijn onderschat en dat verdergaande beperkingen moeten worden aangenomen. Volgens de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende gemotiveerd waarom geen urenbeperking aangenomen hoeft te worden vanuit preventief oogpunt. Passende belasting is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij de aandoeningen van appellant niet schadelijk te achten maar juist aangewezen. Een urenbeperking op preventieve gronden is daarom niet nodig. De rechtbank heeft geen twijfel aan de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om een deskundige te benoemen, omdat er geen reden is om aan te nemen dat appellant belemmeringen heeft ondervonden bij de onderbouwing van zijn standpunt dat het Uwv zijn beperkingen heeft onderschat. Uitgaande van de juistheid van de FML en gelet op de toelichting van de arbeidsdeskundige heeft de rechtbank de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep gevolgd in de motivering dat de geselecteerde functies geschikt zijn voor appellant. Het feit dat appellant links dominant is maakt de geduide functies niet minder geschikt. In de FML van 5 september 2024 is namelijk opgenomen dat appellant links dominant is en zijn beperkingen opgenomen ten aanzien van de linkerarm.



Het standpunt van appellant



3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Volgens appellant heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn beperkingen onderschat, met name omdat hij links dominant is en ook zijn beperkingen zich aan de linkerzijde bevinden. Verder meent appellant dat een urenbeperking is aangewezen op zowel preventieve als energetische gronden. Appellant verzoekt om inschakeling van een deskundige. Daar komt bij dat volgens appellant sprake is van strijd met het verbod van reformatio in peius, omdat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een minder vergaande beperking voor tillen met links heeft aangenomen dan de primaire arts had gedaan. Verder stelt appellant zich op het standpunt dat de geselecteerde functies voor hem niet geschikt zijn, gelet op zijn beperkingen en het feit dat hij linkshandig is en daar ook zijn beperkingen zitten.



Het standpunt van het Uwv



4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.




Het oordeel van de Raad


5.1.
Op grond van artikel 5 van de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.



Medische beoordeling





5.2.
Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd ten aanzien van de vastgestelde beperkingen is een herhaling van de gronden die hij bij de rechtbank heeft ingediend en vormt geen aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak terecht geoordeeld dat er geen aanleiding bestaat te twijfelen aan de juistheid van de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep aangenomen belastbaarheid van appellant. De rechtbank heeft op overtuigende wijze gemotiveerd waarom die aanleiding niet is gezien. De gronden waarop het oordeel van de rechtbank berust worden onderschreven. Naar aanleiding van het hoger beroep wordt hieraan het volgende toegevoegd.

5.2.1.
Ter onderbouwing van het standpunt dat het Uwv zijn beperkingen heeft onderschat heeft appellant gewezen op een brief van zijn behandelend orthopeed van 30 augustus 2024 en het feit dat hij links dominant is en zijn beperkingen zich ook links bevinden. Uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 9 september 2024 blijkt duidelijk dat zowel de inhoud van deze brief van de orthopeed als het feit dat appellant links dominant is en zijn beperkingen zich ook links bevinden is meegewogen bij het vaststellen van de beperkingen in de FML van 5 september 2024. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft voldoende gemotiveerd waarom er geen aanleiding is gezien voor het aannemen van verdergaande beperkingen op de datum in geding. Volledigheidshalve heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep een nieuwe FML van 8 januari 2025 opgesteld waarin expliciet is vermeld dat appellant links dominant is, maar zoals uit het rapport van 8 januari 2025 blijkt heeft dit niet geleid tot verdergaande beperkingen.



5.2.2.
Het oordeel van de rechtbank dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende heeft gemotiveerd waarom geen aanleiding bestaat voor het aannemen van een urenbeperking op preventieve gronden wordt onderschreven. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 8 januari 2025 ook voldoende gemotiveerd dat geen aanleiding bestaat voor het aannemen van een urenbeperking op energetische gronden. Uit dit rapport blijkt dat appellant puur fysieke problemen ervaart, hij geen aandoeningen heeft die de energiehuishouding compromitteren en dat problemen met de energiehuishouding in de NHG-richtlijn lage rugpijn van huisartsen en het protocol aspecifieke lage rugklachten van de verzekeringsgeneeskunde ook niet genoemd worden. Verder gaven ook de objectieve onderzoeksbevindingen en het dagverhaal en dagritme geen aanleiding voor een urenbeperking.



5.2.3.
De grond van appellant dat sprake is van strijd met het verbod van reformatio in peius slaagt ook niet. Het verbod van reformatio in peius houdt in dat de integrale heroverweging in bezwaar niet mag leiden tot een verslechtering van de rechtspositie van de bezwaarmaker dan zonder de bezwaarprocedure mogelijk zou zijn. Dat het Uwv in bezwaar een element van de besluitvorming in voor appellant negatieve zin heeft bijgesteld, leidt op zichzelf nog niet tot strijd met het verbod van reformatio in peius. Het gaat erom of het resultaat van die besluitvorming ook nadelig voor appellant is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in de FML van 5 september 2024 en 8 januari 2025 weliswaar minder vergaande beperkingen voor tillen met links aangenomen dan de primaire arts heeft gedaan, maar het resultaat van de besluitvorming is hetzelfde gebleven. De WIA-uitkering is immers geweigerd met het besluit van 29 augustus 2023 en die weigering is gehandhaafd met de beslissing op bezwaar van 30 september 2024.



5.2.4.
Appellant heeft geen aanvullende medische informatie overgelegd op grond waarvan kan worden getwijfeld aan de juistheid van de medische beoordeling. Omdat er geen twijfel bestaat over de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit, is er geen aanleiding een deskundige te benoemen.



Arbeidskundige beoordeling






5.3.
De rechtbank wordt ook gevolgd in haar oordeel dat het Uwv, uitgaande van de juistheid van de FML van 8 januari 2025 en de toelichting van de arbeidsdeskundige, voldoende heeft gemotiveerd dat de geselecteerde functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellant.




Conclusie en gevolgen


5.4.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering appellant een WIA-uitkering toe te kennen in stand blijft.


6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.






BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.




Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van G.T. Hunsel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2026.





(getekend) H.G. Rottier




(getekend) G.T. Hunsel






Zie de uitspraken van de Raad van 7 december 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BB9695 en 6 november 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1668.