Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Centrale Raad van Beroep

ECLI:NL:CRVB:2026:1122

2026-08-27 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht 25/1782 ZW
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2026-08-27
Publicatiedatum
2026-08-28
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
25/1782 ZW
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Hoger beroep niet-ontvankelijk. De beslissing het Uwv van 23 december 2022 is geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, omdat deze niet gericht is op enig rechtsgevolg. Appellante heeft geen procesbelang bij een oordeel van de Raad over de ontvankelijkheid van het bezwaarschrift van 7 maart 2024.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (6.064 tekens)
25/1782 ZW




Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer












Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van
17 juli 2025, 24/3279 (aangevallen uitspraak)







Partijen:




[appellante] te [woonplaats] (appellante)



de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)








Datum uitspraak: 27 augustus 2026


SAMENVATTING


In deze zaak heeft het Uwv het bezwaar van appellante niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaarschrift te laat is ingediend. De rechtbank volgt het Uwv daarin. De Raad oordeelt dat appellante geen procesbelang heeft bij dit hoger beroep.





PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. M.I. Bal, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.



De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.



De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 16 juli 2026. Voor appellante is mr. Bal verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.H. Jansen.





OVERWEGINGEN




Inleiding


1. Bij besluit van 22 september 2022 heeft het Uwv de uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) die appellante ontving met ingang van 23 oktober 2022 beëindigd. Met ingang van 23 oktober 2022 is haar een uitkering op grond van de Werkloosheidswet toegekend.



1.1.
Op 13 november 2022 heeft appellante zich vanuit die situatie bij het Uwv ziekgemeld per 1 november.



1.2.
Het Uwv heeft bij besluit van 23 december 2022 de controle voor de ZW beëindigd. Als onderbouwing is daarbij vermeld dat het Uwv bekend is dat zij sinds 21 december 2022 hersteld is.



1.3.
Appellante heeft bij brief van 7 maart 2024 bezwaar gemaakt tegen de beslissing van 23 december 2022 en heeft daarbij gesteld dat zij bezwaar maakt tegen de beslissing waarbij de ZWuitkering is beëindigd.



1.4.
Bij beslissing op bezwaar van 9 april 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 23 december 2022 niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaar te laat is ingediend.




Uitspraak van de rechtbank




2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.




2.1.
De rechtbank heeft vastgesteld dat het bezwaar van appellante gericht is geweest tegen het besluit van 23 december 2022. Dit betekent ook dat alles wat appellante heeft aangevoerd in beroep over de beëindiging van het ziekengeld en het wel of niet juist bekend maken van een eerder besluit niet aan de orde kan komen in dit geding.


2.2.
De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv terecht het bezwaar van appellante nietontvankelijk heeft verklaard.



Het standpunt van appellante



3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en heeft onder meer gesteld dat het besluit over de intrekking van de ZWuitkering niet bekend is gemaakt.



Het standpunt van het Uwv



4. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.




Het oordeel van de Raad


5. Voordat de Raad toekomt aan de inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep moet worden beoordeeld of appellante daarbij belang heeft.



5.1.
Voor het antwoord op de vraag of een betrokkene voldoende procesbelang heeft, is volgens vaste rechtspraak bepalend of het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift nastreeft ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang.



5.2.
De beslissing van 23 december 2022 is geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, omdat deze niet gericht is op enig rechtsgevolg. De brief van 23 december 2022 ziet alleen op het beëindigen van de feitelijke controle in het kader van de ZW. Met terugwerkende kracht kan dat niet hersteld worden. Dat appellante het besluit van 22 september 2022 waarbij haar ZWuitkering is beëindigd zou hebben willen aanvechten doet daar verder niet aan af. Zoals ter zitting door partijen is erkend, heeft de onderhavige beslissing geen betrekking op de beëindiging van de ZWuitkering per 23 oktober 2022.



5.3.
Hieruit volgt dat appellante geen procesbelang heeft bij een oordeel van de Raad over de ontvankelijkheid van het bezwaarschrift van 7 maart 2024.





Conclusie en gevolgen


5.4.
Het hoger beroep is niet-ontvankelijk.


6. Omdat het hoger beroep niet-ontvankelijk is, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.











BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.




Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van G.T. Hunsel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2026.





(getekend) H.G. Rottier





(getekend) G.T. Hunsel






Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 8 april 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:887.