Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Centrale Raad van Beroep

ECLI:NL:CRVB:2026:1112

2026-08-19 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht 24/2514 WIA
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2026-08-19
Publicatiedatum
2026-08-28
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
24/2514 WIA
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Terugvordering bedrag aan te veel ontvangen toeslag. Het Uwv heeft terecht bepaald dat appellant wegens de inkomsten van zijn voormalige partner een toeslag heeft ontvangen zonder dat hij daar recht op had en dit bedrag van appellant teruggevorderd. Het Uwv heeft in de persoonlijke, met name zijn financiële, omstandigheden van appellant aanleiding gezien om de terugvordering met de helft te matigen. Hiermee heeft het Uwv voldoende gewicht toegekend aan de financiële gevolgen van de terugvordering voor appellant.

Citeert (5)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (18.574 tekens)
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer



24/2514 WIA












Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 24 september 2024, 24/535 (aangevallen uitspraak)







Partijen:




[appellant] te [woonplaats] (appellant)



de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)








Datum uitspraak: 19 augustus 2026


SAMENVATTING


Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de aan appellant onverschuldigd betaalde toeslag van hem heeft teruggevorderd. Het Uwv heeft in beroep het bedrag van de terugvordering wegens dringende redenen verlaagd van € 24.206,29 naar € 12.000,-. Volgens appellant had het Uwv de terugvordering verder moeten matigen. De Raad volgt dit standpunt van appellant niet.





PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. A.J.M. Knoef, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.



De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 27 mei 2026. Appellant is via een videoverbinding verschenen, bijgestaan door mr. Knoef. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.





OVERWEGINGEN




Inleiding


1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.



1.1.
Appellant ontving vanaf 25 mei 2010 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 80 tot 100%. Appellant heeft in aanvulling op zijn WIA-uitkering een toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW) ontvangen.



1.2.
Appellant is vanaf [datum] 2023 gedetineerd. Wegens zijn detentie is de WIAuitkering van appellant beëindigd per 9 februari 2023.



1.3.
Bij besluit van 19 januari 2023 heeft het Uwv de toeslag van appellant per 1 februari 2023 beëindigd wegens de inkomsten van de voormalige partner van appellant. De totale inkomsten van appellant en zijn voormalige partner zijn hoger dan het sociaal minimum.



1.4.
Bij besluit van 19 april 2023 heeft het Uwv bepaald dat appellant wegens de inkomsten van zijn voormalige partner over de periode van 1 augustus 2018 tot en met 31 januari 2023 een bedrag van € 24.206,29 bruto aan toeslag heeft ontvangen zonder dat hij daar recht op had en dit bedrag van appellant teruggevorderd.



1.5.
Bij besluit van 20 april 2023 heeft het Uwv bepaald dat appellant binnen zes weken een bedrag van € 23.851,98 aan het Uwv moet terugbetalen. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de besluiten van 19 en 20 april 2023.



1.6.
Bij besluit van 13 december 2023 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 19 en 20 april 2023 ongegrond verklaard. Hieraan heeft het Uwv ten grondslag gelegd dat het Uwv niet bekend was met de inkomsten van de voormalige partner van appellant. Hierdoor heeft appellant meer toeslag ontvangen dan waar hij recht op had. Volgens het Uwv heeft appellant zijn inlichtingenplicht geschonden omdat hij de inkomsten van zijn voormalige partner niet heeft gemeld aan het Uwv. Het had appellant redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat deze inkomsten van invloed kunnen zijn op het recht op of de hoogte van de toeslag. Daarbij heeft het Uwv erop gewezen dat aan appellant in 2011 al een keer een boete is opgelegd omdat hij de inkomsten uit arbeid van zijn voormalige partner niet had doorgegeven aan het Uwv. Gelet hierop had het voor appellant duidelijk moeten zijn dat hij de inkomsten van zijn voormalige partner moest doorgeven aan het Uwv. Het Uwv is verplicht te veel betaalde toeslag terug te vorderen. Volgens het Uwv is geen sprake van een dringende reden op grond waarvan geheel of gedeeltelijk kan worden afgezien van de terugvordering.



1.7.
Bij tussenuitspraak van 3 juli 2024 heeft de rechtbank Midden-Nederland geoordeeld dat bestreden besluit 1 niet berust op een deugdelijke motivering en daarom in zoverre in strijd is met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank heeft het Uwv met toepassing van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb, in de gelegenheid gesteld om het gebrek in bestreden besluit 1 te herstellen. De rechtbank heeft het Uwv gevolgd in zijn standpunt dat appellant de inlichtingenplicht heeft geschonden omdat hij de inkomsten van zijn voormalige partner niet heeft doorgegeven aan het Uwv. Over het beroep van appellant op een dringende reden om geheel of gedeeltelijk van de terugvordering af te zien, heeft de rechtbank – onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 18 april 2024 – geoordeeld dat het Uwv bij de vraag of sprake is van een dringende reden de relevante feiten en omstandigheden niet volledig heeft meegewogen. Zo heeft het Uwv het feit dat appellant gedetineerd is en geen eigen woonruimte of inkomsten heeft als hij vrijkomt en daarnaast op dit moment al een aanzienlijke geldschuld heeft niet in de belangenafweging betrokken. Ook heeft het Uwv niet meegewogen dat het Uwv pas na vijf jaar tot controle is overgegaan, waardoor het bedrag aan ten onrechte toegekende toeslag heeft kunnen oplopen. De rechtbank is daarom tot de conclusie gekomen dat bestreden besluit 1 wegens een onvoldoende belangenafweging niet op een deugdelijke motivering berust. Het Uwv zal voor de vraag of sprake is van een dringende reden alsnog alle relevante feiten en omstandigheden rondom de situatie van appellant moeten bezien en vervolgens in zijn belangenafweging dienen te betrekken.



1.8.
Het Uwv heeft ter uitvoering van deze tussenuitspraak op 18 juli 2024 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen (bestreden besluit 2). Het Uwv heeft in de persoonlijke situatie van appellant aanleiding gezien om de terugvordering met de helft te matigen, en vervolgens naar beneden af te ronden tot € 12.000,-. Omdat sprake is van schending van de inlichtingenplicht door appellant, kan het Uwv niet het volledige bedrag van de terugvordering kwijtschelden.




Uitspraak van de rechtbank



2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank het Uwv veroordeeld in de proceskosten van appellant en bepaald dat het Uwv het griffierecht dient te vergoeden. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv met bestreden besluit 2 alsnog alle relevante feiten en omstandigheden bij zijn belangenafweging heeft betrokken. De rechtbank heeft de matiging tot € 12.000,- zo begrepen dat het Uwv het aandeel van appellant in het ontstaan van de terugvordering tenminste 50% acht en het eventuele aandeel van het Uwv hoogstens 50%. Dit heeft de rechtbank kunnen volgen. Zoals de rechtbank in de tussenuitspraak heeft geoordeeld, heeft appellant zijn inlichtingenplicht geschonden. Appellant heeft dus zelf ook een aanzienlijk eigen aandeel gehad in het ontstaan van de terugvordering. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat het Uwv bij de beoordeling van een dringende reden voldoende rekening heeft gehouden met de door appellant aangevoerde persoonlijke omstandigheden. Het Uwv heeft kunnen beslissen dat hierin geen dringende reden is gelegen om af te zien van het resterende deel van de terugvordering.



Het standpunt van appellant



3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft hiertegen aangevoerd dat bestreden besluit 2 in strijd is met het evenredigheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel. Volgens appellant is een matiging van de terugvordering met 50% niet redelijk. Appellant heeft niet bewust de inlichtingenplicht geschonden, hij heeft zich nooit gerealiseerd dat hij te veel toeslag ontving. Een terugvordering van € 12.000,- is voor appellant nog steeds een te grote financiële last, ook omdat hij in een strafzaak is veroordeeld tot vergoeding van schade tot een bedrag van € 10.000,-. Als appellant uit detentie komt, zal hij nog vijf jaar lang moeten aflossen. Dit is geen evenredige uitkomst. Ter onderbouwing van zijn beroep op het vertrouwensbeginsel heeft appellant aangevoerd dat het Uwv pas controle op de rechtmatigheid van de toeslag heeft uitgevoerd toen hij in detentie kwam en dat hierdoor het bedrag van de terugvordering verder is opgelopen. In 2011 heeft het Uwv appellant al binnen een paar maanden laten weten dat hij te veel toeslag had ontvangen en dat hij dit moest terugbetalen. Het Uwv heeft toen wel alert gereageerd. Gelet hierop mocht appellant ervan uitgaan dat als hij opnieuw te veel toeslag zou ontvangen, hij dit weer binnen korte termijn van het Uwv zou vernemen. Omdat dit niet is gebeurd, mocht appellant erop vertrouwen dat hij een juist bedrag aan toeslag ontving.



Het standpunt van het Uwv



4. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het Uwv heeft opgemerkt dat bij bestreden besluit 2 is overwogen dat in de aangevoerde gevolgen van de terugvordering een dringende reden kon worden gezien die aanleiding gaf de terugvordering te matigen tot € 12.000,-. Het Uwv is echter wel bij zijn standpunt gebleven dat het ontstaan van de terugvordering uitsluitend het gevolg is van het handelen van appellant, omdat hij de inkomsten van zijn voormalige partner niet heeft doorgegeven. Het Uwv heeft daarbij verwezen naar een uitspraak van de Raad van 6 maart 2025. In deze uitspraak heeft de Raad overwogen dat het ontstaan van de terugvordering uitsluitend het gevolg is van het handelen van de betreffende persoon, aangezien hij wijzigingen in zijn situatie ten onrechte niet heeft doorgegeven aan het Uwv. Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, geeft voor het Uwv geen aanleiding om de terugvordering verder te verlagen. Appellant wist of had kunnen weten dat hij het inkomen van zijn voormalige partner moest doorgeven aan het Uwv. Daarnaast acht het Uwv de gehalveerde terugvordering niet onevenredig.




Het oordeel van de Raad


5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht bestreden besluit 2 over de terugvordering van de te veel betaalde toeslag in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.



5.1.
De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.



5.2.
Niet in geschil is dat appellant over de periode van 1 augustus 2018 tot en met 31 januari 2023 te veel toeslag heeft ontvangen. Op grond van artikel 20, eerste lid, van de TW is het Uwv verplicht de onverschuldigd betaalde toeslag van appellant terug te vorderen. Een (verwijtbare) schending van de inlichtingenplicht is voor terugvordering geen voorwaarde. Het Uwv kan op grond van dringende redenen besluiten om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.



5.3.
Bij zijn tussenuitspraak van 18 april 2024 heeft de Raad zijn uitleg van de dringende reden verruimd. De Raad ziet het begrip dringende reden (voortaan) als een open norm waarbinnen het Uwv, tegenover het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald, de relevante feiten en omstandigheden zodanig moet afwegen dat die afweging een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zal kunnen doorstaan. Daarbij moet niet alleen rekening worden gehouden met de gevolgen van de herziening en terugvordering, maar ook met de oorzaak daarvan. Voor zover de beroepsgronden daartoe aanleiding geven, zal de bestuursrechter een herzienings- of terugvorderingsbesluit dat een dergelijke belangenafweging bevat, voortaan toetsen op geschiktheid, noodzakelijkheid en evenwichtigheid, waarbij de uitkomst niet onevenredig mag zijn. Als uitgangspunt geldt daarbij dat de wetgever heeft gekozen voor een systeem van verplichte herziening en terugvordering, indien achteraf blijkt dat een recht op uitkering niet op de juiste wijze is vastgesteld. Voor wat betreft herzienings- en terugvorderingsbesluiten, genomen door het Uwv, geldt dat de toetsing van de bestuursrechter, gelet op de aard van de betrokken belangen en de geringe mate van beleidsruimte van het Uwv, op het punt van de evenwichtigheid intensief zal zijn.



5.4.
Geoordeeld wordt dat het Uwv met bestreden besluit 2 zowel bij de oorzaak als bij de gevolgen van de terugvordering alle relevante feiten en omstandigheden bij de beoordeling van de dringende reden voldoende heeft meegewogen. Het Uwv heeft hierin geen aanleiding hoeven zien om op grond van een dringende reden de terugvordering verder te matigen. Hiertoe wordt het volgende overwogen.



5.5.
Wat betreft de oorzaak van de terugvordering is de Raad van oordeel dat het Uwv geen aandeel heeft gehad in het ontstaan van de terugvordering. Het Uwv wordt gevolgd in zijn standpunt dat appellant wist dat hij de inkomsten van zijn voormalige partner moest doorgeven aan het Uwv, omdat deze van invloed kunnen zijn op het recht op en de hoogte van de toeslag. Daar komt bij dat al een keer in 2011 de toeslag op zijn WIA-uitkering is beëindigd en teruggevorderd en daarbij zelfs een boete is opgelegd wegens het niet doorgeven van inkomsten van zijn voormalige partner. In het intrekkings- en terugvorderingsbesluit van 6 mei 2011 is expliciet vermeld dat appellant wijzigingen in zijn inkomen of het inkomen van zijn partner moet doorgeven aan het Uwv. Nu appellant wist dat de inkomsten van zijn voormalige partner van invloed zijn op het recht op toeslag en de hoogte daarvan en hij deze inkomsten niet heeft doorgegeven aan het Uwv, ligt de oorzaak van de terugvordering volledig bij appellant. Appellant wordt niet gevolgd in zijn standpunt dat de oorzaak van de terugvordering (mede) aan het Uwv is te wijten, omdat het Uwv geen controles heeft uitgevoerd op de rechtmatigheid van de aan hem betaalde toeslag. Het feit dat het Uwv niet eerder dan in januari 2023 de rechtmatigheid van de aan appellant toegekende toeslag heeft gecontroleerd, ontslaat appellant niet van zijn verplichting om uit eigen beweging relevante wijzigingen door te geven.


5.5.1.
Het Uwv heeft in de persoonlijke, met name zijn financiële, omstandigheden van appellant aanleiding gezien om de terugvordering met de helft te matigen. Hiermee heeft het Uwv voldoende gewicht toegekend aan de financiële gevolgen van de terugvordering voor appellant. Daarbij heeft het Uwv nog opgemerkt dat appellant na afloop van zijn detentie kan verzoeken om heropening van zijn WIA-uitkering en dat appellant – als hij meer inkomen heeft – bij de invordering de bescherming geniet van de beslagvrije voet. De uitkomst van de door het Uwv in bestreden besluit 2 gemaakte belangenafweging acht de Raad niet onevenredig.




5.6.
Het beroep van appellant op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat de betrokkene aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen. Appellant wordt niet gevolgd in zijn standpunt dat hij erop mocht vertrouwen dat hij een juist bedrag aan toeslag ontving, zolang hij geen bericht van het Uwv ontving. Zoals is geoordeeld in overweging 5.5, wist appellant dat de inkomsten van zijn voormalige partner moesten worden doorgegeven aan het Uwv. Dit geldt te meer gelet op het feit dat aan appellant in 2011 een boete ter zake het niet doorgeven van inkomsten is opgelegd.





Conclusie en gevolgen


5.7.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de terugvordering van de te veel betaalde toeslag in stand blijft.


6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten.






BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevallen.




Deze uitspraak is gedaan door S. Wijna als voorzitter en M.E. Fortuin en L.A. Kjellevold als leden, in tegenwoordigheid van C.C.T. Yao als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2026.





. (getekend) S. Wijna




De griffier is verhinderd te ondertekenen.









Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels



Toeslagenwet



Artikel 6



1. Als inkomen wordt aangemerkt:
a. voor een gehuwde: de som van het inkomen uit arbeid of overig inkomen van hemzelf en van zijn echtgenoot;


[…]





Artikel 20



1. De toeslag die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 11a of 14 onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt door het Uwv teruggevorderd.


[…]


5. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het Uwv besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.


Zie de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 3 juli 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:4052.


Zie de uitspraak van de Raad van 18 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:726.


Zie de uitspraak van de Raad van 6 maart 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:347.


Zie de uitspraak van de Raad van 18 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:726.


Zie de uitspraak van de Raad van 4 maart 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:559.