Centrale Raad van Beroep
ECLI:NL:CRVB:2026:1111
2026-08-26
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
24/1935 WIA
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep.
Citeert (1)
- ECLI:NL:CRVB:2021:3010 Centrale Raad van Beroep 01-12-2021
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (5.490 tekens)
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
24/1935 WIA
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 9 juli 2024, 23/1941 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 26 augustus 2026
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. L.H.E. Sweers, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Appellante heeft het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), heeft de Raad, nadat partijen niet te kennen hebben gegeven gebruik te willen maken van het recht om ter zitting te worden gehoord, de zaak niet op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten.
OVERWEGINGEN
Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Appellante heeft het hoger beroep ingetrokken nadat het Uwv heeft besloten tot intrekking van het bestreden besluit. Met die intrekking is aan appellante tegemoetgekomen.
Aangezien de rechtbank bij de aangevallen uitspraak reeds heeft beslist ten aanzien van de proceskosten in verband met de procedure in beroep, staat nog slechts ter beoordeling de kosten die appellante in verband met de behandeling van het bezwaar en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.
De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 1.332,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting, met een waarde van € 666,- per punt) en € 934,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift, met een waarde van € 934,- per punt). In totaal bedragen de te vergoeden proceskosten voor verleende rechtsbijstand € 2.266,-.
Verder heeft appellante verzocht om vergoeding van de kosten voor het inschakelen van de deskundigen. De Raad is, mede op basis van wat het Uwv heeft opgemerkt in de reactie van 10 februari 2026, van oordeel dat het proceskostenverzoek slechts gedeeltelijk voor toewijzing in aanmerking komt. De op de specificaties van de factuur genoemde posten ‘Dossieraanmaak en planning’ en ‘Afronding rapportage expertise’ komen niet voor vergoeding in aanmerking, omdat artikel 1 van het Bpb niet in deze kosten voorziet. Ten aanzien van de post ‘Dossierstudie, reistijd, onderzoek exp’ (305 minuten) wordt overwogen dat reistijd niet voor vergoeding in aanmerking komt omdat artikel 1 van het Bpb niet in deze kosten voorziet. De Raad acht een vergoeding van de kosten voor 2 uur dossierstudie redelijk. Voorts blijkt uit het rapport van 3 februari 2025 dat het onderzoek twee uur en 25 minuten heeft geduurd. Zoals de Raad eerder heeft overwogen houden de werkzaamheden ten behoeve van ‘Inzage en correctierecht’ verband met de rapportage zelf en komen deze daarom wel voor vergoeding in aanmerking. Uren van de ingeschakelde deskundige komen alleen voor vergoeding in aanmerking tegen het in het Besluit tarieven in strafzaken 2003 (Bts) vermelde uurtarief. Op grond van artikel 6 van het Bts gold in 2025 een uurtarief van ten hoogste € 162,63 per uur. De door het Uwv te vergoeden proceskosten voor de ingeschakelde verzekeringsarts van 1MA bedragen daarmee: 11 uur x € 162,63 = € 1.788,93 (exclusief 21% btw). Inclusief btw is de vergoeding € 2.164,61.
Het totale bedrag aan voor vergoeding door het Uwv in aanmerking komende proceskosten bedraagt daarmee € 4.430,61.
Ook dient het Uwv het door appellante in hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van € 4.430,61;
bepaalt dat het Uwv het door appellante in hoger beroep betaalde griffierecht van € 138,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2026.
(getekend) H.G. Rottier
(getekend) M.D.F. de Moor
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 1 december 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:3010.
Enkelvoudige kamer
24/1935 WIA
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 9 juli 2024, 23/1941 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 26 augustus 2026
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. L.H.E. Sweers, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Appellante heeft het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), heeft de Raad, nadat partijen niet te kennen hebben gegeven gebruik te willen maken van het recht om ter zitting te worden gehoord, de zaak niet op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten.
OVERWEGINGEN
Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Appellante heeft het hoger beroep ingetrokken nadat het Uwv heeft besloten tot intrekking van het bestreden besluit. Met die intrekking is aan appellante tegemoetgekomen.
Aangezien de rechtbank bij de aangevallen uitspraak reeds heeft beslist ten aanzien van de proceskosten in verband met de procedure in beroep, staat nog slechts ter beoordeling de kosten die appellante in verband met de behandeling van het bezwaar en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.
De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 1.332,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting, met een waarde van € 666,- per punt) en € 934,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift, met een waarde van € 934,- per punt). In totaal bedragen de te vergoeden proceskosten voor verleende rechtsbijstand € 2.266,-.
Verder heeft appellante verzocht om vergoeding van de kosten voor het inschakelen van de deskundigen. De Raad is, mede op basis van wat het Uwv heeft opgemerkt in de reactie van 10 februari 2026, van oordeel dat het proceskostenverzoek slechts gedeeltelijk voor toewijzing in aanmerking komt. De op de specificaties van de factuur genoemde posten ‘Dossieraanmaak en planning’ en ‘Afronding rapportage expertise’ komen niet voor vergoeding in aanmerking, omdat artikel 1 van het Bpb niet in deze kosten voorziet. Ten aanzien van de post ‘Dossierstudie, reistijd, onderzoek exp’ (305 minuten) wordt overwogen dat reistijd niet voor vergoeding in aanmerking komt omdat artikel 1 van het Bpb niet in deze kosten voorziet. De Raad acht een vergoeding van de kosten voor 2 uur dossierstudie redelijk. Voorts blijkt uit het rapport van 3 februari 2025 dat het onderzoek twee uur en 25 minuten heeft geduurd. Zoals de Raad eerder heeft overwogen houden de werkzaamheden ten behoeve van ‘Inzage en correctierecht’ verband met de rapportage zelf en komen deze daarom wel voor vergoeding in aanmerking. Uren van de ingeschakelde deskundige komen alleen voor vergoeding in aanmerking tegen het in het Besluit tarieven in strafzaken 2003 (Bts) vermelde uurtarief. Op grond van artikel 6 van het Bts gold in 2025 een uurtarief van ten hoogste € 162,63 per uur. De door het Uwv te vergoeden proceskosten voor de ingeschakelde verzekeringsarts van 1MA bedragen daarmee: 11 uur x € 162,63 = € 1.788,93 (exclusief 21% btw). Inclusief btw is de vergoeding € 2.164,61.
Het totale bedrag aan voor vergoeding door het Uwv in aanmerking komende proceskosten bedraagt daarmee € 4.430,61.
Ook dient het Uwv het door appellante in hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van € 4.430,61;
bepaalt dat het Uwv het door appellante in hoger beroep betaalde griffierecht van € 138,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2026.
(getekend) H.G. Rottier
(getekend) M.D.F. de Moor
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 1 december 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:3010.