Centrale Raad van Beroep
ECLI:NL:CRVB:2026:1109
2026-08-26
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
25/567 WAJONG
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Vaststelling hoogte Wajong-uitkering over het jaar 2021. Het Uwv heeft terecht geen garantiebedrag vastgesteld omdat betrokkene niet voldoet aan de voorwaarde dat hij in zowel december 2020 als in januari 20221 inkomen moet hebben gehad, nu uit de gegevens van de Belastingdienst blijkt dat hij in 2020 een negatief bedrijfsresultaat heeft gehad. Terugvordering van de ten onrechte uitbetaalde voorschotten per januari 2021. Betrokkene heeft een fiscale winst genoten uit zijn onderneming over het belastingjaar 2021.
Citeert (2)
- ECLI:NL:CRVB:2025:4 Centrale Raad van Beroep 08-01-2025
- ECLI:NL:CRVB:2024:726 Centrale Raad van Beroep 18-04-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (16.619 tekens)
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
25/567 WAJONG
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 17 februari 2025, 23/6472 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)
Datum uitspraak: 26 augustus 2026
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over vaststelling van de hoogte van de Wajong-uitkering van betrokkene over het jaar 2021, over de terugvordering van ten onrechte betaalde voorschotten en over het vaststellen van een garantiebedrag. Volgens betrokkene en naar het oordeel van de rechtbank had het Uwv voor hem een garantiebedrag moeten vaststellen. De Raad volgt betrokkene niet in zijn standpunt en vernietigt de aangevallen uitspraak waarin anders is beslist.
PROCESVERLOOP
Het Uwv heeft hoger beroep ingesteld.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 3 juni 2026 door middel van videobellen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.P. HeijnenVeldman. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. P.L.O. van de Waarsenburg, advocaat.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Betrokkene ontvangt sinds 26 augustus 2013 een uitkering op grond van Hoofdstuk 2 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Op 11 maart 2021 heeft betrokkene doorgegeven dat hij zich in 2020 heeft ingeschreven bij de Kamer van Koophandel, dat hij op dat moment nog geen inkomsten heeft en medio april 2021 verwacht te starten met zijn bedrijf. Bij besluit van 19 maart 2021 heeft het Uwv aan betrokkene een voorschot op zijn Wajong-uitkering van € 1.179,29 bruto per maand toegekend op basis van geschatte inkomsten van € 0,- bruto per jaar vanaf 1 april 2021. Bij besluit van 21 juni 2022 heeft het Uwv de Wajong-uitkering van betrokkene over het jaar 2020 definitief vastgesteld. Daarbij is voor de inkomsten van betrokkene uitgegaan van de door de Belastingdienst over het jaar 2020 vastgestelde fiscale winst van € 0,-.
1.2.
Bij besluit van 12 juli 2023 heeft het Uwv de hoogte van de Wajong-uitkering van betrokkene over 2021 vastgesteld, nadat het Uwv de definitieve aanslag inkomstenbelasting over 2021 van de Belastingdienst had ontvangen. Daarnaast is vastgesteld dat betrokkene niet in aanmerking komt voor een garantiebedrag, omdat hij in december 2020 geen inkomsten had naast zijn uitkering. Betrokkene had in 2021 wel inkomsten naast zijn Wajong-uitkering. Het Uwv heeft de door betrokkene in 2021 te veel ontvangen Wajonguitkering ter hoogte van € 12.285,30 bruto teruggevorderd en het voorschot op de Wajong-uitkering per 1 januari 2022 vastgesteld op € 1.207,56 bruto per maand.
1.3.
Bij beslissing op bezwaar van 30 augustus 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen dit besluit ongegrond verklaard. Daarbij is toegelicht dat betrokkene niet in aanmerking komt voor een garantiebedrag, omdat hij niet voldoet aan de voorwaarde dat hij in zowel december 2020 als in januari 20221 inkomen moet hebben gehad, nu uit de gegevens van de Belastingdienst blijkt dat hij in 2020 een negatief bedrijfsresultaat heeft gehad. De terugvordering is ontstaan omdat betrokkene in 2021 een fiscale winst van € 17.551,- heeft gemaakt.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van de aangevallen uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft beoordeeld of het Uwv op goede gronden heeft vastgesteld dat betrokkene in 2021 niet in aanmerking komt voor het garantiebedrag en in het verlengde daarvan of het Uwv de definitieve Wajong-uitkering over 2021 juist heeft vastgesteld. Ook heeft de rechtbank beoordeeld of het Uwv terecht heeft besloten dat betrokkene te veel voorschot heeft ontvangen en dit moet terugbetalen. De rechtbank heeft overwogen dat voor de beoordeling van de vraag of het Uwv terecht geen garantiebedrag heeft vastgesteld, moet worden beoordeeld of betrokkene in december 2020 inkomen heeft genoten. Naar het oordeel van de rechtbank had betrokkene wel inkomen in december 2020. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat als sprake is van een negatief bedrag aan winst, zoals in het geval van betrokkene, het inkomen op grond van artikel 3:2, tweede lid, van het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten (AIB) op nihil wordt gesteld. Deze nihilstelling laat volgens de rechtbank onverlet dat ook in dat geval sprake is van inkomen volgens de definitie van het AIB. Naar het oordeel van de rechtbank betekent dit dat het Uwv op onjuiste gronden bij de definitieve vaststelling van de Wajong-uitkering van betrokkene over het jaar 2021 heeft bepaald dat betrokkene geen recht heeft op een garantiebedrag op grond van artikel 8:8. eerste lid, onderdeel a, van de Wajong. Daarmee heeft het Uwv eveneens op onjuiste gronden een bedrag van € 12.285.30 bruto aan te veel verstrekt voorschot van betrokkene teruggevorderd. Omdat het bestreden besluit om deze redenen naar het oordeel van de rechtbank geen stand kan houden, is de rechtbank aan de beoordeling van wat betrokkene nog meer heeft aangevoerd niet toegekomen.
Het standpunt van het Uwv
3. Het Uwv is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Het Uwv heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat de rechtbank niet het AIB, maar de regeling voor het garantiebedrag, neergelegd in artikel 8:8 van de Wajong, als uitgangspunt had moeten nemen. Met de Wet vereenvoudiging Wajong is een geharmoniseerde regeling van de rekenregels voor inkomensondersteuning doorgevoerd. Om te voorkomen dat een werkende jonggehandicapte er als direct gevolg van deze nieuwe rekenregels per 1 januari 2021 in totaalinkomen op achteruit gaat, stelt het Uwv een individueel garantiebedrag vast. Als een jonggehandicapte geen inkomen geniet voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet vereenvoudiging Wajong, kan volgens het Uwv niet worden gesteld dat er vanwege de nieuwe rekenregels sprake is van een eventuele achteruitgang. Nu betrokkene in 2020 een negatief bedrijfsresultaat had, heeft hij in december 2020 materieel geen inkomen genoten, en voldoet betrokkene volgens het Uwv dus niet aan de vereisten voor het recht op een garantiebedrag. Het Uwv stelt zich op het standpunt dat het terug te vorderen bedrag dan ook juist is vastgesteld en verzoekt de uitspraak van de rechtbank te vernietigen.
Het standpunt van betrokkene
4. Betrokkene heeft gevraagd om de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Het oordeel van de Raad
5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de hoogte van de Wajong-uitkering van betrokkene over 2021, de terugvordering van de ten onrechte uitbetaalde voorschotten en het garantiebedrag heeft vernietigd aan de hand van wat het Uwv in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep slaagt. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
5.1.
Tussen partijen is allereerst in geschil of het Uwv voor betrokkene een garantiebedrag had moeten vaststellen.
5.2.
Op 1 januari 2021 is de Wet vereenvoudiging Wajong in werking getreden. Met deze wet heeft onder meer een harmonisatie plaatsgevonden van de verschillende rekenregels voor inkomensondersteuning. Om te voorkomen dat een werkende jonggehandicapte er als direct gevolg van deze nieuwe rekenregels per 1 januari 2021 in totaalinkomen op achteruit gaat, dient door het Uwv op grond van artikel 8:8 van de Wajong een individueel garantiebedrag te worden vastgesteld. In het geval dat de inkomensondersteuning voor jonggehandicapten op basis van de nieuwe regels lager uitvalt dan de hoogte van het individuele garantiebedrag, ontvangen zij een uitkering ter hoogte van dit garantiebedrag.
5.3.
De rechtbank wordt niet gevolgd in haar standpunt dat ook bij een negatief inkomen over 2020 door het Uwv een garantiebedrag moet worden vastgesteld. Het Uwv heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat van een door de wetgever bedoelde achteruitgang als direct gevolg van de nieuwe rekenregels alleen sprake kan zijn als een jonggehandicapte in december 2020 inkomen genoot dat op grond van de oude rekenregels gekort werd op zijn Wajong-uitkering en toepassing van de nieuwe rekenregels per 1 januari 2021 tot een lager totaalinkomen zou leiden. Vaststaat dat op de Wajong-uitkering van betrokkene in december 2020 geen inkomsten zijn gekort omdat de Belastingdienst over het belastingjaar 2020 voor betrokkene een negatief bedrijfsresultaat heeft vastgesteld. Betrokkene ondervindt daarmee per 1 januari 2021 geen (direct) nadeel van invoering van de nieuwe rekenregels. Dat betrokkene in de maand december 2020 werkzaamheden in zijn onderneming heeft verricht, waarvan de inkomsten naar zijn zeggen hoger waren dan de kosten, betekent niet dat hij voor de toepassing van artikel 8:8, eerste lid en onder a, Wajong in die maand ook inkomen heeft genoten. Op grond van artikel 2:6 van de Wajong, gelezen in samenhang met artikel 2:2, eerste lid onder d, van het AIB, is hiervoor immers de belastbare winst uit onderneming over het jaar 2020 bepalend. Aangezien betrokkene niet voldoet aan de voorwaarde als bedoeld in artikel 8:8, eerste lid onder a, van de Wajong heeft het Uwv voor hem terecht geen garantiebedrag vastgesteld.
5.4.
Hieruit volgt dat de rechtbank het beroep ten onrechte gegrond heeft verklaard. De Raad zal de beroepsgronden beoordelen die de rechtbank niet heeft beoordeeld.
5.5.
Het Uwv is op grond van artikel 2:59, eerste lid, van de Wajong in beginsel gehouden om het bedrag aan te veel ontvangen voorschotten van betrokkene terug te vorderen. Alleen als daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kan het Uwv op grond van artikel 2:59, vijfde lid, van de Wajong besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
5.6.
De oorzaak van de terugvordering per januari 2021 is de winst die betrokkene heeft genoten uit zijn onderneming over het belastingjaar 2021. Vastgesteld wordt dat betrokkene over de hoogte van het terugvorderingsbedrag geen afzonderlijke beroepsgronden heeft aangevoerd. De rechtbank heeft partijen gevraagd te reageren op de uitspraak van de Raad van 18 april 2024. In deze tussenuitspraak heeft de Raad zijn uitleg van de dringende reden verruimd, in die zin dat (ook) betekenis toekomt aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Niet alleen moet rekening worden gehouden met de gevolgen van de terugvordering, maar ook met de oorzaak daarvan. Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat betrokkene zowel in bezwaar als in beroep geen feiten en/of omstandigheden heeft aangevoerd die maken dat – volgens hem – sprake is van een dringende reden. Uit de stukken heeft het Uwv ook niet afgeleid dat sprake is van zodanige financiële of sociale gevolgen waardoor sprake is van een dringende reden, waarbij het Uwv heeft aangetekend dat met betrokkene een betalingsregeling is getroffen. Betrokkene heeft hierover alleen aangevoerd dat het Uwv verzuimd heeft een onderzoek te doen naar eventuele dringende redenen, maar heeft in het geheel niet onderbouwd waarom die zich in zijn geval voordoen. De Raad is van oordeel dat het Uwv in de situatie van betrokkene bij de beoordeling van de dringende reden zowel bij de oorzaak als bij de gevolgen van de terugvordering alle relevante feiten en omstandigheden voldoende heeft meegewogen, en terecht geen aanleiding heeft gezien op grond van een dringende reden geheel of gedeeltelijk van de terugvordering af te zien.
5.7.
Geconcludeerd wordt dat het Uwv terecht geen garantiebedrag heeft vastgesteld en de definitieve hoogte van de Wajong-uitkering van betrokkene over 2021 juist heeft vastgesteld. Daarvan uitgaande heeft het Uwv terecht vastgesteld dat betrokkene in 2021 een bedrag van € 12.285,30 bruto te veel aan voorschot heeft ontvangen en dat hij dat bedrag moet terugbetalen.
Conclusie en gevolgen
6. Het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak wordt vernietigd en het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit wordt alsnog ongegrond verklaard. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Omdat het hoger beroep van het Uwv slaagt, hoeft het Uwv de bij de rechtbank gemaakte proceskosten en het betaalde griffierecht en de in hoger beroep gemaakte proceskosten van betrokkene niet te vergoeden.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door S.B. Smit-Colenbrander als voorzitter en F.M. Rijnbeek en L.A. Kjellevold als leden, in tegenwoordigheid van B. Uçurum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2026.
(getekend) S.B. Smit-Colenbrander
(getekend) B. Uçurum
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
Artikel 2:59 van de Wajong (Terugvordering)
1. Een inkomensvoorziening die op grond van dit hoofdstuk onverschuldigd is betaald, hetgeen als gevolg van een beschikking als bedoeld in artikel 2:58 door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen onverschuldigd is betaald of verstrekt, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen teruggevorderd. (…)
5. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
Artikel 8:8, van de Wajong (Garantiebedrag)
1. Het Uwv stelt een garantiebedrag vast voor de jonggehandicapte die:
a. in de maand voor inwerkingtreding van artikel I, onderdelen S, W, Z, AA en BB van de wet van 27 mei 2020 tot wijziging van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten en enkele andere wetten in verband met verdere activering van de participatie van jonggehandicapten en het harmoniseren van de verschillende regimes Wajong (Stb. 2020, 173) inkomen geniet en in de daaropvolgende maand nog steeds inkomen geniet; (…)
2. Het garantiebedrag wordt vastgesteld aan de hand van de berekeningswijze behorende bij de inkomensvoorziening of arbeidsongeschiktheidsuitkering waarop de jonggehandicapte op grond van de hoofdstukken 2 en 3, zoals die luidden op de dag voor inwerkingtreding van artikel I, onderdelen S, W, Z, AA en BB, van de in het eerste lid, onderdeel a, genoemde wet of artikel XII, onderdeel R, van de Verzamelwet SZW 2021 recht zou hebben gehad in de maand van inwerkingtreding van:
a. artikel I, onderdelen S, W, Z, AA en BB, van de in het eerste lid, onderdeel a, genoemde wet, waarbij het inkomen in afwijking van de betreffende artikelen staat voor het gemiddelde inkomen per dag over een bij algemene maatregel van bestuur bepaalde periode, die voor verschillende situaties verschillend kan worden vastgesteld; (…)
4. De jonggehandicapte, bedoeld in het eerste lid, heeft recht op een inkomensvoorziening of een arbeidsongeschiktheidsuitkering ter hoogte van het garantiebedrag wanneer de inkomensvoorziening of de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van artikel 2:40, 2:46, 3:8 of 3:8b, het garantiebedrag niet te boven gaat.
Zie de uitspraak van de Raad van 8 januari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:4.
Zie de uitspraak van de Raad van 18 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:726.
Meervoudige kamer
25/567 WAJONG
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 17 februari 2025, 23/6472 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)
Datum uitspraak: 26 augustus 2026
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over vaststelling van de hoogte van de Wajong-uitkering van betrokkene over het jaar 2021, over de terugvordering van ten onrechte betaalde voorschotten en over het vaststellen van een garantiebedrag. Volgens betrokkene en naar het oordeel van de rechtbank had het Uwv voor hem een garantiebedrag moeten vaststellen. De Raad volgt betrokkene niet in zijn standpunt en vernietigt de aangevallen uitspraak waarin anders is beslist.
PROCESVERLOOP
Het Uwv heeft hoger beroep ingesteld.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 3 juni 2026 door middel van videobellen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.P. HeijnenVeldman. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. P.L.O. van de Waarsenburg, advocaat.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Betrokkene ontvangt sinds 26 augustus 2013 een uitkering op grond van Hoofdstuk 2 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Op 11 maart 2021 heeft betrokkene doorgegeven dat hij zich in 2020 heeft ingeschreven bij de Kamer van Koophandel, dat hij op dat moment nog geen inkomsten heeft en medio april 2021 verwacht te starten met zijn bedrijf. Bij besluit van 19 maart 2021 heeft het Uwv aan betrokkene een voorschot op zijn Wajong-uitkering van € 1.179,29 bruto per maand toegekend op basis van geschatte inkomsten van € 0,- bruto per jaar vanaf 1 april 2021. Bij besluit van 21 juni 2022 heeft het Uwv de Wajong-uitkering van betrokkene over het jaar 2020 definitief vastgesteld. Daarbij is voor de inkomsten van betrokkene uitgegaan van de door de Belastingdienst over het jaar 2020 vastgestelde fiscale winst van € 0,-.
1.2.
Bij besluit van 12 juli 2023 heeft het Uwv de hoogte van de Wajong-uitkering van betrokkene over 2021 vastgesteld, nadat het Uwv de definitieve aanslag inkomstenbelasting over 2021 van de Belastingdienst had ontvangen. Daarnaast is vastgesteld dat betrokkene niet in aanmerking komt voor een garantiebedrag, omdat hij in december 2020 geen inkomsten had naast zijn uitkering. Betrokkene had in 2021 wel inkomsten naast zijn Wajong-uitkering. Het Uwv heeft de door betrokkene in 2021 te veel ontvangen Wajonguitkering ter hoogte van € 12.285,30 bruto teruggevorderd en het voorschot op de Wajong-uitkering per 1 januari 2022 vastgesteld op € 1.207,56 bruto per maand.
1.3.
Bij beslissing op bezwaar van 30 augustus 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen dit besluit ongegrond verklaard. Daarbij is toegelicht dat betrokkene niet in aanmerking komt voor een garantiebedrag, omdat hij niet voldoet aan de voorwaarde dat hij in zowel december 2020 als in januari 20221 inkomen moet hebben gehad, nu uit de gegevens van de Belastingdienst blijkt dat hij in 2020 een negatief bedrijfsresultaat heeft gehad. De terugvordering is ontstaan omdat betrokkene in 2021 een fiscale winst van € 17.551,- heeft gemaakt.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van de aangevallen uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft beoordeeld of het Uwv op goede gronden heeft vastgesteld dat betrokkene in 2021 niet in aanmerking komt voor het garantiebedrag en in het verlengde daarvan of het Uwv de definitieve Wajong-uitkering over 2021 juist heeft vastgesteld. Ook heeft de rechtbank beoordeeld of het Uwv terecht heeft besloten dat betrokkene te veel voorschot heeft ontvangen en dit moet terugbetalen. De rechtbank heeft overwogen dat voor de beoordeling van de vraag of het Uwv terecht geen garantiebedrag heeft vastgesteld, moet worden beoordeeld of betrokkene in december 2020 inkomen heeft genoten. Naar het oordeel van de rechtbank had betrokkene wel inkomen in december 2020. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat als sprake is van een negatief bedrag aan winst, zoals in het geval van betrokkene, het inkomen op grond van artikel 3:2, tweede lid, van het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten (AIB) op nihil wordt gesteld. Deze nihilstelling laat volgens de rechtbank onverlet dat ook in dat geval sprake is van inkomen volgens de definitie van het AIB. Naar het oordeel van de rechtbank betekent dit dat het Uwv op onjuiste gronden bij de definitieve vaststelling van de Wajong-uitkering van betrokkene over het jaar 2021 heeft bepaald dat betrokkene geen recht heeft op een garantiebedrag op grond van artikel 8:8. eerste lid, onderdeel a, van de Wajong. Daarmee heeft het Uwv eveneens op onjuiste gronden een bedrag van € 12.285.30 bruto aan te veel verstrekt voorschot van betrokkene teruggevorderd. Omdat het bestreden besluit om deze redenen naar het oordeel van de rechtbank geen stand kan houden, is de rechtbank aan de beoordeling van wat betrokkene nog meer heeft aangevoerd niet toegekomen.
Het standpunt van het Uwv
3. Het Uwv is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Het Uwv heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat de rechtbank niet het AIB, maar de regeling voor het garantiebedrag, neergelegd in artikel 8:8 van de Wajong, als uitgangspunt had moeten nemen. Met de Wet vereenvoudiging Wajong is een geharmoniseerde regeling van de rekenregels voor inkomensondersteuning doorgevoerd. Om te voorkomen dat een werkende jonggehandicapte er als direct gevolg van deze nieuwe rekenregels per 1 januari 2021 in totaalinkomen op achteruit gaat, stelt het Uwv een individueel garantiebedrag vast. Als een jonggehandicapte geen inkomen geniet voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet vereenvoudiging Wajong, kan volgens het Uwv niet worden gesteld dat er vanwege de nieuwe rekenregels sprake is van een eventuele achteruitgang. Nu betrokkene in 2020 een negatief bedrijfsresultaat had, heeft hij in december 2020 materieel geen inkomen genoten, en voldoet betrokkene volgens het Uwv dus niet aan de vereisten voor het recht op een garantiebedrag. Het Uwv stelt zich op het standpunt dat het terug te vorderen bedrag dan ook juist is vastgesteld en verzoekt de uitspraak van de rechtbank te vernietigen.
Het standpunt van betrokkene
4. Betrokkene heeft gevraagd om de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Het oordeel van de Raad
5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de hoogte van de Wajong-uitkering van betrokkene over 2021, de terugvordering van de ten onrechte uitbetaalde voorschotten en het garantiebedrag heeft vernietigd aan de hand van wat het Uwv in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep slaagt. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
5.1.
Tussen partijen is allereerst in geschil of het Uwv voor betrokkene een garantiebedrag had moeten vaststellen.
5.2.
Op 1 januari 2021 is de Wet vereenvoudiging Wajong in werking getreden. Met deze wet heeft onder meer een harmonisatie plaatsgevonden van de verschillende rekenregels voor inkomensondersteuning. Om te voorkomen dat een werkende jonggehandicapte er als direct gevolg van deze nieuwe rekenregels per 1 januari 2021 in totaalinkomen op achteruit gaat, dient door het Uwv op grond van artikel 8:8 van de Wajong een individueel garantiebedrag te worden vastgesteld. In het geval dat de inkomensondersteuning voor jonggehandicapten op basis van de nieuwe regels lager uitvalt dan de hoogte van het individuele garantiebedrag, ontvangen zij een uitkering ter hoogte van dit garantiebedrag.
5.3.
De rechtbank wordt niet gevolgd in haar standpunt dat ook bij een negatief inkomen over 2020 door het Uwv een garantiebedrag moet worden vastgesteld. Het Uwv heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat van een door de wetgever bedoelde achteruitgang als direct gevolg van de nieuwe rekenregels alleen sprake kan zijn als een jonggehandicapte in december 2020 inkomen genoot dat op grond van de oude rekenregels gekort werd op zijn Wajong-uitkering en toepassing van de nieuwe rekenregels per 1 januari 2021 tot een lager totaalinkomen zou leiden. Vaststaat dat op de Wajong-uitkering van betrokkene in december 2020 geen inkomsten zijn gekort omdat de Belastingdienst over het belastingjaar 2020 voor betrokkene een negatief bedrijfsresultaat heeft vastgesteld. Betrokkene ondervindt daarmee per 1 januari 2021 geen (direct) nadeel van invoering van de nieuwe rekenregels. Dat betrokkene in de maand december 2020 werkzaamheden in zijn onderneming heeft verricht, waarvan de inkomsten naar zijn zeggen hoger waren dan de kosten, betekent niet dat hij voor de toepassing van artikel 8:8, eerste lid en onder a, Wajong in die maand ook inkomen heeft genoten. Op grond van artikel 2:6 van de Wajong, gelezen in samenhang met artikel 2:2, eerste lid onder d, van het AIB, is hiervoor immers de belastbare winst uit onderneming over het jaar 2020 bepalend. Aangezien betrokkene niet voldoet aan de voorwaarde als bedoeld in artikel 8:8, eerste lid onder a, van de Wajong heeft het Uwv voor hem terecht geen garantiebedrag vastgesteld.
5.4.
Hieruit volgt dat de rechtbank het beroep ten onrechte gegrond heeft verklaard. De Raad zal de beroepsgronden beoordelen die de rechtbank niet heeft beoordeeld.
5.5.
Het Uwv is op grond van artikel 2:59, eerste lid, van de Wajong in beginsel gehouden om het bedrag aan te veel ontvangen voorschotten van betrokkene terug te vorderen. Alleen als daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kan het Uwv op grond van artikel 2:59, vijfde lid, van de Wajong besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
5.6.
De oorzaak van de terugvordering per januari 2021 is de winst die betrokkene heeft genoten uit zijn onderneming over het belastingjaar 2021. Vastgesteld wordt dat betrokkene over de hoogte van het terugvorderingsbedrag geen afzonderlijke beroepsgronden heeft aangevoerd. De rechtbank heeft partijen gevraagd te reageren op de uitspraak van de Raad van 18 april 2024. In deze tussenuitspraak heeft de Raad zijn uitleg van de dringende reden verruimd, in die zin dat (ook) betekenis toekomt aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Niet alleen moet rekening worden gehouden met de gevolgen van de terugvordering, maar ook met de oorzaak daarvan. Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat betrokkene zowel in bezwaar als in beroep geen feiten en/of omstandigheden heeft aangevoerd die maken dat – volgens hem – sprake is van een dringende reden. Uit de stukken heeft het Uwv ook niet afgeleid dat sprake is van zodanige financiële of sociale gevolgen waardoor sprake is van een dringende reden, waarbij het Uwv heeft aangetekend dat met betrokkene een betalingsregeling is getroffen. Betrokkene heeft hierover alleen aangevoerd dat het Uwv verzuimd heeft een onderzoek te doen naar eventuele dringende redenen, maar heeft in het geheel niet onderbouwd waarom die zich in zijn geval voordoen. De Raad is van oordeel dat het Uwv in de situatie van betrokkene bij de beoordeling van de dringende reden zowel bij de oorzaak als bij de gevolgen van de terugvordering alle relevante feiten en omstandigheden voldoende heeft meegewogen, en terecht geen aanleiding heeft gezien op grond van een dringende reden geheel of gedeeltelijk van de terugvordering af te zien.
5.7.
Geconcludeerd wordt dat het Uwv terecht geen garantiebedrag heeft vastgesteld en de definitieve hoogte van de Wajong-uitkering van betrokkene over 2021 juist heeft vastgesteld. Daarvan uitgaande heeft het Uwv terecht vastgesteld dat betrokkene in 2021 een bedrag van € 12.285,30 bruto te veel aan voorschot heeft ontvangen en dat hij dat bedrag moet terugbetalen.
Conclusie en gevolgen
6. Het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak wordt vernietigd en het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit wordt alsnog ongegrond verklaard. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Omdat het hoger beroep van het Uwv slaagt, hoeft het Uwv de bij de rechtbank gemaakte proceskosten en het betaalde griffierecht en de in hoger beroep gemaakte proceskosten van betrokkene niet te vergoeden.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door S.B. Smit-Colenbrander als voorzitter en F.M. Rijnbeek en L.A. Kjellevold als leden, in tegenwoordigheid van B. Uçurum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2026.
(getekend) S.B. Smit-Colenbrander
(getekend) B. Uçurum
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
Artikel 2:59 van de Wajong (Terugvordering)
1. Een inkomensvoorziening die op grond van dit hoofdstuk onverschuldigd is betaald, hetgeen als gevolg van een beschikking als bedoeld in artikel 2:58 door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen onverschuldigd is betaald of verstrekt, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen teruggevorderd. (…)
5. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
Artikel 8:8, van de Wajong (Garantiebedrag)
1. Het Uwv stelt een garantiebedrag vast voor de jonggehandicapte die:
a. in de maand voor inwerkingtreding van artikel I, onderdelen S, W, Z, AA en BB van de wet van 27 mei 2020 tot wijziging van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten en enkele andere wetten in verband met verdere activering van de participatie van jonggehandicapten en het harmoniseren van de verschillende regimes Wajong (Stb. 2020, 173) inkomen geniet en in de daaropvolgende maand nog steeds inkomen geniet; (…)
2. Het garantiebedrag wordt vastgesteld aan de hand van de berekeningswijze behorende bij de inkomensvoorziening of arbeidsongeschiktheidsuitkering waarop de jonggehandicapte op grond van de hoofdstukken 2 en 3, zoals die luidden op de dag voor inwerkingtreding van artikel I, onderdelen S, W, Z, AA en BB, van de in het eerste lid, onderdeel a, genoemde wet of artikel XII, onderdeel R, van de Verzamelwet SZW 2021 recht zou hebben gehad in de maand van inwerkingtreding van:
a. artikel I, onderdelen S, W, Z, AA en BB, van de in het eerste lid, onderdeel a, genoemde wet, waarbij het inkomen in afwijking van de betreffende artikelen staat voor het gemiddelde inkomen per dag over een bij algemene maatregel van bestuur bepaalde periode, die voor verschillende situaties verschillend kan worden vastgesteld; (…)
4. De jonggehandicapte, bedoeld in het eerste lid, heeft recht op een inkomensvoorziening of een arbeidsongeschiktheidsuitkering ter hoogte van het garantiebedrag wanneer de inkomensvoorziening of de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van artikel 2:40, 2:46, 3:8 of 3:8b, het garantiebedrag niet te boven gaat.
Zie de uitspraak van de Raad van 8 januari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:4.
Zie de uitspraak van de Raad van 18 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:726.