Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Centrale Raad van Beroep

ECLI:NL:CRVB:2026:1100

2026-08-11 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht 24/1345 PW
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2026-08-11
Publicatiedatum
2026-08-26
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
24/1345 PW
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Intrekking van bijstand. Verblijf in buitenland. Geen zeer dringende redenen. Beroep op het evenredigheidsbeginsel. Geen bijzondere omstandigheden. Appellanten hebben hun stelling dat zij verkeerden in behoeftige omstandigheden die alleen door de verlening van bijstand konden worden verholpen niet onderbouwd met controleerbare gegevens. Integendeel, zij hebben weliswaar achteraf gezien door de intrekking tweeënhalve maand geen recht op bijstand gehad, maar gedurende die periode wel vele en diverse hoge geldbedragen, ook aan bijstand, ontvangen. Appellanten hebben verder niet aannemelijk gemaakt dat zij over onvoldoende middelen beschikten om mee in hun behoeftige omstandigheden te voorzien of terug te keren naar Nederland.

Citeert (4)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (18.829 tekens)
24/1345 PW


Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer












Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 29 april 2024, 23/3095 (aangevallen uitspraak)







Partijen:




[appellant 1] en [appellant 2] te [woonplaats] (appellanten)



het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch (college)








Datum uitspraak: 11 augustus 2026


SAMENVATTING


In deze zaak gaat het om de intrekking van bijstand vanwege een verblijf buiten Nederland van meer dan vier weken. Appellanten menen dat zij ondanks een te lang verblijf in het buitenland recht op bijstand hebben. Zij konden niet eerder terugkeren naar Nederland omdat zij ziek waren en vervolgens oorlog uitbrak in het land van verblijf. Strikte toepassing van de uitsluitingsgrond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder e, van de Participatiewet (PW) leidt volgens appellanten tot een onevenredig bezwarende uitkomst. De uitsluitingsgrond moet dan ook buiten toepassing worden gelaten in hun situatie. Voor zover appellanten terecht zijn uitgesloten van het recht op bijstand stellen appellanten dat aan hen toch bijstand moet worden verleend vanwege zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de PW. Appellanten krijgen geen gelijk.





PROCESVERLOOP


Namens appellanten heeft mr. A. Ang, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.



De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 24 februari 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. J. Sprakel, advocaat, als waarnemer voor mr. Ang. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door E.J.C. Mast.





OVERWEGINGEN




Inleiding


1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.


1.1.
Appellanten ontvangen bijstand op grond van de PW naar de norm voor gehuwden sinds 25 augustus 2016.


1.2.
Op 1 maart 2023 hebben appellanten bij het college gemeld dat zij op 15 maart 2023 met hun drie minderjarige kinderen naar [land] vertrekken en 11 april 2023 weer terugkeren. Op 8 april 2023 heeft appellant per e-mail gemeld dat hij en zijn gezin ziek zijn geworden (tyfus en malaria) en niet op tijd kunnen terugkeren naar Nederland. Het college heeft de bijstand vervolgens geblokkeerd per 13 april 2023, omdat appellanten vanaf die dag langer dan vier weken in het buitenland verblijven.


1.3.
Op 15 april 2023 is een burgeroorlog uitgebroken in [land] als gevolg waarvan vliegvelden gesloten waren. Vanaf 23 april 2023 zijn door de Nederlandse overheid evacuatievluchten uitgevoerd waar ook appellanten en hun gezin voor in aanmerking kwamen. Zij hebben daar geen gebruik van gemaakt omdat de weg naar het desbetreffende vliegveld volgens appellant te gevaarlijk was.


1.4.
Met een besluit van 16 juni 2023, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 17 oktober 2023 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellanten ingetrokken met ingang van 13 april 2023. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellanten langer dan de toegestane vier weken per kalenderjaar in het buitenland hebben verbleven. Daarom bestaat met ingang van 13 april 2023 geen recht op bijstand meer.


1.5.
Op of omstreeks 27 juni 2023 zijn appellanten teruggekeerd naar Nederland. Zij hebben zich op 28 juni 2023 opnieuw gemeld om bijstand aan te vragen. Met een besluit van 29 augustus 2023 is aan appellanten bijstand toegekend met ingang van 28 juni 2023.



Uitspraak van de rechtbank



2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dat besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen in stand gelaten. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college de bijstand van appellanten terecht heeft ingetrokken, maar niet met een juiste motivering. Appellanten hebben volgens de rechtbank namelijk niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van behoeftige omstandigheden die alleen met bijstandsverlening konden worden verholpen. Daarom is geen sprake van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de PW.

Het standpunt van appellanten


3. Appellanten zijn het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat zij daartegen hebben aangevoerd wordt hierna besproken.



Het oordeel van de Raad


4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de intrekking van de bijstand in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellanten in hoger beroep hebben aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.


4.1.
De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.


4.2.

Het bestreden besluit wordt getoetst voor de periode van 13 april 2023 tot en met 16 juni 2023 (te beoordelen periode).

Uitsluiting van het recht op bijstand




4.3.

Vaststaat dat appellanten met ingang van 13 april 2023 meer dan vier weken buiten Nederland verbleven, en dat zij om die reden op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder e, van de PW geen recht op bijstand meer hadden in de te beoordelen periode. Appellanten hebben aangevoerd dat deze wettelijke bepaling in hun geval wegens strijd met het evenredigheidsbeginsel buiten toepassing moet worden gelaten. Gelet op het vérstrekkende karakter van dit betoog dient eerst onderzocht te worden of appellanten binnen het systeem van de PW met toepassing van artikel 16, eerste lid, van de PW in de te beoordelen periode recht op bijstand hebben behouden.

Zeer dringende redenen




4.4.
Het college kan aan een persoon die op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder e, van de PW geen recht op bijstand heeft, toch bijstand verlenen als zeer dringende redenen dat noodzakelijk maken. Deze uitzonderingsmogelijkheid staat in artikel 16, eerste lid, van de PW. Zeer dringende redenen als bedoeld in deze bepaling doen zich voor als er een acute noodsituatie is en de behoeftige omstandigheden waarin de betrokkene verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand onvermijdelijk is. Dit is vaste rechtspraak. Een acute noodsituatie kan zich bijvoorbeeld voordoen als een situatie levensbedreigend is of als blijvend ernstig geestelijk of lichamelijk letsel of invaliditeit daarvan het gevolg kan zijn. Een acute noodsituatie doet zich voor als het niet verlenen van bijstand voor de betrokkene tot ernstige gevolgen leidt, met name voor diens gezondheid. De wetgever heeft bij het begrip ‘zeer dringende redenen’ gedacht aan een extreme situatie en heeft nadrukkelijk niet beoogd een algemene ontsnappingsclausule te bieden. Daarom moet het gaan om een schrijnende situatie waarvan het evident is dat weigering van bijstand zonder meer onaanvaardbaar is. Dit volgt uit eerdere rechtspraak.

4.4.1.
Appellanten hebben aangevoerd dat sprake is van zeer dringende redenen omdat zij in [land] onvoldoende geld ter beschikking hadden om eten te kopen en om terug te keren naar Nederland. Appellanten hadden aansluitend vóór en na hun verblijf in het buitenland recht op bijstand. Daaruit volgt volgens appellanten dat zij ook in de periode in geding in bijstandsbehoevende omstandigheden verkeerden. Appellanten doen met hun beroep op artikel 16, eerste lid, van de PW een beroep op de uitzondering op de hoofdregel van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder e, van de PW. Daarom moeten zij aannemelijk maken dat aan de voorwaarden voor die uitzondering is voldaan. Dit volgt uit vaste rechtspraak. Appellanten zijn daarin niet geslaagd. Dit oordeel berust op het volgende.


4.4.2.
Appellanten hebben hun stelling dat zij verkeerden in behoeftige omstandigheden die alleen door de verlening van bijstand konden worden verholpen niet onderbouwd met controleerbare gegevens. Integendeel, zij hebben weliswaar achteraf gezien door de intrekking tweeënhalve maand geen recht op bijstand gehad, maar gedurende die periode wel vele en diverse hoge geldbedragen, ook aan bijstand, ontvangen. Dit blijkt uit de bankafschriften die zij over de periode van 1 april 2023 tot en met 6 juli 2023 hebben overgelegd in het kader van hun nieuwe aanvraag om bijstand. Zo hebben zij op 13 april 2023 de algemene bijstand over de maand maart ontvangen ter hoogte van € 1.622,68, op 20 april 2023 hebben zij totaal € 971,- aan toeslagen ontvangen, op 2 mei 2023 een bijschrijving van € 100,- met omschrijving ‘gift’, op 11 mei 2023 de algemene bijstand over de periode 1 april 2023 tot en met 12 april 2023 ter hoogte van € 649,07, op 17 mei 2023 een bijschrijving van € 200,- met de omschrijving ‘gift voor [appellant]’, op 22 mei 2025 in totaal € 971,- aan toeslagen, op 19 juni 2023 de nabetaling van het vakantiegeld van € 840,54, op 20 juni 2023 in totaal € 971,- aan toeslagen en een bijschrijving van € 150,- met omschrijving ‘veel sterkte en succes’ en op 26 juni 2023 nog een bijschrijving van € 100,- met omschrijving ‘hulp’. Dit is in totaal € 6.575,29.


4.4.3.
Appellanten hebben te kennen gegeven dat het voor hen in [land] niet (of niet altijd) mogelijk was om contant geld te pinnen. Dit wordt bevestigd door het feit dat op de bankafschriften geen enkele contante opname in het buitenland zichtbaar is. Het probleem van appellanten was dan ook niet zozeer dat zij geen geld op hun bankrekening hadden, maar vooral dat zij daarover ter plaatse niet zonder meer konden beschikken. Uitbetaling van bijstand zou dan ook niet hebben geleid tot meer beschikbare middelen voor appellanten ter plaatse.


4.4.4.
Appellanten hebben verklaard dat zij via de in [land] woonachtige familie van een Nederlands contact de beschikking hebben gekregen over contant geld ter plaatse. Zij schreven geld over naar hun contact, die het geld doorstuurde naar zijn familie in [land] , en die personen voorzagen appellanten vervolgens van contant geld. Uit de bankafschriften van appellanten volgt dat appellanten tweemaal geld hebben overgeschreven naar een derde, in totaal € 650,-. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat zij over onvoldoende middelen beschikten om mee in hun behoeftige omstandigheden te voorzien of terug te keren naar Nederland. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het saldo op hun bankrekening in de periode in geding – gelet op de in 4.5.2 genoemde ontvangen bedragen en het feit dat appellanten na hun terugkeer in Nederland € 1.950,- contant hebben opgenomen zonder roodstand – ruimte bood om via voornoemd contact over meer geld in [land] te beschikken als dat nodig zou zijn geweest.


4.4.5.

Appellanten hebben dus niet aannemelijk gemaakt dat zij als gevolg van een acute noodsituatie in behoeftige omstandigheden verkeerden die alleen door verlening van bijstand konden worden verholpen.

Strijd met het evenredigheidsbeginsel





4.5.
Appellanten hebben aangevoerd dat zij niet eerder konden terugkeren naar Nederland door overmacht, namelijk eerst vanwege ziekte en vervolgens door het uitbreken van de oorlog in [land] . De reden van het te lange verblijf in het buitenland is in hun situatie wel van belang. Zij hebben in dat kader gewezen op de menselijke maat en aangevoerd dat een restrictieve uitleg van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder e, van de PW in hun situatie onevenredig uitpakt. Daarom moet artikel 13, eerste lid, aanhef en onder e, van de PW buiten toepassing worden gelaten. Deze beroepsgrond slaagt niet. Daarvoor is het volgende van betekenis.

4.5.1.
Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder e, van de PW heeft een verplichtend karakter. Daarom is er in beginsel geen ruimte voor toetsing van het daarop gebaseerde besluit aan het evenredigheidsbeginsel. Uit het toetsingsverbod van artikel 120 van de Grondwet volgt dat de rechter een bepaling van een wet in formele zin, zoals de PW, niet mag toetsen aan de Grondwet en ook niet aan algemene rechtsbeginselen. Dit brengt mee dat de rechter niet mag oordelen over de belangenafweging die de wetgever heeft verricht of geacht moet worden te hebben verricht bij de totstandkoming van die wettelijke bepaling. Als zich bijzondere omstandigheden voordoen waarmee de wetgever in zijn afweging geen rekening heeft gehouden, kan aanleiding bestaan om tot een andere uitkomst te komen dan waartoe toepassing van de wettelijke bepaling leidt. Dat is het geval als die bijzondere omstandigheden de toepassing van die bepaling zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven.


4.5.2.
Van dergelijke omstandigheden is hier geen sprake. De wetgever heeft voorzien dat een bijstandsgerechtigde als gevolg van onvoorziene in- of externe factoren niet tijdig kan terugkeren naar Nederland. Onder die factoren vallen ook de overmachtssituaties van ziekte en het uitbreken van een (burger)oorlog in een land waar al langer onrust en spanning heersen. Dat de wetgever met de mogelijkheid van overmacht rekening heeft gehouden blijkt onder meer uit de wetsgeschiedenis. De termijn van vier weken is in de bijstandswetgeving voor het eerst opgenomen in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wet werk en bijstand die op 1 januari 2004 in werking trad. In de memorie van toelichting bij die wet staat dat in het verlengde van de bestaande rechtspraak ook geen recht op bijstand bestaat indien de noodzaak van het langere verblijf buiten Nederland zou vaststaan of als dit langere verblijf te wijten is aan overmacht. Het is dan ook duidelijk dat de wetgever heeft bedoeld en voorzien dat bijstandsgerechtigden mogelijk door overmacht langer dan vier weken buiten Nederland zouden verblijven, maar dat dit geen reden vormt om het recht op bijstand voort te zetten. Dat de wetgever in deze context niet expliciet heeft overwogen dat de oorzaak van deze overmacht zou kunnen liggen in het uitbreken van een oorlog maakt niet dat deze overmachtssituatie niet in de wetgeving is verdisconteerd. De Raad heeft eerder in vergelijkbare zin geoordeeld.


4.5.3.
De Raad voegt daar het volgende nog aan toe. De wetgever heeft recentelijk de Participatiewet in balans aangenomen, waarvan een deel in werking is getreden op 1 januari 2026 en een deel in werking zal treden op 1 januari 2027. Die wet heeft tot doel het wegnemen van hardheden in de (uitvoering van de) PW door centrale begrippen als vertrouwen en de menselijke maat in de (uitvoering van de) wet te verankeren. Het uitgangspunt van het territorialiteitsbeginsel wordt echter gehandhaafd, net als de uitsluiting van bijstand voor personen die per kalenderjaar langer dan vier weken verblijf houden buiten Nederland. Ook is niet voorzien in een ruimere uitzonderingsbepaling of een bepaling over in- of externe overmacht. Het moet er daarom voor worden gehouden dat de wetgever de uitsluiting van bijstand na een verblijf van meer dan vier weken per kalenderjaar buiten Nederland heeft willen handhaven – ook in situaties van in- of externe overmacht.


4.5.4.
Dit betekent dat de Raad niet toekomt aan de vraag of het bestreden besluit door de toepassing van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder e, van de PW in strijd is met het evenredigheidsbeginsel.






Conclusie en gevolgen


4.6.

Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd, voor zover aangevochten. Dit betekent dat de intrekking van bijstand in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgen appellanten geen vergoeding voor hun proceskosten en het betaalde griffierecht.





BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.




Deze uitspraak is gedaan door A.M. Overbeeke als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en C.F.E. van Olden-Smit als leden, in tegenwoordigheid van A.T. Dannenberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 augustus 2026.






(getekend) A.M. Overbeeke




(getekend) A.T. Dannenberg




Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels



Participatiewet




Artikel 11, eerste lid
Iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, heeft recht op bijstand van overheidswege.



Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder e
Geen recht op bijstand heeft degene die per kalenderjaar langer dan vier weken verblijf houdt buiten Nederland dan wel een aaneengesloten periode van langer dan vier weken verblijf houdt buiten Nederland



Artikel 16, eerste lid
Aan een persoon die geen recht op bijstand heeft, kan het college, gelet op alle omstandigheden, in afwijking van deze paragraaf, bijstand verlenen indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken.



Artikel 54, derde lid, tweede volzin
Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand kan het college een besluit tot toekenning van bijstand herzien of intrekken, indien anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.



Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 17 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1028.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 13 juni 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:985.


Zie de uitspraak van 27 juni 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1192.


Kamerstukken II 2002/03, 28 870, nr. 3, blz. 44.


Zie de uitspraak van 15 mei 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:700.


Kamerstukken II 2023/24, 36 582, nr. 3, blz. 3.