Centrale Raad van Beroep
ECLI:NL:CRVB:2026:1094
2026-08-18
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
25/154 PW
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Herziening en terugvordering van bijstand. Schending inlichtingenverplichting. Inkomen uit schoonmaakwerkzaamheden. Geen bijzondere omstandigheden om af te wijken van verklaring. Feitelijke grondslag. Geen dringende redenen. Appellante heeft gedetailleerd verklaard over de dagen, locaties en perioden dat zij heeft gewerkt en hierbij niet alleen de twee adressen X en Y genoemd, maar ook verklaard over vier andere woningen in en rond plaats 2 waar zij schoongemaakt heeft. Met de verklaring van appellante heeft het college aannemelijk gemaakt dat appellante niet alleen op adres X en Y, maar ook in vier andere woningen in plaats 2 en omgeving schoonmaakwerkzaamheden heeft verricht.
Citeert (6)
- ECLI:NL:CRVB:2011:BT5852 Centrale Raad van Beroep 27-09-2011
- ECLI:NL:CRVB:2012:BV2512 Centrale Raad van Beroep 26-01-2012
- ECLI:NL:CRVB:2024:2192 Centrale Raad van Beroep 10-12-2024
- ECLI:NL:CRVB:2024:2193 Centrale Raad van Beroep 10-12-2024
- ECLI:NL:CRVB:2024:2194 Centrale Raad van Beroep 10-12-2024
- ECLI:NL:CRVB:2024:2195 Centrale Raad van Beroep 10-12-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (17.044 tekens)
25/154 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 11 december 2024, 24/4538 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)
Datum uitspraak: 18 augustus 2026
SAMENVATTING
Deze zaak gaat over de herziening en terugvordering van bijstand. Volgens het college heeft appellante de inlichtingenverplichting geschonden door het college niet te melden dat zij werkzaamheden heeft verricht en inkomsten heeft ontvangen. Het college heeft aanleiding gezien het recht op bijstand schattenderwijs vast te stellen. Appellante heeft zich op het standpunt gesteld dat de onderzoeksresultaten niet toereikend zijn voor de omvang van de door het college gestelde werkzaamheden. Daarnaast heeft zij aangevoerd dat het college op grond van dringende redenen had moeten afzien van terugvordering. Appellante krijgt geen gelijk.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. D. Gürses, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 7 juli 2026. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Gürses. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door M.V.A. Notenboom.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante ontving met ingang van 26 augustus 2020 bijstand op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande ouder.
1.2.
Naar aanleiding van twee anonieme meldingen van 9 maart 2022 en 19 april 2022 dat appellante langer dan twee jaar inkomsten uit schoonmaakwerkzaamheden ontvangt en die werkzaamheden op maandag, dinsdag, donderdag en vrijdag verricht, heeft het college een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. Appellante heeft niet meegewerkt aan het onderzoek door opgevraagde gegevens niet te verstrekken, waarna het college met een besluit van 11 mei 2023 de bijstand van appellante met ingang van 25 april 2023 heeft ingetrokken. Het college heeft de over de periode van 25 april 2023 tot en met 30 april 2023 te veel betaalde bijstand tot een bedrag van € 227,18 verrekend met de vakantietoeslag.
1.3.
Op 25 mei 2023 heeft appellante opnieuw bijstand aangevraagd. Met een besluit van 17 juli 2023 heeft het college aan appellante met ingang van 25 mei 2023 bijstand toegekend.
1.4.
Naar aanleiding van de onder 1.3 vermelde aanvraag om bijstand heeft een handhavingsspecialist het onderzoek naar de vermeende werkzaamheden hervat. In dat kader heeft een handhavingsspecialist bankafschriften van appellante en haar minderjarige kinderen opgevraagd, hebben medewerkers van Team Bijzonder Onderzoek van Werk en Inkomen van de gemeente Utrecht in de periode van 20 april 2023 tot 2 mei 2023 waarnemingen verricht, heeft de handhavingsspecialist op 24 juli 2023 een gesprek met appellante gevoerd en hebben de bewoners van twee adressen waar appellante werkzaamheden zou hebben verricht op respectievelijk 31 juli 2023 en 1 augustus 2023 een verklaring afgelegd. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van 8 augustus 2023.
1.5.
Met een besluit van 15 augustus 2023 heeft het college de bijstand van appellante over de periode van 1 mei 2022 tot en met 31 mei 2023 herzien (lees: ingetrokken) en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 13.607,84 van haar teruggevorderd. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat appellante inkomsten uit schoonmaakwerkzaamheden heeft ontvangen. Appellante heeft hiervan geen melding gemaakt bij het college. Als gevolg daarvan kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.
1.6.
Met een besluit van 21 mei 2024 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar gegrond verklaard en de hoogte van de terugvordering vastgesteld op een bedrag van € 9.664,52. Hieraan ligt, samengevat, het volgende ten grondslag. Appellante heeft in de periode van 1 mei 2022 tot en met 31 mei 2023 op zes verschillende adressen schoonmaakwerkzaamheden verricht. Zij heeft de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden door hiervan geen melding te maken. Hoewel appellante geen deugdelijke administratie van haar werkzaamheden heeft overgelegd, heeft het college haar inkomsten schattenderwijs vastgesteld op basis van de werkzaamheden die zij volgens haar eigen verklaring van 24 juli 2023 en de verklaring van de bewoners van twee adressen heeft verricht.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat zij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.
Het oordeel van de Raad
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht de herziening en terugvordering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.1.
Herziening en terugvordering van bijstand zijn een voor de betrokkene belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor herziening en terugvordering is voldaan in beginsel op de bijstandverlenende instantie. Deze bewijslast brengt in dit geval met zich dat het college aannemelijk moet maken dat, en in welk opzicht appellante in de periode van 1 mei 2022 tot en met 31 mei 2023 de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat als gevolg daarvan zij in die periode minder recht op bijstand heeft.
4.2.
Indien na een schending van de inlichtingenverplichting de door de betrokkene gestelde en aannemelijk gemaakte feiten geen grondslag bieden voor een precieze vaststelling van het recht op bijstand, dan is de bijstandverlenende instantie gehouden om, indien mogelijk, schattenderwijs vast te stellen tot welk bedrag de betrokkene in ieder geval wel recht op bijstand heeft, op basis van de vaststaande feiten. Het eventuele nadeel voor de betrokkene dat voortvloeit uit de resterende onzekerheden, komt daarbij wegens schending van de inlichtingenverplichting voor zijn rekening. De Raad heeft eerder in andere uitspraken in vergelijkbare zin geoordeeld.
Herziening
4.3.
Appellante heeft allereerst aangevoerd dat niet zonder meer kan worden uitgegaan van de juistheid van haar verklaring van 24 juli 2023. Zij stond destijds onder psychische en financiële druk en het gesprek riep traumatische gebeurtenissen op die zij in [land] heeft meegemaakt. Zij voelde zich onder ontoelaatbare druk gezet en zij verkeerde in een staat van stress. Daarnaast is opgeworpen dat het gesprek ten onrechte niet audiovisueel is vastgelegd. Deze beroepsgrond slaagt niet. Daartoe is het volgende van belang.
4.3.1.
In het algemeen mag ervan worden uitgegaan dat de tegenover een toezichthouder, sociaal rechercheur of handhavingsspecialist afgelegde en ondertekende verklaring juist is. Dit is vaste rechtspraak. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat er bijzondere omstandigheden zijn om van dit algemene uitgangspunt af te wijken. Zo heeft appellante tijdens het gesprek op 24 juli 2023 desgevraagd verklaard dat het goed met haar gaat en dat zij de vragen van de handhavingsspecialisten goed begrijpt. Aan het einde van het gesprek heeft appellante verklaard dat zij het een prettig gesprek vond. Appellante heeft haar stelling dat zij onder psychische druk stond in het geheel niet onderbouwd. Dat sprake was van een ontoelaatbare druk blijkt evenmin uit de rapportage. Ook heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat de verklaring buiten beschouwing moet blijven omdat die niet in essentie een juiste weergave bevat van wat zij heeft verklaard. De verklaring is na afloop van het gesprek aan appellante voorgelezen en zonder voorbehoud door haar ondertekend. Anders dan appellante lijkt te stellen is het voor de betrouwbaarheid van de verklaring niet noodzakelijk dat van het gesprek een geluid- of beeldopname wordt gemaakt en een dergelijke eis is ook niet in een rechtsregel neergelegd.
4.4.
Niet in geschil is dat appellante op adres X in [plaats 1] en adres Y in [plaats 2] (de adressen waarvan de bewoners een verklaring hebben afgelegd) schoonmaakwerkzaamheden heeft verricht. Appellante betwist dat er voldoende feitelijke grondslag is voor het standpunt van het college dat zij op meer adressen werkzaamheden heeft verricht. Deze beroepsgrond slaagt niet.
4.4.1.
Appellante heeft op 24 juli 2023 gedetailleerd verklaard over de dagen, locaties en perioden dat zij heeft gewerkt en hierbij niet alleen de twee adressen X en Y genoemd, maar ook verklaard over vier andere woningen in en rond [plaats 2] waar zij schoongemaakt heeft. Met de verklaring van appellante heeft het college aannemelijk gemaakt dat appellante in de periode van 1 mei 2022 tot en met 31 mei 2023 niet alleen op adres X en Y, maar ook in vier andere woningen in [plaats 2] en omgeving schoonmaakwerkzaamheden heeft verricht. Dat het college verder geen ondersteunend bewijs over die woningen heeft, maakt op zichzelf niet dat er onvoldoende feitelijke grondslag bestaat voor de werkzaamheden in die woningen. Het college heeft met de verklaring van appellante aan zijn bewijslast voldaan. De enkele niet onderbouwde stelling van appellante dat zij, in afwijking van wat zij tegenover de handhavingsspecialist heeft verklaard, slechts op twee adressen werkzaam is geweest leidt, gelet op wat onder 4.3.1 is overwogen, niet tot een ander oordeel.
Terugvordering
4.5.
Appellante heeft de berekening van de inkomsten en de vaststelling van de hoogte van de terugvordering, als moet worden uitgegaan van een juiste herziening, niet betwist. Zij heeft enkel aangevoerd dat er dringende redenen zijn op grond waarvan het college geheel of gedeeltelijk van terugvordering had moeten afzien. Daartoe heeft zij naar voren gebracht dat haar hele gezin al jaren financiële gevolgen ervaart van de terugvordering en dat deze gevolgen onevenredig zwaar zijn. Het college moet de menselijke maat toepassen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
4.5.1.
Het college is verplicht om de kosten van bijstand terug te vorderen voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting. Dit uitgangspunt staat in artikel 58, eerste lid, van de PW. Maar indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Dat volgt uit artikel 58, achtste lid, van de PW.
4.5.2.
Zoals de Raad in vier uitspraken van 10 december 2024 tot uitdrukking heeft gebracht moet een besluit om al dan niet van deze mogelijkheid gebruik te maken zijn gebaseerd op een belangenafweging. Daarbij geldt het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald en verder dat met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval rekening wordt gehouden. Die feiten en omstandigheden kunnen zien op de gevolgen van de terugvordering, maar ook op de oorzaak daarvan. De afweging zal een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het evenredigheidsbeginsel, moeten kunnen doorstaan.
4.5.3.
Het college heeft wat appellante heeft aangevoerd bij afweging van de betrokken belangen niet hoeven aan te merken als dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Het besluit om niet van terugvordering af te zien getuigt niet van een onevenwichtige afweging van de daarbij betrokken belangen. De terugvordering is ontstaan doordat appellante de inlichtingenverplichting heeft geschonden door bij het college geen melding te maken van de werkzaamheden en de in verband daarmee ontvangen inkomsten. Van de gestelde ernstige gevolgen van de terugvordering voor appellante en haar gezin is niet gebleken. Appellante heeft haar financiële situatie ook niet inzichtelijk gemaakt. Zij heeft verder als iedere debiteur de bescherming van de beslagvrije voet. De Raad merkt hierbij op dat ter zitting is gebleken dat ter aflossing van de vordering 5% maandelijks van de voor appellante geldende bijstandsnorm wordt ingehouden en dat, anders dan appellante heeft gesteld, geen sprake is van een jaarlijkse inhouding van de vakantietoeslag.
4.5.4.
Voor zover appellante met een beroep op de menselijke maat heeft bedoeld dat het college bij de terugvordering rekening had moeten houden met haar individuele omstandigheden wordt opgemerkt dat het college deze omstandigheden heeft meegewogen in het kader van de hierboven onder 4.5.3 beoordeelde belangenafweging.
Conclusie en gevolgen
4.6.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de herziening en terugvordering van bijstand in stand blijven.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.T.H. Zimmerman in tegenwoordigheid van M.G.J. van Eck als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2026.
(getekend) J.T.H. Zimmerman
(getekend) M.G.J. van Eck
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
Participatiewet
Artikel 17
1. De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het college kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.
[…]
Artikel 54
[…]
3. Het college herziet een besluit tot toekenning van bijstand, dan wel trekt een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.
[…]
Artikel 58
1. Het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend vordert de kosten van bijstand terug voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of de verplichtingen, bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
[…]
8. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 27 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT5852.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 26 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV2512.
ECLI:NL:CRVB:2024:2192, ECLI:NL:CRVB:2024:2193, ECLI:NL:CRVB:2024:2194 en ECLI:NL:CRVB:2024:2195.
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 11 december 2024, 24/4538 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)
Datum uitspraak: 18 augustus 2026
SAMENVATTING
Deze zaak gaat over de herziening en terugvordering van bijstand. Volgens het college heeft appellante de inlichtingenverplichting geschonden door het college niet te melden dat zij werkzaamheden heeft verricht en inkomsten heeft ontvangen. Het college heeft aanleiding gezien het recht op bijstand schattenderwijs vast te stellen. Appellante heeft zich op het standpunt gesteld dat de onderzoeksresultaten niet toereikend zijn voor de omvang van de door het college gestelde werkzaamheden. Daarnaast heeft zij aangevoerd dat het college op grond van dringende redenen had moeten afzien van terugvordering. Appellante krijgt geen gelijk.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. D. Gürses, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 7 juli 2026. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Gürses. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door M.V.A. Notenboom.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante ontving met ingang van 26 augustus 2020 bijstand op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande ouder.
1.2.
Naar aanleiding van twee anonieme meldingen van 9 maart 2022 en 19 april 2022 dat appellante langer dan twee jaar inkomsten uit schoonmaakwerkzaamheden ontvangt en die werkzaamheden op maandag, dinsdag, donderdag en vrijdag verricht, heeft het college een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. Appellante heeft niet meegewerkt aan het onderzoek door opgevraagde gegevens niet te verstrekken, waarna het college met een besluit van 11 mei 2023 de bijstand van appellante met ingang van 25 april 2023 heeft ingetrokken. Het college heeft de over de periode van 25 april 2023 tot en met 30 april 2023 te veel betaalde bijstand tot een bedrag van € 227,18 verrekend met de vakantietoeslag.
1.3.
Op 25 mei 2023 heeft appellante opnieuw bijstand aangevraagd. Met een besluit van 17 juli 2023 heeft het college aan appellante met ingang van 25 mei 2023 bijstand toegekend.
1.4.
Naar aanleiding van de onder 1.3 vermelde aanvraag om bijstand heeft een handhavingsspecialist het onderzoek naar de vermeende werkzaamheden hervat. In dat kader heeft een handhavingsspecialist bankafschriften van appellante en haar minderjarige kinderen opgevraagd, hebben medewerkers van Team Bijzonder Onderzoek van Werk en Inkomen van de gemeente Utrecht in de periode van 20 april 2023 tot 2 mei 2023 waarnemingen verricht, heeft de handhavingsspecialist op 24 juli 2023 een gesprek met appellante gevoerd en hebben de bewoners van twee adressen waar appellante werkzaamheden zou hebben verricht op respectievelijk 31 juli 2023 en 1 augustus 2023 een verklaring afgelegd. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van 8 augustus 2023.
1.5.
Met een besluit van 15 augustus 2023 heeft het college de bijstand van appellante over de periode van 1 mei 2022 tot en met 31 mei 2023 herzien (lees: ingetrokken) en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 13.607,84 van haar teruggevorderd. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat appellante inkomsten uit schoonmaakwerkzaamheden heeft ontvangen. Appellante heeft hiervan geen melding gemaakt bij het college. Als gevolg daarvan kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.
1.6.
Met een besluit van 21 mei 2024 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar gegrond verklaard en de hoogte van de terugvordering vastgesteld op een bedrag van € 9.664,52. Hieraan ligt, samengevat, het volgende ten grondslag. Appellante heeft in de periode van 1 mei 2022 tot en met 31 mei 2023 op zes verschillende adressen schoonmaakwerkzaamheden verricht. Zij heeft de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden door hiervan geen melding te maken. Hoewel appellante geen deugdelijke administratie van haar werkzaamheden heeft overgelegd, heeft het college haar inkomsten schattenderwijs vastgesteld op basis van de werkzaamheden die zij volgens haar eigen verklaring van 24 juli 2023 en de verklaring van de bewoners van twee adressen heeft verricht.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat zij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.
Het oordeel van de Raad
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht de herziening en terugvordering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.1.
Herziening en terugvordering van bijstand zijn een voor de betrokkene belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor herziening en terugvordering is voldaan in beginsel op de bijstandverlenende instantie. Deze bewijslast brengt in dit geval met zich dat het college aannemelijk moet maken dat, en in welk opzicht appellante in de periode van 1 mei 2022 tot en met 31 mei 2023 de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat als gevolg daarvan zij in die periode minder recht op bijstand heeft.
4.2.
Indien na een schending van de inlichtingenverplichting de door de betrokkene gestelde en aannemelijk gemaakte feiten geen grondslag bieden voor een precieze vaststelling van het recht op bijstand, dan is de bijstandverlenende instantie gehouden om, indien mogelijk, schattenderwijs vast te stellen tot welk bedrag de betrokkene in ieder geval wel recht op bijstand heeft, op basis van de vaststaande feiten. Het eventuele nadeel voor de betrokkene dat voortvloeit uit de resterende onzekerheden, komt daarbij wegens schending van de inlichtingenverplichting voor zijn rekening. De Raad heeft eerder in andere uitspraken in vergelijkbare zin geoordeeld.
Herziening
4.3.
Appellante heeft allereerst aangevoerd dat niet zonder meer kan worden uitgegaan van de juistheid van haar verklaring van 24 juli 2023. Zij stond destijds onder psychische en financiële druk en het gesprek riep traumatische gebeurtenissen op die zij in [land] heeft meegemaakt. Zij voelde zich onder ontoelaatbare druk gezet en zij verkeerde in een staat van stress. Daarnaast is opgeworpen dat het gesprek ten onrechte niet audiovisueel is vastgelegd. Deze beroepsgrond slaagt niet. Daartoe is het volgende van belang.
4.3.1.
In het algemeen mag ervan worden uitgegaan dat de tegenover een toezichthouder, sociaal rechercheur of handhavingsspecialist afgelegde en ondertekende verklaring juist is. Dit is vaste rechtspraak. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat er bijzondere omstandigheden zijn om van dit algemene uitgangspunt af te wijken. Zo heeft appellante tijdens het gesprek op 24 juli 2023 desgevraagd verklaard dat het goed met haar gaat en dat zij de vragen van de handhavingsspecialisten goed begrijpt. Aan het einde van het gesprek heeft appellante verklaard dat zij het een prettig gesprek vond. Appellante heeft haar stelling dat zij onder psychische druk stond in het geheel niet onderbouwd. Dat sprake was van een ontoelaatbare druk blijkt evenmin uit de rapportage. Ook heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat de verklaring buiten beschouwing moet blijven omdat die niet in essentie een juiste weergave bevat van wat zij heeft verklaard. De verklaring is na afloop van het gesprek aan appellante voorgelezen en zonder voorbehoud door haar ondertekend. Anders dan appellante lijkt te stellen is het voor de betrouwbaarheid van de verklaring niet noodzakelijk dat van het gesprek een geluid- of beeldopname wordt gemaakt en een dergelijke eis is ook niet in een rechtsregel neergelegd.
4.4.
Niet in geschil is dat appellante op adres X in [plaats 1] en adres Y in [plaats 2] (de adressen waarvan de bewoners een verklaring hebben afgelegd) schoonmaakwerkzaamheden heeft verricht. Appellante betwist dat er voldoende feitelijke grondslag is voor het standpunt van het college dat zij op meer adressen werkzaamheden heeft verricht. Deze beroepsgrond slaagt niet.
4.4.1.
Appellante heeft op 24 juli 2023 gedetailleerd verklaard over de dagen, locaties en perioden dat zij heeft gewerkt en hierbij niet alleen de twee adressen X en Y genoemd, maar ook verklaard over vier andere woningen in en rond [plaats 2] waar zij schoongemaakt heeft. Met de verklaring van appellante heeft het college aannemelijk gemaakt dat appellante in de periode van 1 mei 2022 tot en met 31 mei 2023 niet alleen op adres X en Y, maar ook in vier andere woningen in [plaats 2] en omgeving schoonmaakwerkzaamheden heeft verricht. Dat het college verder geen ondersteunend bewijs over die woningen heeft, maakt op zichzelf niet dat er onvoldoende feitelijke grondslag bestaat voor de werkzaamheden in die woningen. Het college heeft met de verklaring van appellante aan zijn bewijslast voldaan. De enkele niet onderbouwde stelling van appellante dat zij, in afwijking van wat zij tegenover de handhavingsspecialist heeft verklaard, slechts op twee adressen werkzaam is geweest leidt, gelet op wat onder 4.3.1 is overwogen, niet tot een ander oordeel.
Terugvordering
4.5.
Appellante heeft de berekening van de inkomsten en de vaststelling van de hoogte van de terugvordering, als moet worden uitgegaan van een juiste herziening, niet betwist. Zij heeft enkel aangevoerd dat er dringende redenen zijn op grond waarvan het college geheel of gedeeltelijk van terugvordering had moeten afzien. Daartoe heeft zij naar voren gebracht dat haar hele gezin al jaren financiële gevolgen ervaart van de terugvordering en dat deze gevolgen onevenredig zwaar zijn. Het college moet de menselijke maat toepassen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
4.5.1.
Het college is verplicht om de kosten van bijstand terug te vorderen voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting. Dit uitgangspunt staat in artikel 58, eerste lid, van de PW. Maar indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Dat volgt uit artikel 58, achtste lid, van de PW.
4.5.2.
Zoals de Raad in vier uitspraken van 10 december 2024 tot uitdrukking heeft gebracht moet een besluit om al dan niet van deze mogelijkheid gebruik te maken zijn gebaseerd op een belangenafweging. Daarbij geldt het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald en verder dat met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval rekening wordt gehouden. Die feiten en omstandigheden kunnen zien op de gevolgen van de terugvordering, maar ook op de oorzaak daarvan. De afweging zal een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het evenredigheidsbeginsel, moeten kunnen doorstaan.
4.5.3.
Het college heeft wat appellante heeft aangevoerd bij afweging van de betrokken belangen niet hoeven aan te merken als dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Het besluit om niet van terugvordering af te zien getuigt niet van een onevenwichtige afweging van de daarbij betrokken belangen. De terugvordering is ontstaan doordat appellante de inlichtingenverplichting heeft geschonden door bij het college geen melding te maken van de werkzaamheden en de in verband daarmee ontvangen inkomsten. Van de gestelde ernstige gevolgen van de terugvordering voor appellante en haar gezin is niet gebleken. Appellante heeft haar financiële situatie ook niet inzichtelijk gemaakt. Zij heeft verder als iedere debiteur de bescherming van de beslagvrije voet. De Raad merkt hierbij op dat ter zitting is gebleken dat ter aflossing van de vordering 5% maandelijks van de voor appellante geldende bijstandsnorm wordt ingehouden en dat, anders dan appellante heeft gesteld, geen sprake is van een jaarlijkse inhouding van de vakantietoeslag.
4.5.4.
Voor zover appellante met een beroep op de menselijke maat heeft bedoeld dat het college bij de terugvordering rekening had moeten houden met haar individuele omstandigheden wordt opgemerkt dat het college deze omstandigheden heeft meegewogen in het kader van de hierboven onder 4.5.3 beoordeelde belangenafweging.
Conclusie en gevolgen
4.6.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de herziening en terugvordering van bijstand in stand blijven.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.T.H. Zimmerman in tegenwoordigheid van M.G.J. van Eck als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2026.
(getekend) J.T.H. Zimmerman
(getekend) M.G.J. van Eck
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
Participatiewet
Artikel 17
1. De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het college kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.
[…]
Artikel 54
[…]
3. Het college herziet een besluit tot toekenning van bijstand, dan wel trekt een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.
[…]
Artikel 58
1. Het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend vordert de kosten van bijstand terug voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of de verplichtingen, bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
[…]
8. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 27 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT5852.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 26 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV2512.
ECLI:NL:CRVB:2024:2192, ECLI:NL:CRVB:2024:2193, ECLI:NL:CRVB:2024:2194 en ECLI:NL:CRVB:2024:2195.