Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Centrale Raad van Beroep

ECLI:NL:CRVB:2026:1088

2026-08-25 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht 23/998 PW
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2026-08-25
Publicatiedatum
2026-08-26
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
23/998 PW
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Herziening, intrekking en terugvordering van bijstand. Schending inlichtingenverplichting. Werkzaamheden in loondienst. Identiteitsfraude niet aannemelijk. Herhaling beroepsgronden. Geen dringende redenen. Uit onderzoek blijkt o.m. dat op naam van X en zijn NINO-nummer werkzaamheden zijn verricht en loonbetalingen zijn gedaan in het Verenigd Koninkrijk en dat zowel X als appellante ingeschreven zijn of hebben gestaan in het Verenigd Koninkrijk. Hiermee heeft het college aannemelijk gemaakt dat X in de in de hier te beoordelen periodes werkzaamheden heeft verricht waarvoor hij loon heeft ontvangen. Dat sprake zou zijn geweest van identiteitsfraude, is ook in hoger beroep niet gebleken. De overwegingen van de rechtbank in dat verband worden overgenomen.

Citeert (8)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (21.066 tekens)
23/998 PW


Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer












Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 maart 2023, 19/5500 (aangevallen uitspraak)







Partijen:




[appellante] zonder bekende woon- of verblijfplaats (appellante)



het college van burgemeester en wethouders van Capelle aan den IJssel (college)








Datum uitspraak: 25 augustus 2026


SAMENVATTING


Het college heeft de bijstand van appellante en haar ex-partner deels herzien en deels ingetrokken en een bedrag van € 27.899,93 teruggevorderd. Aan dat besluit is ten grondslag gelegd dat de ex-partner werkzaamheden in loondienst in het Verenigd Koninkrijk heeft verricht. Door dit niet te melden hebben appellante en haar ex-partner de inlichtingenverplichting geschonden. Appellante stelt dat sprake is van identiteitsfraude en dat in werkelijkheid een vriend de werkzaamheden heeft verricht en het loon heeft ontvangen. De ex-partner kon onmogelijk in het Verenigd Koninkrijk hebben gewerkt omdat hij in Nederland was en ziek was. Appellante krijgt geen gelijk. Net als de rechtbank, is de Raad van oordeel dat appellante de gestelde identiteitsfraude niet aannemelijk heeft gemaakt. De ziekenhuisbezoeken in Nederland en de in Nederland verrichte pintransacties sluiten verder niet uit dat de ex-partner in het Verenigd Koninkrijk kon werken. Het college was tot slot ook niet verplicht (deels) van de terugvordering af te zien op grond van dringende redenen.





PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. F. Çelen, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.



De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 14 juli 2026. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Çelen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door N.D. FritzPierik.





OVERWEGINGEN




Inleiding


1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.


1.1.
Appellante ontving samen met haar toenmalige partner (X), met onderbreking, sinds 1 januari 2015 bijstand op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor gehuwden.


1.2.
Naar aanleiding van een melding van een Casemanager Inkomen van de gemeente Capelle aan den IJssel (gemeente) van 30 oktober 2018 dat X mogelijk nog over andere, nog niet bekende, rekeningnummers zou beschikken en dat hij in het buitenland zou verblijven, heeft het college een onderzoek laten verrichten naar de rechtmatigheid van de bijstandsverlening aan appellante en X. Uit onderzoek door medewerkers van het Internationaal Bureau Fraude Informatie (IBF) is gebleken dat X op [datum 1] 2015 het Verenigd Koninkrijk is ingereisd en sinds [datum 2] 2015 beschikt over een National Insurance Number (NINO). Verder is gebleken dat X stond ingeschreven op diverse adressen in Londen en dat hij sinds 2016, met onderbrekingen, voor verschillende werkgevers werkzaamheden in loondienst heeft verricht en inkomsten daaruit heeft verkregen. Ook is gebleken dat op naam van X in het Verenigd Koninkrijk een belastingteruggave en een creditcard zijn aangevraagd en dat een Britse belastingaanslag is opgelegd. Uit het onderzoek is verder gebleken dat appellante met ingang van [datum 3] 2016 ingeschreven stond op een adres in Londen . Op 30 januari 2019 hebben een Intakespecialist en een Casemanager Inkomen van de gemeente een gesprek gevoerd met appellante en X waar de door IBF verstrekte gegevens zijn besproken. De bevindingen van het onderzoek staan in een rapport van 19 maart 2019.


1.3.
Op 9 januari 2019 heeft de gemeente schriftelijk een van de website van de gemeente te downloaden en te printen, handmatig ingevuld, wijzigingsformulier ontvangen waarop onder meer is vermeld dat X sinds 2018 werk heeft in Londen . Op het wijzigingsformulier wordt ook een adreswijziging gemeld. Het adres komt overeen met het laatst bekende adres van X in het Verenigd Koninkrijk dat de medewerkers van het IBF aan het college hebben verstrekt. Het wijzigingsformulier is voorzien van een handtekening op naam van X en de datum 8 januari 2019.


1.4.
De gemeente heeft op 25 januari 2019 schriftelijk van appellante en X een zelfde soort wijzigingsformulier, handmatig ingevuld, ontvangen waarop onder meer is vermeld dat X met ingang van 1 februari 2019 naar het buitenland vertrekt. Het formulier is door zowel X als door appellante op 25 januari 2019 ondertekend.


1.5.
Met een besluit van 26 maart 2019 heeft het college, voor zover hier van belang, de bijstand over verschillende periodes tussen 6 juni 2016 tot 30 januari 2019 (de hier te beoordelen periodes) ingetrokken dan wel herzien en de kosten van de verleende bijstand teruggevorderd tot een bedrag van € 27.899,93. Het daartegen gerichte bezwaar is met een beslissing op bezwaar van 16 september 2019 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat appellante en X de inlichtingenverplichting hebben geschonden door geen melding te maken van de werkzaamheden van X en de daaruit verworven inkomsten.



Uitspraak van de rechtbank



2. De rechtbank heeft het beroep van appellante en X tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.

Het standpunt van appellante


3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat zij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.



Het oordeel van de Raad


4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de herziening, intrekking en terugvordering van de bijstand in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.


4.1.
Appellante voert aan dat er geen sprake is van een schending van de inlichtingenverplichting. X heeft nooit in het Verenigd Koninkrijk gewerkt. De gegevens die het IBF uit Verenigd Koninkrijk heeft ontvangen betreffen niet X maar een vriend, die het paspoort van X in 2015 heeft gestolen. Het wijzigingsformulier van 8 januari 2019 is eveneens door deze vriend vervalst en door hem ingediend, als gevolg van een ruzie tussen deze vriend en X. Er is sprake van identiteitsfraude en daarvan is op 22 juli 2019 aangifte gedaan. Bovendien was X in de periodes waar het om gaat ziek waarvoor hij in Nederland meerdere ziekenhuisbezoeken heeft gehad en blijkt uit de bankafschriften dat X in de betrokken periodes pintransacties heeft verricht in Nederland. Hij kon dus onmogelijk in het Verenigd Koninkrijk werken.


4.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De Raad overweegt daartoe als volgt.

4.2.1.
Herziening, intrekking en terugvordering van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor herziening, intrekking en terugvordering is voldaan in beginsel op de bijstandverlenende instantie. Dit betekent dat de bijstandverlenende instantie de nodige kennis over de relevante feiten moet verzamelen.


4.2.2.
Uit het namens het college door het IBF verrichte onderzoek blijkt dat in de onder 1.5 genoemde periodes op naam van X en zijn NINO-nummer werkzaamheden zijn verricht en loonbetalingen zijn gedaan in het Verenigd Koninkrijk en dat zowel X als appellante ingeschreven zijn of hebben gestaan in het Verenigd Koninkrijk . Daarnaast beschikt het college over kopieën van een belastingaanslag van de Britse belastingdienst van 4 oktober 2018, een aanvraag om belastingteruggave van 2 juli 2018, en een kopie van een Britse creditcard van januari 2019, allen op naam van X. Daar komt bij dat in het wijzigingsformulier van 8 januari 2019 staat dat X sinds 2018 werkzaamheden in Londen verricht. Op dat formulier staat een adres dat overeenkomt met de gegevens verkregen van het IBF. Gelet op de vaste rechtspraak over de gevallen waarin op naam en BSN-nummer van de betrokkene werkzaamheden zijn verricht en loonbetalingen zijn gedaan, en de overige hiervoor geschetste feiten en omstandigheden van deze zaak in samenhang bezien, is de Raad van oordeel dat het college hiermee aannemelijk heeft gemaakt dat X in de in de hier te beoordelen periodes werkzaamheden heeft verricht waarvoor hij loon heeft ontvangen.


4.2.3.

De stelling van appellante dat deze bewijsstukken niet X betreffen en het gevolg zijn van identiteitsfraude volgt de Raad niet. De rechtbank heeft over deze grond overwogen:
‘7.1 [Appellante en X] (…) hebben niet aannemelijk gemaakt dat een derde met gebruikmaking van [X] identiteit werkzaamheden heeft verricht en daaruit inkomsten heeft ontvangen. Door [X] is, ook nadat hem bekend is geworden dat op zijn naam werkzaamheden zijn verricht en inkomsten zijn verworven, in GrootBrittannië geen aangifte gedaan van identiteitsfraude. In Nederland heeft [X] pas op 22 juli 2019 aangifte gedaan van vervalsing van het wijzigingsformulier van 8 januari 2019. Daarnaast is het relaas van [X] niet consistent, nu hij tijdens het gesprek op 30 januari verklaarde dat hij zijn paspoort was kwijtgeraakt, tijdens de hoorzitting in bezwaar suggereerde dat zijn paspoort mogelijk is gestolen door vrienden die in Groot-Brittannië wonen, terwijl volgens de "verklaring betreffende vermissing identiteitsbewijs" het paspoort met een verhuizing is vermist. Ter zitting heeft [X] nader verklaard dat het paspoort is gestolen door een bekende van hem en dat hij geen actie heeft ondernomen jegens deze derde. Verder stond, behalve [X], ook [appellante] op een adres in Engeland ingeschreven, terwijl haar paspoort niet is vermist of gestolen en daarmee dus geen misbruik kon worden gemaakt van haar identiteit. [Appellante en X] hebben voor deze inschrijving geen verklaring gegeven. Daarnaast bevindt zich bij het aanvullend beroepschrift een kopie van het paspoort waarvan [X] stelt dat dit in juni 2015 enkele dagen na de uitgifte daarvan is gestolen. [X] heeft niet kunnen verklaren hoe hij de beschikking heeft gekregen over deze kopie. Hij heeft uitsluitend verklaard geen kopie van het paspoort te hebben gemaakt.’
De Raad is het eens met de overwegingen van de rechtbank en neemt deze over. Daaraan wordt toegevoegd dat ook ter zitting van de Raad appellante geen duidelijkheid heeft kunnen verschaffen over de gang van zaken en geen nieuwe stukken heeft overgelegd die haar stelling ondersteunen. Ten aanzien van het formulier van 8 januari 2019 wordt aanvullend overwogen dat het onaannemelijk is dat niet X maar een derde woonachtig in het Verenigd Koninkrijk dit formulier van de site van de gemeente heeft gedownload, uitgedraaid, handmatig ingevuld en opgestuurd. Ook omdat het formulier een handtekening bevat waarvan het college onweersproken heeft gesteld dat die sterk lijkt op die van X. Er is voor de Raad daarom geen reden om tot een andere conclusie te komen dan de rechtbank.



4.2.4.

Ook de stelling dat X onmogelijk in het Verenigd Koninkrijk heeft kunnen werken, gelet op de ziekenhuisbezoeken in Nederland en de in Nederland verrichte pintransacties volgt de Raad niet. De rechtbank heeft hierover als volgt overwogen:
‘7.2 Dat [X] in de periode van belang afspraken had in het ziekenhuis in [plaats 1] is onvoldoende om te concluderen dat [X] gedurende de periode van belang geen inkomsten heeft genoten in Groot-Brittannië . [X] heeft voor deze afspraken immers naar Nederland kunnen reizen. Dat de pinpas van [X] gedurende de periode van belang voortdurend in Nederland is gebruikt, biedt evenmin grond voor de conclusie dat [X] niet in Groot-Brittannië heeft gewerkt. Deze pas kan door een ieder worden gebruikt die op de hoogte is van de pincode. De gemachtigde van [appellante en X] heeft tijdens de hoorzitting verklaard dat de pinpas door de dochter van [appellante] werd gebruikt als [X] in het ziekenhuis was opgenomen, zodat ervan mag worden uitgegaan dat in ieder geval de dochter gebruik kon maken van [X] pinpas.’
De Raad is het ook met deze overwegingen eens en neemt deze eveneens over. Daaraan wordt toegevoegd dat verschillende van de afspraakbevestigingen en verslagen van behandelingen van X die appellante heeft overgelegd zien op data waarop volgens de informatie van het college niet in het Verenigd Koninkrijk is gewerkt, zodat deze stukken geen onderbouwing zijn voor de stelling dat X niet in het Verenigd Koninkrijk kon werken. Dat is onder andere het geval voor het bezoek aan de spoedeisende hulp op 19 september 2014, het bezoek aan de spoedeisende hulp op 15 oktober 2016, de operatie op 28 januari 2017 en de policontrole op 31 januari 2017.




4.3.
Appellante voert verder aan dat er dringende redenen zijn op grond waarvan de terugvordering zou moeten worden gematigd. Appellante kan de terugvordering onmogelijk terugbetalen en heeft hier veel stress door ervaren. Zij heeft gezondheidsklachten ontwikkeld en uiteindelijk tegen haar wil Nederland verlaten omdat zij bang was dat zij zich hier niet meer kon handhaven. Daarnaast voert zij aan dat zij hoe dan ook (zelf) geen werkzaamheden heeft verricht, maar wel met de hoge terugvordering wordt geconfronteerd.


4.4.
Deze beroepsgrond slaagt ook niet. Daartoe overweegt de Raad als volgt.

4.4.1.
Het college is verplicht om de kosten van bijstand terug te vorderen voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting. Dit uitgangspunt staat in artikel 58, eerste lid, van de PW. Maar indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Dat volgt uit artikel 58, achtste lid, van de PW.


4.4.2.
Zoals de Raad in vier uitspraken van 10 december 2024 tot uitdrukking heeft gebracht moet een besluit om al dan niet van deze mogelijkheid gebruik te maken zijn gebaseerd op een belangenafweging. Daarbij geldt het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald en verder dat met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval rekening wordt gehouden. Die feiten en omstandigheden kunnen zien op de gevolgen van de terugvordering, maar ook op de oorzaak daarvan. De afweging zal een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het evenredigheidsbeginsel, moeten kunnen doorstaan.


4.4.3.
Op grond van wat appellante naar voren heeft gebracht heeft het college bij afweging van de betrokken belangen geen dringende redenen hoeven aannemen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Het besluit om niet van terugvordering af te zien getuigt niet van een onevenwichtige afweging van de daarbij betrokken belangen.


4.4.4.
Daarbij is van belang dat de terugvordering niet is ontstaan door toedoen van het college. De terugvordering is ontstaan omdat appellante en X geen melding hebben gemaakt van de werkzaamheden en de daaruit verkregen inkomsten. Het college heeft, nadat zij een signaal heeft gekregen dat de bijstandverlening mogelijk niet rechtmatig was, voldoende voortvarend opgetreden zodat de het bedrag van de terugvordering niet onnodig hoog is opgelopen.


4.4.5.
Voor wat betreft de gevolgen geldt dat het enkele feit dat het gaat om een hoog bedrag en dat appellante daar stress van heeft ondervonden onvoldoende is voor het aannemen van dringende redenen om (deels) van de terugvordering af te zien, temeer omdat de door appellante gestelde gezondheidsklachten niet zijn onderbouwd. Dat appellante zich genoodzaakt zag Nederland te verlaten omdat zij niet dacht dat zij zich in Nederland nog kon handhaven is evenmin voldoende om dringende redenen aan te nemen. Appellante geniet als schuldenaar de bescherming van de regels over de beslagvrije voet die zijn neergelegd in de artikelen 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Bovendien heeft het college ter zitting toegelicht dat appellante een verzoek tot kwijtschelding kan doen na 10 jaar, mits zij zich aan haar betalingsverplichtingen heeft gehouden. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze door de wet geboden bescherming en het perspectief op mogelijke kwijtschelding voor haar onvoldoende waren om zich in Nederland te kunnen handhaven met als gevolg dat zij niet langer in Nederland kon blijven.


4.4.6.
Dat de kosten van de verstrekte bijstand ook van appellante worden teruggevorderd terwijl zij zelf geen werkzaamheden heeft verricht, is eveneens geen dringende reden om (deels) van de terugvordering af te zien. Appellante en X hadden een gezamenlijk recht op, en voordeel van, bijstand naar de norm voor gehuwden. Als partners gezinsbijstand ontvangen, worden zij voor hun aanspraken en verplichtingen op grond van de PW als een eenheid gezien. In geval van terugvordering kunnen zij dan ook in beginsel niet met succes een beroep doen op de onbekendheid van de activiteiten van de ander of het gebrek van voordeel daaruit. Dit volgt uit eerdere rechtspraak. Appellante heeft geen omstandigheden gesteld op grond waarvan in het kader van de dringende redenen in haar geval van de vaste rechtspraak hierover moet worden afgeweken.





Conclusie en gevolgen


4.7.

Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de herziening, intrekking en terugvordering van de bijstand in stand blijven.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.






BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.




Deze uitspraak is gedaan door E.C.E. Marechal als voorzitter en A. Hoogenboom en D.H. Harbers als leden, in tegenwoordigheid van W.B. Eefting als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2026.






(getekend) E.C.E. Marechal




(getekend) W.B. Eefting




Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels



Participatiewet




Artikel 11, vierde lid
Het recht op bijstand komt de echtgenoten gezamenlijk toe, tenzij een van de echtgenoten geen recht op bijstand heeft.



Artikel 17, eerste lid
De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het college kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.



Artikel 58, eerste lid
Het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend vordert de kosten van bijstand terug voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid (...).



Artikel 58, achtste lid
Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.



Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 8 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4376 en 4 april 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1255.


ECLI:NL:CRVB:2024:2192, ECLI:NL:CRVB:2024:2193, ECLI:NL:CRVB:2024:2194, ECLI:NL:CRVB:2024:2195.


Artikel 11, vierde lid, van de PW.


Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 22 augustus 2017, ECLI: NL:CRVB:2017:2871, 13 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4808 en 26 november 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3923.