Centrale Raad van Beroep
ECLI:NL:CRVB:2026:1074
2026-08-06
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
26/384 ONBEK-V
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
De Raad verklaart het verzet ongegrond.
Citeert (2)
- ECLI:NL:CRVB:2010:BP1547 Centrale Raad van Beroep 30-12-2010
- ECLI:NL:CRVB:2018:2041 Centrale Raad van Beroep 05-07-2018
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (3.782 tekens)
26/384 ONBEK-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het verzet in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 30 januari 2026, 25/5276 (aangevallen uitspraak)
Partij:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
Datum uitspraak: 6 augustus 2026
PROCESVERLOOP
In de uitspraak van 1 april 2026 heeft de Raad zich onbevoegd verklaard om van het door appellant ingestelde hoger beroep kennis te nemen.
Appellant heeft verzet gedaan.
De Raad heeft het verzet behandeld op de zitting van 25 juni 2026. Appellant is ter zitting verschenen.
OVERWEGINGEN
De uitspraak van de Raad van 1 april 2026 berust op de overwegingen dat de aangevallen uitspraak een uitspraak is als bedoeld in artikel 8:55, zevende lid, van de Awb (Algemene wet bestuursrecht), waartegen op grond van artikel 8:104, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb geen hoger beroep kan worden ingesteld.
Appellant voert in verzet aan dat er reden is om het appelverbod te doorbreken. De onderliggende problematiek betreft een samenstel van rechtsgebieden, waaronder het bestuursrecht. Er is een hybride rechtsverhouding die niet zomaar onder het bereik van het appelverbod kan worden gebracht. Aangezien de bestuursrechter zich onbevoegd verklaart is er geen enkele instantie die de rechtmatigheid van executie toetst en is er feitelijk sprake van het ontbreken van effectieve rechtsbescherming. Dit is in strijd met artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Appellant stelt dat de formele onbevoegdverklaring onevenredig nadelig uitwerkt, omdat de executiemaatregelen doorlopen. Verder voert appellant aan dat hij belang heeft bij toetsing van de rechtmatigheid van de vorderingen van het CJIB, bij beoordeling van de executie, bij herstel en correctie van de beslagvrije voet en bij beëindiging van de onrechtmatige maatregelen.
Overwegingen van de Raad
3.1
Voor doorbreking van een wettelijk appelverbod kan aanleiding zijn indien sprake is van een evidente schending van eisen van een goede procesorde dan wel van fundamentele rechtsbeginselen, zodanig dat van een eerlijk proces geen sprake is. Deze situatie doet zich hier niet voor. Wat appellant heeft aangevoerd is een herhaling van de argumenten die hij in verzet bij de rechtbank heeft aangevoerd en die argumenten bieden geen grond voor het oordeel dat zich in dit geval een zodanige schending heeft voorgedaan.
3.2.
Wat appellant voor het overige heeft aangevoerd geeft evenmin grond voor het oordeel dat de uitspraak van 1 april 2026 niet in stand kan blijven.
3.3.
Dit betekent dat het verzet ongegrond wordt verklaard.
4. Voor een proceskostenveroordeling van het verzet is geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier in tegenwoordigheid van M.G.J. van Eck als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 augustus 2026.
(getekend) H.G. Rottier
(getekend) M.G.J. van Ec
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Raad van 30 december 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BP1547 en 5 juli 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2041.
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het verzet in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 30 januari 2026, 25/5276 (aangevallen uitspraak)
Partij:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
Datum uitspraak: 6 augustus 2026
PROCESVERLOOP
In de uitspraak van 1 april 2026 heeft de Raad zich onbevoegd verklaard om van het door appellant ingestelde hoger beroep kennis te nemen.
Appellant heeft verzet gedaan.
De Raad heeft het verzet behandeld op de zitting van 25 juni 2026. Appellant is ter zitting verschenen.
OVERWEGINGEN
De uitspraak van de Raad van 1 april 2026 berust op de overwegingen dat de aangevallen uitspraak een uitspraak is als bedoeld in artikel 8:55, zevende lid, van de Awb (Algemene wet bestuursrecht), waartegen op grond van artikel 8:104, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb geen hoger beroep kan worden ingesteld.
Appellant voert in verzet aan dat er reden is om het appelverbod te doorbreken. De onderliggende problematiek betreft een samenstel van rechtsgebieden, waaronder het bestuursrecht. Er is een hybride rechtsverhouding die niet zomaar onder het bereik van het appelverbod kan worden gebracht. Aangezien de bestuursrechter zich onbevoegd verklaart is er geen enkele instantie die de rechtmatigheid van executie toetst en is er feitelijk sprake van het ontbreken van effectieve rechtsbescherming. Dit is in strijd met artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Appellant stelt dat de formele onbevoegdverklaring onevenredig nadelig uitwerkt, omdat de executiemaatregelen doorlopen. Verder voert appellant aan dat hij belang heeft bij toetsing van de rechtmatigheid van de vorderingen van het CJIB, bij beoordeling van de executie, bij herstel en correctie van de beslagvrije voet en bij beëindiging van de onrechtmatige maatregelen.
Overwegingen van de Raad
3.1
Voor doorbreking van een wettelijk appelverbod kan aanleiding zijn indien sprake is van een evidente schending van eisen van een goede procesorde dan wel van fundamentele rechtsbeginselen, zodanig dat van een eerlijk proces geen sprake is. Deze situatie doet zich hier niet voor. Wat appellant heeft aangevoerd is een herhaling van de argumenten die hij in verzet bij de rechtbank heeft aangevoerd en die argumenten bieden geen grond voor het oordeel dat zich in dit geval een zodanige schending heeft voorgedaan.
3.2.
Wat appellant voor het overige heeft aangevoerd geeft evenmin grond voor het oordeel dat de uitspraak van 1 april 2026 niet in stand kan blijven.
3.3.
Dit betekent dat het verzet ongegrond wordt verklaard.
4. Voor een proceskostenveroordeling van het verzet is geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier in tegenwoordigheid van M.G.J. van Eck als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 augustus 2026.
(getekend) H.G. Rottier
(getekend) M.G.J. van Ec
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Raad van 30 december 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BP1547 en 5 juli 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2041.