Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Centrale Raad van Beroep

ECLI:NL:CRVB:2026:1042

2026-08-12 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht 23/3415 WAO
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2026-08-12
Publicatiedatum
2026-08-12
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Proceskostenveroordeling
Zaaknummer
23/3415 WAO
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Proceskostenveroordeling. Appellante heeft het hoger beroep ingetrokken omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 31 juli 2025 volledig aan de bezwaren van appellante is tegemoetgekomen.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (5.124 tekens)
23/3415 WAO, 25/507 WAO



Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer












Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 9 november 2023, 23/1558 (aangevallen uitspraak)







Partijen:




[appellante] te [woonplaats] (appellante)



de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)








Datum uitspraak: 12 augustus 2026




PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. R.D.Z. Asmus, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Partijen hebben nadere stukken ingediend.



Het Uwv heeft op 10 maart 2025 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen. Het beroep van appellante tegen dit besluit is geregistreerd onder nummer 25/507 WAO.



De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 27 maart 2025. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. D. Lagendijk, kantoorgenoot van mr. Asmus. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.C.M. Martens. Op de eerdere zitting van 12 februari 2025 is de zaak niet inhoudelijk behandeld in verband met plotselinge ziekte van de gemachtigde van het Uwv. Appellante is die dag echter wel verschenen met haar gemachtigde.



Op 19 juni 2025 heeft de Raad een tussenuitspraak gedaan, waarbij aan het Uwv is opgedragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen.



Het Uwv heeft op 31 juli 2025 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.



Appellante heeft het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten.



Het Uwv heeft te kennen geven zich te kunnen vinden in een veroordeling in de proceskosten.



De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.



De Raad heeft partijen laten weten dat hij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een nieuwe zitting behandeld en het onderzoek gesloten.





OVERWEGINGEN


Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.



Appellante heeft het hoger beroep ingetrokken omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 31 juli 2025 volledig aan de bezwaren van appellante is tegemoetgekomen. Het Uwv heeft daarbij de kosten van bezwaar, te weten de kosten van rechtsbijstand, vergoed.



De Raad ziet aanleiding het Uwv te veroordelen in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 1.868,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde van € 934,- per punt met wegingsfactor 1) en € 2.335,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het verschijnen ter nadere zitting, met een waarde van € 934,- per punt met wegingsfactor 1) voor verleende rechtsbijstand. Ook de reiskosten van appellante voor het bijwonen van de zittingen in beroep en in hoger beroep komen voor vergoeding in aanmerking tot een bedrag van € 73,48 op basis van openbaar vervoer tweede klas. In totaal bedragen de te vergoeden kosten voor het Uwv € 4.276,48.



Ook dient het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.





BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep





veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van € 4.276,48;


bepaalt dat het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 186,- vergoedt.





Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris, in tegenwoordigheid van S.P.A. Elzer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2026.




(getekend) A.I. van der Kris





(getekend) S.P.A. Elzer






CRvB 19 juni 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:953.