Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Centrale Raad van Beroep

ECLI:NL:CRVB:2026:1041

2026-07-30 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht 25/1098 ZW
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2026-07-30
Publicatiedatum
2026-08-12
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
25/1098 ZW
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering van appellant om dat hij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Er bestaat geen reden te twijfelen aan de juistheid van de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en het oordeel van de rechtbank dat met de FML van 20 maart 2024 in voldoende mate rekening is gehouden met de op de datum in geding bij appellant bestaande beperkingen voor het verrichten van arbeid. De geselecteerde functies zijn in overeenstemming met de belastbaarheid van appellant.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (14.211 tekens)
25/1098 ZW




Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer












Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 17 april 2025, 24/4295 (aangevallen uitspraak)







Partijen:




[appellant] te [woonplaats] (appellant)



de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)








Datum uitspraak: 30 juli 2026


SAMENVATTING


Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de ZW-uitkering van appellant per 16 september 2023 heeft beëindigd. Volgens appellant was hij toen door zijn (medische) beperkingen niet in staat om passende functies te vervullen, zodat hij onveranderd recht heeft op een ZW-uitkering. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de ZW-uitkering terecht heeft beëindigd





PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. M. Özgül, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.



De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.



De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 7 mei 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Özgül. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.F.C.A.M. Weterings.





OVERWEGINGEN




Inleiding


1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.



1.1.
Appellant is werkzaam geweest als medewerker kas voor 40 uur per week. Op 3 augustus 2020 is appellant uitgevallen met gezondheidsklachten. Na afloop van zijn dienstverband heeft hij ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW) ontvangen. Met ingang van 20 januari 2021 is appellant hersteld verklaard voor de maatgevende arbeid. Vervolgens heeft appellant zich per 6 oktober 2021 opnieuw ziekgemeld. Het Uwv heeft vastgesteld dat appellant per 6 oktober 2021 geen recht heeft op ziekengeld op grond van de ZW, omdat hij geschikt werd geacht voor de laatst verrichte arbeid in de functie van medewerker kas. Dit besluit is na bezwaar, beroep en hoger beroep in stand gebleven.



1.2.
Vanuit een werkloosheidssituatie heeft appellant zich op 2 augustus 2022 ziekgemeld. Het Uwv heeft appellant een uitkering op grond van de ZW toegekend. In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) heeft appellant het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft appellant belastbaar geacht met inachtneming van beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 7 augustus 2023, geldig vanaf 1 augustus 2023. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor zijn laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellant functies geselecteerd. Het Uwv heeft bij besluit van 15 augustus 2023 de ZW-uitkering van appellant met ingang van 16 september 2023 beëindigd, omdat hij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd.



1.3.
Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Een verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op 20 maart 2024 de FML per 16 september 2023 aangepast in verband met een latere ziekmelding van appellant per 30 oktober 2023, waarbij meer beperkingen zijn aangenomen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aangenomen dat deze aanvullende beperkingen ook gelden op het moment van de intrekking van de ZW. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vastgesteld dat er nog voldoende passende functies zijn om de conclusie te handhaven dat appellant meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Het Uwv heeft bij besluit van 11 april 2024 (bestreden besluit) het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.




Uitspraak van de rechtbank




2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft overwogen dat het medisch onderzoek op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en geen aanleiding gezien voor de conclusie dat de verzekeringsartsen de belastbaarheid van appellant niet juist hebben ingeschat. Niet gebleken is dat in de FML van 20 maart 2024 de beperkingen van appellant zijn onderschat.




2.1.
Met betrekking tot de rugklachten blijkt dat er forse beperkingen zijn aangenomen ten aanzien van de fysieke belastbaarheid, met name voor de rugklachten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gemotiveerd dat uit de informatie van de neuroloog naar voren komt dat er weliswaar geen ernstige afwijkingen worden gevonden, maar wel discopathie en een geringe vernauwing, wat moet leiden tot beperkingen op specifieke rugbelastende inspanningen. Uit de ingebrachte informatie in bezwaar volgt dat er geen evidente toename is van de afwijkingen in de rug. Appellant heeft niet nader gemotiveerd waarom hij van mening is dat zijn rugklachten zijn onderschat.



2.2.
Verder heeft de rechtbank vastgesteld dat uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de medische stukken blijkt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep op de hoogte was van het medicijngebruik bij het vaststellen van de belastbaarheid. Appellant heeft daarbij onvoldoende onderbouwd waarom en tot welke extra beperkingen het medicatiegebruik had moeten leiden. De primaire verzekeringsarts heeft appellant psychisch onderzocht en heeft overwogen dat er geen duidelijke tekenen van psychopathologie zijn. Ook de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft overwogen dat geen sprake is van een ernstige psychopathologie of een ernstig psychisch ziektebeeld. Appellant heeft ook niet met nadere stukken onderbouwd dat dit anders zou zijn. In de brief van 9 januari 2023 van centrum voor slaapgeneeskunde Kempenhaeghe , wordt vermeld dat er stemmingsklachten lijken te zijn, waarvoor het advies is gegeven om contact op te nemen met de huisarts. Verdere medische informatie over de psychische klachten ontbreekt. Daarmee is onvoldoende onderbouwd dat verdere beperkingen zouden moeten worden aangenomen.



2.3.
Ten aanzien van de slaapproblemen heeft de rechtbank overwogen dat appellant het meest gebaat is bij een duidelijk dag- en nachtritme en dat daarom een beperking is opgenomen voor werken in de avond of de nacht. Hiermee is voldoende rekening gehouden met de slaapproblemen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aan de hand van de Standaard Duurbelastbaarheid in arbeid uitgebreid gemotiveerd waarom een urenbeperking niet geïndiceerd is, ook niet op energetische gronden. Een slaapstoornis kan voorkomen bij RLS, maar in het geval van appellant is onvoldoende komen vast te staan dat RLS de oorzaak is van de gestelde slaapproblemen. Uit de informatie van Kempenhaeghe blijkt dat er getwijfeld wordt of RLS de primaire oorzaak is van het slechte slapen. Hij is het meest gebaat bij een vast dag-nachtritme met een vast slaap-waakritme en met name het overdag niet meer slapen helpt om in de nacht beter te slapen. De rechtbank heeft dit standpunt kunnen volgen.



2.4.
Uitgaande van de juistheid van de FML heeft de rechtbank geoordeeld dat de geselecteerde functies voor appellant geschikt zijn. Daarbij heeft de rechtbank per functie vastgesteld dat de belasting in de functies past bij de vastgestelde belastbaarheid van appellant. Voor de functie van assemblagemedewerker besturingskasten en panelen (SBCcode 267071) is geen kenmerkende belasting opgenomen ten aanzien van gebogen en/of getordeerd actief zijn. Het Uwv heeft nader toegelicht dat de opruimwerkzaamheden in deze functie zijn meegewogen bij het bepalen van de functiebelasting. Uit de resultaatfunctiebeoordeling blijkt dat er kortcyclisch gebogen moet worden in een hoek van ongeveer 30 graden. Deze functiebelasting valt binnen de belastbaarheid van appellant.



Het standpunt van appellant



3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat in de brief van 4 oktober 2022 van de neuroloog-somnoloog van Kempenhaeghe met betrekking tot het RLS-onderzoek is vermeld dat er sprake is van comorbide insomnieklachten. Volgens appellant zijn er naast psychische beperkingen, ook energetische beperkingen. De verzekeringsarts heeft onvoldoende gemotiveerd waarom op grond van de Standaard Duurbelastbaarheid in Arbeid geen medische indicatie – vanwege een stoornis in de energiehouding dan wel preventief – is voor een urenbeperking. Appellant heeft pijnklachten, psychische problemen en slaapproblemen, wat gevolgen heeft voor zijn energetische belastbaarheid. Wat betreft de assemblagemedewerker besturingskasten en panelen (SBC-code 267071) heeft appellant gesteld dat afgaande op de functiebelastingen kennelijk op geen enkele wijze gebogen hoeft te worden, wat hem bevreemdt. Omdat niet vastgesteld kan worden op welke wijze het buigen noodzakelijk is en in hoeverre geboden moet worden, is onduidelijk of deze functie geschikt is voor appellant.



Het standpunt van het Uwv



4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.




Het oordeel van de Raad


5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de beëindiging van de ZW-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.



5.1.
Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW behoudt een betrokkene na 52 weken van ongeschiktheid tot werken zijn ZW-uitkering, als hij als gevolg van ziekte minder kan verdienen dan 65% van zijn laatstverdiende loon (maatmaninkomen). Dit percentage wordt berekend door het maatmaninkomen te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Bij deze beoordeling wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de systematiek van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. Ook deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.



Medische beoordeling





5.2.
De gronden waarop het hoger beroep berust, zijn een herhaling van wat appellant in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft deze gronden in de aangevallen uitspraak afdoende gemotiveerd besproken. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de aan dit oordeel ten grondslag gelegde overwegingen. In hoger beroep heeft appellant geen nieuwe medische stukken ingediend. Er bestaat geen reden te twijfelen aan de juistheid van de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en het oordeel van de rechtbank dat met de FML van 20 maart 2024 in voldoende mate rekening is gehouden met de op de datum in geding bij appellant bestaande beperkingen voor het verrichten van arbeid. De rechtbank heeft terecht vastgesteld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 20 maart 2024 aan de hand van de criteria, vermeld in de Standaard Duurbelastbaarheid in arbeid, uitgebreid heeft gemotiveerd waarom een urenbeperking niet geïndiceerd is. Daarbij is de informatie van Kempenhaeghe , waaronder ook de brief van 4 oktober 2022, betrokken. De vastgestelde beperkingen in de rubriek werktijden, waarbij appellant niet in staat wordt geacht ’s avonds en ’s nachts te werken, liggen in lijn met de onderzoeksbevindingen van Kempenhaeghe . Uit die informatie blijkt immers dat appellant het meest gebaat is bij een vast dag-nachtritme met een vast slaapwaakritme. Dat verdergaande beperkingen hadden moeten worden aangenomen in verband met psychische klachten is niet nader onderbouwd en blijkt niet uit de medische stukken.



Arbeidskundige beoordeling





5.3.
Ook het oordeel van de rechtbank dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de geselecteerde functies in overeenstemming zijn met de belastbaarheid van appellant, wordt onderschreven. Daaraan wordt nog toegevoegd dat volgens vaste rechtspraak in beginsel geldt dat dient te worden uitgegaan van de juistheid van de in het CBBS opgenomen gegevens. Wat appellant heeft aangevoerd over de functie assemblagemedewerker besturingskasten en panelen (SBC-code 267071) is (enkel) gebaseerd op een eigen interpretatie van de belastbaarheid van deze functie en leidt niet tot de conclusie dat moet worden getwijfeld aan de juistheid van de in het CBBS opgenomen feitelijke gegevens.





Conclusie en gevolgen


5.4.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de beëindiging van de ZW-uitkering in stand blijft.


6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.







BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.




Deze uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin, in tegenwoordigheid van C.E.A. Tessemaker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2026.





(getekend) M.E. Fortuin





De griffier is verhinderd te ondertekenen.






CRvB 13 december 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2441.


Zie bijvoorbeeld CRvB 30 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4920.


Zie bijvoorbeeld CRvB 7 mei 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:688.