Centrale Raad van Beroep
ECLI:NL:CRVB:2026:1040
2026-07-30
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
24/2404 WAO
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de WAO-uitkering van appellante per 28 maart 2023 ongewijzigd heeft voortgezet naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Volgens appellante zijn haar beperkingen toegenomen. Daarom kan zij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid juist heeft vastgesteld.
Citeert (3)
- ECLI:NL:CRVB:2016:965 Centrale Raad van Beroep 18-03-2016
- ECLI:NL:CRVB:2020:2721 Centrale Raad van Beroep 28-10-2020
- ECLI:NL:CRVB:2023:185 Centrale Raad van Beroep 26-01-2023
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (16.703 tekens)
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
24/2404 WAO
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 oktober 2024, 23/5325 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 30 juli 2026
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de WAO-uitkering van appellante per 28 maart 2023 ongewijzigd heeft voortgezet naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Volgens appellante zijn haar beperkingen toegenomen. Daarom kan zij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid juist heeft vastgesteld.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. dr. C.P.M. van Houte hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Appellante heeft hierop gereageerd.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 7 mei 2026. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. dr. Van Houte. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.L.M. Dunselman.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Het Uwv heeft appellante met ingang van 20 december 2004 een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Na een herbeoordeling is de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 13 juni 2007 gewijzigd naar 25 tot 35%. Daaraan ligt ten grondslag een medisch onderzoeksverslag van 24 mei 2007 en een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 25 mei 2007. Daarin zijn beperkingen aangenomen voor psychische en fysieke klachten, voor zover die klachten objectiveerbaar zijn geacht. Na een herbeoordeling in 2009 heeft het Uwv vastgesteld dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante niet is gewijzigd.
1.2.
Appellante heeft zich bij brief van 28 februari 2022 toegenomen arbeidsongeschikt gemeld bij het Uwv in verband met klachten aan haar handen en voet. Ook heeft appellante gemeld dat haar nek-, rug-, schouder- en hoofdpijnklachten zijn toegenomen.
1.3.
Naar aanleiding van deze melding is appellante op 13 september 2022 gezien door een verzekeringsarts. De verzekeringsarts heeft een psychisch en lichamelijk onderzoek verricht bij appellante. In het rapport van 8 maart 2023 van de verzekeringsarts is vermeld dat appellante ten tijde van de laatste herbeoordeling al last had van nek-, schouder- en rugklachten en van psychische klachten en hoofdpijnklachten, dit betreffen volgens de verzekeringsarts oude klachten. Ook is volgens de verzekeringsarts sprake van nieuwe klachten aan de rechtervoet aan de rechterhand (middelvinger) (nadat zij ongeveer een jaar geleden van een paard is gevallen) en aan meerdere vingers van de linkerhand. De verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat de beperkingen in verband met de oude klachten niet noemenswaardig zijn toegenomen ten opzichte van de eerdere onderzoeken die in het kader van de WAO hebben plaatsgevonden. Over de nieuwe klachten heeft de verzekeringsarts geconcludeerd dat sinds april 2018 sprake is van beperkingen aan de linkerhand en vanaf september 2021 zijn er ook beperkingen aan de rechterhand. De verzekeringsarts heeft de belastbaarheid van appellante op basis van de oude klachten neergelegd in een FML van 8 maart 2023, geldig per 13 september 2022. De beperkingen in deze FML zijn dezelfde als in de FML van 25 mei 2007. Een arbeidsdeskundige heeft vervolgens functies geselecteerd op basis daarvan de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante vastgesteld op 27,97%.
1.4.
Bij besluit van 28 maart 2023 heeft het Uwv bepaald dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante ongewijzigd 25 tot 35% blijft. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
1.5.
Bij beslissing op bezwaar van 22 augustus 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 28 maart 2023 ongegrond verklaard. Hieraan liggen een rapport van 17 juli 2023 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een rapport van 31 juli 2023 van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft dossierstudie verricht omdat appellante heeft aangegeven geen prijs te stellen op een hoorzitting. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geen aanleiding gezien om af te wijken van het primaire medische oordeel. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft een functie laten vervallen en de resterende vier geselecteerde functies onveranderd geschikt geacht voor appellante. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante vastgesteld op 31%, dus de arbeidsongeschiktheidsklasse is ongewijzigd 25 tot 35%.
Uitspraak van de rechtbank
2.1.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft geoordeeld dat het medisch onderzoek door het Uwv zorgvuldig is geweest. Ook is er geen reden voor twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling. Appellante is onderzocht tijdens het spreekuurcontact bij de (primaire) verzekeringsarts. De verzekeringsartsen hebben geen aanleiding gezien om informatie uit de behandelend sector op te vragen, omdat dit niet van toegevoegde waarde zou zijn geweest. In de door appellante ingebrachte medische informatie blijkt niet van een beredeneerd afwijkend standpunt over de oude klachten en beperkingen van appellante. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat de rapporten van de verzekeringsartsen inconsistenties bevatten en niet concludent zijn. Omdat de rechtbank geen aanleiding heeft voor twijfel aan het medische oordeel van het Uwv, heeft de rechtbank het verzoek van appellante om een deskundige te benoemen, afgewezen.
2.2.
Over de functieselectie heeft de rechtbank overwogen dat het aantal geselecteerde functies in overeenstemming is met artikel 9, aanhef en onder a, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten. Verder heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende gemotiveerd dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellante. Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de juistheid van de in het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) opgenomen gegevens over de uurlonen van de geselecteerde functies. Wat appellante heeft aangevoerd over de uurlonen van de geselecteerde functies, is enkel gebaseerd op aannames.
Het standpunt van appellante
3.1.
Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Volgens appellante is het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen onzorgvuldig geweest omdat zij geen informatie hebben opgevraagd bij de behandelend sector. Hierdoor ontstaat wapenongelijkheid en is sprake van strijd met het recht op een eerlijk proces, zoals vastgelegd in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Appellante heeft de Raad daarom verzocht om een medisch deskundige in te schakelen, zij is hiertoe zelf financieel niet in staat.
3.2.
Volgens appellante zijn haar lichamelijke beperkingen toegenomen. De primaire verzekeringsarts heeft dit onvoldoende onderzocht. De verzekeringsarts heeft zich gebaseerd op verouderde informatie uit 2005 en niet op recent medisch onderzoek of bij behandelend artsen opgevraagde informatie. Zo is geen onderzoek gedaan op het punt dat de (nieuw ontstane) klacht in haar rechterhand mogelijk verband houdt met haar oude klachten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geen aanvullend onderzoek gedaan. Volgens appellante volgt uit de informatie van haar fysiotherapeut van 19 maart 2024 dat zij in toenemende mate last heeft van haar rechterschouder. Verder heeft appellante aangevoerd dat de geselecteerde functies niet geschikt zijn voor haar. De arbeidsdeskundige is bij het selecteren van de functies ten onrechte niet uitgegaan van een arbeidsduurbeperking. Appellante moet na lichte arbeid van tien minuten ongeveer 45 tot 60 minuten rusten. Verder heeft appellante haar standpunt herhaald dat de geselecteerde functies te weinig arbeidsplaatsen vertegenwoordigen en dat de arbeidsdeskundigen van het Uwv verkeerde referentielonen hanteren. Tot slot heeft appellante erop gewezen dat in de jaren tot en met 2024 significante problemen zijn geweest met het CBBS en dat veel beoordelingen door het Uwv niet zorgvuldig zijn uitgevoerd.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak. Het Uwv heeft daarbij nog toegelicht dat herziening van de WAO-uitkering naar een hoger arbeidsongeschiktheidspercentage aan de orde is als de toegenomen arbeidsongeschiktheid voorkomt uit dezelfde ziekteoorzaak als die tot toekenning van de WAO-uitkering heeft geleid. Volgens het Uwv is het onderzoek door de verzekeringsarts zorgvuldig geweest. Het dossier is bestudeerd en appellante is op 13 september 2022 op een spreekuur gezien waarbij lichamelijk en psychisch onderzoek is verricht, waarbij onderscheid is gemaakt tussen de oude verzekerde klachten en de nieuwe niet-verzekerde klachten. De verzekeringsarts heeft gemotiveerd toegelicht dat de oude klachten niet zijn toegenomen.
Het oordeel van de Raad
5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over het ongewijzigd voortzetten van de WAO-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
5.1.
In deze zaak gaat het om de vraag of appellante voldoet aan de voorwaarden van artikel 37 van de WAO. Op grond van artikel 37, eerste lid, van de WAO vindt, voor zover van belang, herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 45%, ter zake van toeneming van arbeidsongeschiktheid plaats zodra de toegenomen arbeidsongeschiktheid onafgebroken 104 weken heeft geduurd. Op grond van het tweede lid vindt de in het eerste lid bedoelde herziening niet plaats indien de uitkeringsgerechtigde bij het intreden van de toegenomen arbeidsongeschiktheid uitsluitend op grond van artikel 7b als werknemer wordt beschouwd en de toeneming kennelijk is voortgekomen uit een andere oorzaak dan die waaruit de ongeschiktheid, ter zake waarvan de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt ontvangen, is voortgekomen.
5.2.
Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, is in essentie een herhaling van wat zij in beroep naar voren heeft gebracht. Het oordeel van de rechtbank daarover en de hieraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.
5.3.
Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen van het Uwv zorgvuldig is geweest. Appellante wordt niet gevolgd in haar standpunt dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is, omdat de verzekeringsartsen geen informatie hebben opgevraagd bij de behandelend sector. Volgens vaste rechtspraak is raadpleging van de behandelend sector aangewezen in die gevallen waarin reeds een behandeling in gang is gezet of zal worden gezet, welke een beduidend effect zal hebben op de mogelijkheden van een betrokkene tot het verrichten van arbeid, of indien een betrokkene stelt dat de behandelende sector een beredeneerd afwijkend standpunt heeft over de beperkingen. Geen van deze situaties doen zich hier voor, voor zover het de oude verzekerde klachten betreft.
5.4.
Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding voor twijfel aan de juistheid van het medisch oordeel van het Uwv. De verzekeringsarts heeft inzichtelijk gemotiveerd dat geen sprake is van een toename van de oude, verzekerde beperkingen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geen aanleiding gezien om hiervan af te wijken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in rapporten van 27 maart 2024 en 11 juni 2024 voldoende gemotiveerd dat uit de door appellante ingebrachte, waaronder informatie van haar behandelend fysiotherapeut, niet blijkt dat sprake is van toegenomen beperkingen voortkomend uit de oude verzekerde klachten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft toegelicht dat er geen aanwijzingen zijn voor afwijkingen of bewegingsbeperkingen aan de nek, schouders of rug die aanleiding geven voor verdergaande beperkingen. Voor de niet onderbouwde stelling van appellante dat mogelijk een verband bestaat tussen de nieuwe handklachten en de oude klachten zijn geen enkele aanknopingspunten te vinden.
5.5.
Het betoog van appellante dat in deze procedure sprake is van wapenongelijkheid en strijd met het beginsel van equality of arms als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, slaagt niet. Het beginsel van equality of arms vergt een balans voor partijen in hun mogelijkheden om bewijsmateriaal aan te dragen, die de rechter in staat moet stellen een onafhankelijk en onpartijdig oordeel te geven. Appellante heeft in beroep medische informatie overgelegd en de verzekeringsartsen hebben die informatie beoordeeld en deugdelijk gemotiveerd daarin geen aanleiding te hebben gezien om tot een ander standpunt te komen. Omdat geen twijfel bestaat over de juistheid van het oordeel van de verzekeringsartsen, is er geen aanleiding een deskundige te benoemen.
5.6.
Uitgaande van de juistheid van de FML per 13 september 2022, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellante. Bij de functieselectie heeft de arbeidsdeskundige terecht geen rekening gehouden met een urenbeperking omdat in de FML geen urenbeperking is opgenomen. Aangezien geen sprake is van geobjectiveerde toegenomen beperkingen van de oude klachten, is geen urenbeperking aan de orde. De rechtbank heeft ook terecht geoordeeld dat aan de schatting voldoende arbeidsplaatsen ten grondslag liggen. Het standpunt van appellante dat de arbeidsdeskundigen van het Uwv onjuiste referentielonen hanteren, heeft zij ook in hoger beroep niet onderbouwd. Er is daarom geen aanleiding om te twijfelen aan de in het CBBS opgenomen uurlonen van de geselecteerde functies. Ook is niet gebleken dat het Uwv in deze zaak op basis van het CBBS een onjuiste beoordeling heeft verricht.
Conclusie en gevolgen
5.7.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante terecht heeft vastgesteld op 25 tot 35%.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin, in tegenwoordigheid van C.E.A. Tessemaker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2026.
(getekend) M.E. Fortuin
De griffier is verhinderd te ondertekenen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 18 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:965.
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Raad van 28 oktober 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2721 en van 26 januari 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:185.
Enkelvoudige kamer
24/2404 WAO
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 oktober 2024, 23/5325 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 30 juli 2026
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de WAO-uitkering van appellante per 28 maart 2023 ongewijzigd heeft voortgezet naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Volgens appellante zijn haar beperkingen toegenomen. Daarom kan zij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid juist heeft vastgesteld.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. dr. C.P.M. van Houte hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Appellante heeft hierop gereageerd.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 7 mei 2026. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. dr. Van Houte. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.L.M. Dunselman.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Het Uwv heeft appellante met ingang van 20 december 2004 een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Na een herbeoordeling is de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 13 juni 2007 gewijzigd naar 25 tot 35%. Daaraan ligt ten grondslag een medisch onderzoeksverslag van 24 mei 2007 en een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 25 mei 2007. Daarin zijn beperkingen aangenomen voor psychische en fysieke klachten, voor zover die klachten objectiveerbaar zijn geacht. Na een herbeoordeling in 2009 heeft het Uwv vastgesteld dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante niet is gewijzigd.
1.2.
Appellante heeft zich bij brief van 28 februari 2022 toegenomen arbeidsongeschikt gemeld bij het Uwv in verband met klachten aan haar handen en voet. Ook heeft appellante gemeld dat haar nek-, rug-, schouder- en hoofdpijnklachten zijn toegenomen.
1.3.
Naar aanleiding van deze melding is appellante op 13 september 2022 gezien door een verzekeringsarts. De verzekeringsarts heeft een psychisch en lichamelijk onderzoek verricht bij appellante. In het rapport van 8 maart 2023 van de verzekeringsarts is vermeld dat appellante ten tijde van de laatste herbeoordeling al last had van nek-, schouder- en rugklachten en van psychische klachten en hoofdpijnklachten, dit betreffen volgens de verzekeringsarts oude klachten. Ook is volgens de verzekeringsarts sprake van nieuwe klachten aan de rechtervoet aan de rechterhand (middelvinger) (nadat zij ongeveer een jaar geleden van een paard is gevallen) en aan meerdere vingers van de linkerhand. De verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat de beperkingen in verband met de oude klachten niet noemenswaardig zijn toegenomen ten opzichte van de eerdere onderzoeken die in het kader van de WAO hebben plaatsgevonden. Over de nieuwe klachten heeft de verzekeringsarts geconcludeerd dat sinds april 2018 sprake is van beperkingen aan de linkerhand en vanaf september 2021 zijn er ook beperkingen aan de rechterhand. De verzekeringsarts heeft de belastbaarheid van appellante op basis van de oude klachten neergelegd in een FML van 8 maart 2023, geldig per 13 september 2022. De beperkingen in deze FML zijn dezelfde als in de FML van 25 mei 2007. Een arbeidsdeskundige heeft vervolgens functies geselecteerd op basis daarvan de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante vastgesteld op 27,97%.
1.4.
Bij besluit van 28 maart 2023 heeft het Uwv bepaald dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante ongewijzigd 25 tot 35% blijft. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
1.5.
Bij beslissing op bezwaar van 22 augustus 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 28 maart 2023 ongegrond verklaard. Hieraan liggen een rapport van 17 juli 2023 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een rapport van 31 juli 2023 van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft dossierstudie verricht omdat appellante heeft aangegeven geen prijs te stellen op een hoorzitting. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geen aanleiding gezien om af te wijken van het primaire medische oordeel. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft een functie laten vervallen en de resterende vier geselecteerde functies onveranderd geschikt geacht voor appellante. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante vastgesteld op 31%, dus de arbeidsongeschiktheidsklasse is ongewijzigd 25 tot 35%.
Uitspraak van de rechtbank
2.1.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft geoordeeld dat het medisch onderzoek door het Uwv zorgvuldig is geweest. Ook is er geen reden voor twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling. Appellante is onderzocht tijdens het spreekuurcontact bij de (primaire) verzekeringsarts. De verzekeringsartsen hebben geen aanleiding gezien om informatie uit de behandelend sector op te vragen, omdat dit niet van toegevoegde waarde zou zijn geweest. In de door appellante ingebrachte medische informatie blijkt niet van een beredeneerd afwijkend standpunt over de oude klachten en beperkingen van appellante. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat de rapporten van de verzekeringsartsen inconsistenties bevatten en niet concludent zijn. Omdat de rechtbank geen aanleiding heeft voor twijfel aan het medische oordeel van het Uwv, heeft de rechtbank het verzoek van appellante om een deskundige te benoemen, afgewezen.
2.2.
Over de functieselectie heeft de rechtbank overwogen dat het aantal geselecteerde functies in overeenstemming is met artikel 9, aanhef en onder a, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten. Verder heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende gemotiveerd dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellante. Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de juistheid van de in het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) opgenomen gegevens over de uurlonen van de geselecteerde functies. Wat appellante heeft aangevoerd over de uurlonen van de geselecteerde functies, is enkel gebaseerd op aannames.
Het standpunt van appellante
3.1.
Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Volgens appellante is het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen onzorgvuldig geweest omdat zij geen informatie hebben opgevraagd bij de behandelend sector. Hierdoor ontstaat wapenongelijkheid en is sprake van strijd met het recht op een eerlijk proces, zoals vastgelegd in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Appellante heeft de Raad daarom verzocht om een medisch deskundige in te schakelen, zij is hiertoe zelf financieel niet in staat.
3.2.
Volgens appellante zijn haar lichamelijke beperkingen toegenomen. De primaire verzekeringsarts heeft dit onvoldoende onderzocht. De verzekeringsarts heeft zich gebaseerd op verouderde informatie uit 2005 en niet op recent medisch onderzoek of bij behandelend artsen opgevraagde informatie. Zo is geen onderzoek gedaan op het punt dat de (nieuw ontstane) klacht in haar rechterhand mogelijk verband houdt met haar oude klachten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geen aanvullend onderzoek gedaan. Volgens appellante volgt uit de informatie van haar fysiotherapeut van 19 maart 2024 dat zij in toenemende mate last heeft van haar rechterschouder. Verder heeft appellante aangevoerd dat de geselecteerde functies niet geschikt zijn voor haar. De arbeidsdeskundige is bij het selecteren van de functies ten onrechte niet uitgegaan van een arbeidsduurbeperking. Appellante moet na lichte arbeid van tien minuten ongeveer 45 tot 60 minuten rusten. Verder heeft appellante haar standpunt herhaald dat de geselecteerde functies te weinig arbeidsplaatsen vertegenwoordigen en dat de arbeidsdeskundigen van het Uwv verkeerde referentielonen hanteren. Tot slot heeft appellante erop gewezen dat in de jaren tot en met 2024 significante problemen zijn geweest met het CBBS en dat veel beoordelingen door het Uwv niet zorgvuldig zijn uitgevoerd.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak. Het Uwv heeft daarbij nog toegelicht dat herziening van de WAO-uitkering naar een hoger arbeidsongeschiktheidspercentage aan de orde is als de toegenomen arbeidsongeschiktheid voorkomt uit dezelfde ziekteoorzaak als die tot toekenning van de WAO-uitkering heeft geleid. Volgens het Uwv is het onderzoek door de verzekeringsarts zorgvuldig geweest. Het dossier is bestudeerd en appellante is op 13 september 2022 op een spreekuur gezien waarbij lichamelijk en psychisch onderzoek is verricht, waarbij onderscheid is gemaakt tussen de oude verzekerde klachten en de nieuwe niet-verzekerde klachten. De verzekeringsarts heeft gemotiveerd toegelicht dat de oude klachten niet zijn toegenomen.
Het oordeel van de Raad
5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over het ongewijzigd voortzetten van de WAO-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
5.1.
In deze zaak gaat het om de vraag of appellante voldoet aan de voorwaarden van artikel 37 van de WAO. Op grond van artikel 37, eerste lid, van de WAO vindt, voor zover van belang, herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 45%, ter zake van toeneming van arbeidsongeschiktheid plaats zodra de toegenomen arbeidsongeschiktheid onafgebroken 104 weken heeft geduurd. Op grond van het tweede lid vindt de in het eerste lid bedoelde herziening niet plaats indien de uitkeringsgerechtigde bij het intreden van de toegenomen arbeidsongeschiktheid uitsluitend op grond van artikel 7b als werknemer wordt beschouwd en de toeneming kennelijk is voortgekomen uit een andere oorzaak dan die waaruit de ongeschiktheid, ter zake waarvan de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt ontvangen, is voortgekomen.
5.2.
Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, is in essentie een herhaling van wat zij in beroep naar voren heeft gebracht. Het oordeel van de rechtbank daarover en de hieraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.
5.3.
Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen van het Uwv zorgvuldig is geweest. Appellante wordt niet gevolgd in haar standpunt dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is, omdat de verzekeringsartsen geen informatie hebben opgevraagd bij de behandelend sector. Volgens vaste rechtspraak is raadpleging van de behandelend sector aangewezen in die gevallen waarin reeds een behandeling in gang is gezet of zal worden gezet, welke een beduidend effect zal hebben op de mogelijkheden van een betrokkene tot het verrichten van arbeid, of indien een betrokkene stelt dat de behandelende sector een beredeneerd afwijkend standpunt heeft over de beperkingen. Geen van deze situaties doen zich hier voor, voor zover het de oude verzekerde klachten betreft.
5.4.
Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding voor twijfel aan de juistheid van het medisch oordeel van het Uwv. De verzekeringsarts heeft inzichtelijk gemotiveerd dat geen sprake is van een toename van de oude, verzekerde beperkingen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geen aanleiding gezien om hiervan af te wijken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in rapporten van 27 maart 2024 en 11 juni 2024 voldoende gemotiveerd dat uit de door appellante ingebrachte, waaronder informatie van haar behandelend fysiotherapeut, niet blijkt dat sprake is van toegenomen beperkingen voortkomend uit de oude verzekerde klachten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft toegelicht dat er geen aanwijzingen zijn voor afwijkingen of bewegingsbeperkingen aan de nek, schouders of rug die aanleiding geven voor verdergaande beperkingen. Voor de niet onderbouwde stelling van appellante dat mogelijk een verband bestaat tussen de nieuwe handklachten en de oude klachten zijn geen enkele aanknopingspunten te vinden.
5.5.
Het betoog van appellante dat in deze procedure sprake is van wapenongelijkheid en strijd met het beginsel van equality of arms als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, slaagt niet. Het beginsel van equality of arms vergt een balans voor partijen in hun mogelijkheden om bewijsmateriaal aan te dragen, die de rechter in staat moet stellen een onafhankelijk en onpartijdig oordeel te geven. Appellante heeft in beroep medische informatie overgelegd en de verzekeringsartsen hebben die informatie beoordeeld en deugdelijk gemotiveerd daarin geen aanleiding te hebben gezien om tot een ander standpunt te komen. Omdat geen twijfel bestaat over de juistheid van het oordeel van de verzekeringsartsen, is er geen aanleiding een deskundige te benoemen.
5.6.
Uitgaande van de juistheid van de FML per 13 september 2022, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellante. Bij de functieselectie heeft de arbeidsdeskundige terecht geen rekening gehouden met een urenbeperking omdat in de FML geen urenbeperking is opgenomen. Aangezien geen sprake is van geobjectiveerde toegenomen beperkingen van de oude klachten, is geen urenbeperking aan de orde. De rechtbank heeft ook terecht geoordeeld dat aan de schatting voldoende arbeidsplaatsen ten grondslag liggen. Het standpunt van appellante dat de arbeidsdeskundigen van het Uwv onjuiste referentielonen hanteren, heeft zij ook in hoger beroep niet onderbouwd. Er is daarom geen aanleiding om te twijfelen aan de in het CBBS opgenomen uurlonen van de geselecteerde functies. Ook is niet gebleken dat het Uwv in deze zaak op basis van het CBBS een onjuiste beoordeling heeft verricht.
Conclusie en gevolgen
5.7.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante terecht heeft vastgesteld op 25 tot 35%.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin, in tegenwoordigheid van C.E.A. Tessemaker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2026.
(getekend) M.E. Fortuin
De griffier is verhinderd te ondertekenen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 18 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:965.
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Raad van 28 oktober 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2721 en van 26 januari 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:185.