Centrale Raad van Beroep
ECLI:NL:CRVB:2026:1039
2026-07-30
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
25/1865 WIA
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 28 april 2021 heeft vastgesteld op 45,43%. Volgens appellant heeft hij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen en is sprake van onzorgvuldig medisch onderzoek, omdat in bezwaar geen fysiek onderzoek is verricht en de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen contact heeft opgenomen met de behandelaars van appellant. Appellant kan niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv het arbeidsongeschiktheidspercentage juist heeft vastgesteld.
Citeert (3)
- ECLI:CE:ECHR:2015:1008JUD007721212
- ECLI:NL:CRVB:2017:2226 Centrale Raad van Beroep 30-06-2017
- ECLI:NL:CRVB:2023:99 Centrale Raad van Beroep 18-01-2023
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (13.568 tekens)
25/1865 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 8 augustus 2025, 25/566 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 30 juli 2026
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 28 april 2021 heeft vastgesteld op 45,43%. Volgens appellant heeft hij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan hij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv het arbeidsongeschiktheidspercentage juist heeft vastgesteld.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. D. Gürses, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 7 mei 2026. Appellant is verschenen bij mr. Gürses. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J. Grasmeijer.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant heeft voor het laatst gewerkt als beveiliger voor 43,04 uur per week. Op 1 mei 2019 heeft hij zich ziekgemeld met meerdere gezondheidsproblemen na een autoongeluk. Nadat appellant een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellant bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 7 november 2022. Daarin zijn in alle rubrieken beperkingen aangenomen. De arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor zijn laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellant passende functies geselecteerd en een mate van arbeidsongeschiktheid berekend van 45,43%. Het Uwv heeft bij besluit van 15 december 2022 aan appellant met ingang van 28 april 2021 een loongerelateerde WGAuitkering op grond van de Wet WIA toegekend, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 45,43%.
1.2.
Bij besluit van 11 december 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft overwogen dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest. Voldoende is toegelicht waarom in bezwaar is gekozen voor een telefonisch spreekuur, mede gelet op de onderzoeksactiviteiten die in de primaire fase zijn verricht. In wat appellant heeft aangevoerd, heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 14 mei 2024 toegelicht dat appellant niet voldoet aan de criteria voor een situatie van geen benutbare mogelijkheden, zodat niet gesproken kan worden van volledige arbeidsongeschiktheid. Verder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gemotiveerd dat de aangenomen beperkingen voor de psychische en lichamelijke klachten van appellant plausibel zijn. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geen aanleiding gezien om een (verdergaande) urenbeperking aan te nemen, omdat geen sprake is van een stoornis in de energiehuishouding, geen preventieve grond bestaat en geen sprake is van verminderde beschikbaarheid. In het rapport van 9 december 2024 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep opgemerkt dat de bezwaren en de medische informatie geen aanleiding geven om het eerdere standpunt en de FML van 7 november 2022 te herzien. Voor de ervaren klachten die medisch objectiveerbaar zijn, zijn reeds beperkingen aangenomen. De medische informatie en sommige gestelde klachten zijn al meegenomen in de beoordeling of zien niet op de datum in geding. Appellant heeft ook niet met medische stukken onderbouwd dat hij volledig dan wel verdergaand of aanvullend beperkt moet worden geacht of anderszins aannemelijk gemaakt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onjuist beeld heeft gehad van zijn gezondheidstoestand. Dat uit recente informatie blijkt dat appellant meer klachten heeft en ook niet kan autorijden, zegt niets over de gezondheidstoestand van appellant ten tijde van de beoordelingsdatum, namelijk 28 april 2021.
3. De rechtbank heeft het beroep van appellant op het Korošec-arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens afgewezen. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 30 juni 2017 heeft de rechtbank overwogen dat het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep blijk geeft van een zorgvuldig onderzoek en toereikend is gemotiveerd. Appellant heeft voldoende gelegenheid gehad om in bezwaar en beroep medische gegevens in te brengen en heeft daarvan ook gebruik gemaakt. Van een schending van het beginsel van equality of arms is daarom naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. De rechtbank heeft ook inhoudelijk geen aanleiding gezien een deskundige te benoemen.
Het standpunt van appellant
4. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt herhaald dat sprake is geweest van een onzorgvuldig medisch onderzoek, omdat in bezwaar geen fysiek onderzoek is verricht en de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen contact heeft opgenomen met de behandelaars van appellant. Verder heeft appellant aangevoerd dat het bezwaar pas na bijna twee jaar is behandeld. Hierdoor zijn verouderde medische aannames gehanteerd. In de tussentijd heeft verslechtering plaatsgevonden die niet is meegenomen. Uit de informatie van de behandelend sector blijkt dat sprake is van meer beperkingen dan aangenomen. Volgens appellant heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende gewicht toegekend aan de vermoeidheid, slaapproblematiek en concentratieproblemen van appellant. Gelet op de samenhang tussen de fysieke en psychische klachten is het moeilijk voorstelbaar dat appellant in staat zou zijn om 40 uur per week te werken. Appellant kampt met ernstige en blijvende beperkingen aan de linkerschouder, arm, hand, nek en rug, mede als gevolg van een ongeval in 2019 en een operatie in 2022. Het fysieke functioneren is ernstig beperkt, tillen, reiken, duwen, handgebruik en zitduur zijn fors ingeperkt. De klachten zijn consistent en medisch onderbouwd, terwijl het effect van behandelingen beperkt is. Er is een vermoeden van PTSS als gevolg van het ongeval, met psychische klachten zoals prikkelbaarheid, somberheid en angst in het verkeer. Er is een psychologische behandeling gestart met een intensiteit vergelijkbaar met klinische zorg. Appellant betwist de geschiktheid voor de geselecteerde functies vanwege beperkingen in armfunctie, fijne motoriek, zitduur en energiehuishouding. Appellant acht maximaal vier uur werken per dag realistisch, met rustmomenten en beperkte fysieke belasting. Appellant heeft in hoger beroep zijn verzoek om benoeming van een onafhankelijke deskundige gehandhaafd met een beroep op het Korošec-arrest. Appellant heeft in dat verband aangevoerd dat hij onvoldoende inkomen heeft om zelf een deskundige in te schakelen. Volgens appellant is er daarom sprake van schending van het beginsel van equality of arms.
Het standpunt van het Uwv
5. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Het oordeel van de Raad
6. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de mate van arbeidsongeschiktheid op 45,43% in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
6.1.
Op grond van artikel 5 van de Wet WIA bestaat recht op een WIAuitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.
Medische beoordeling
6.2.
Het feit dat appellant in bezwaar niet fysiek is onderzocht door een verzekeringsarts bezwaar en beroep leidt niet tot het oordeel dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest. Het feit dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft volstaan met dossieronderzoek en fysiek medisch onderzoek achterwege heeft gelaten, betekent niet dat reeds om die reden sprake is van een onzorgvuldige voorbereiding van het besluit. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, heeft de primaire verzekeringsarts appellant op een spreekuur gezien en een lichamelijk en psychisch onderzoek verricht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de medische informatie van de behandelend sector betrokken bij de beoordeling, waaronder informatie van de huisarts, plastisch chirurg, orthopedisch chirurg, revalidatiearts en revalidatiecentrum OCA. De verzekeringsarts bezwaar en beroep beschikte over een volledig beeld van de medische situatie van appellant op 28 april 2021 en heeft gelet daarop kunnen afzien van eigen lichamelijk onderzoek. Dat de medische situatie van appellant daarna is verslechterd, is niet relevant, omdat dit zich na de datum in geding heeft voorgedaan. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat er geen reden bestaat te oordelen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep aanvullend onderzoek had moeten doen.
6.3.
De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat de medische belastbaarheid van appellant in de verzekeringsgeneeskundige rapporten op inhoudelijk overtuigende wijze is gemotiveerd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in de rapporten van 14 mei 2024 en 9 december 2024 deugdelijk gemotiveerd en inzichtelijk uiteengezet waarom geen aanleiding is voor verdergaande beperkingen dan in de FML van 7 november 2022 zijn opgenomen. Niet is gebleken dat appellant met de hierin aangenomen beperkingen te kort is gedaan.
6.4.
Appellant heeft in hoger beroep geen medische gegevens overgelegd, die aanleiding geven tot twijfel aan de juistheid van de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep vastgestelde medische beperkingen. Gelet op de beschikbare gegevens zijn er ook anderszins geen aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van de beoordeling van het Uwv ten aanzien van de datum 28 april 2021.
6.5.
De rechtbank heeft terecht geen aanleiding gezien voor het benoemen van een deskundige. De overwegingen van de rechtbank hieromtrent worden gevolgd.
Arbeidskundige beoordeling
6.6.
De rechtbank heeft ook terecht geoordeeld dat het Uwv voldoende en inzichtelijk heeft gemotiveerd dat de geduide functies passend zijn. De door appellant gestelde arbeidskundige gronden houden niet meer in dan de stelling dat er meer medische beperkingen zijn dan door het Uwv zijn aangenomen en deze stelling treft, zoals hiervoor is overwogen, geen doel.
Conclusie en gevolgen
6.7.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de toekenning van de WIAuitkering aan appellant waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 45,43% in stand blijft.
7. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin, in tegenwoordigheid van C.E.A. Tessemaker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2026.
(getekend) M.E. Fortuin
De griffier is verhinderd te ondertekenen.
EHRM 8 oktober 2015, ECLI:CE:ECHR:2015:1008JUD007721212.
CRvB 30 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2226.
CRvB 18 januari 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:99.
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 8 augustus 2025, 25/566 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 30 juli 2026
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 28 april 2021 heeft vastgesteld op 45,43%. Volgens appellant heeft hij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan hij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv het arbeidsongeschiktheidspercentage juist heeft vastgesteld.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. D. Gürses, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 7 mei 2026. Appellant is verschenen bij mr. Gürses. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J. Grasmeijer.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant heeft voor het laatst gewerkt als beveiliger voor 43,04 uur per week. Op 1 mei 2019 heeft hij zich ziekgemeld met meerdere gezondheidsproblemen na een autoongeluk. Nadat appellant een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellant bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 7 november 2022. Daarin zijn in alle rubrieken beperkingen aangenomen. De arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor zijn laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellant passende functies geselecteerd en een mate van arbeidsongeschiktheid berekend van 45,43%. Het Uwv heeft bij besluit van 15 december 2022 aan appellant met ingang van 28 april 2021 een loongerelateerde WGAuitkering op grond van de Wet WIA toegekend, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 45,43%.
1.2.
Bij besluit van 11 december 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft overwogen dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest. Voldoende is toegelicht waarom in bezwaar is gekozen voor een telefonisch spreekuur, mede gelet op de onderzoeksactiviteiten die in de primaire fase zijn verricht. In wat appellant heeft aangevoerd, heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 14 mei 2024 toegelicht dat appellant niet voldoet aan de criteria voor een situatie van geen benutbare mogelijkheden, zodat niet gesproken kan worden van volledige arbeidsongeschiktheid. Verder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gemotiveerd dat de aangenomen beperkingen voor de psychische en lichamelijke klachten van appellant plausibel zijn. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geen aanleiding gezien om een (verdergaande) urenbeperking aan te nemen, omdat geen sprake is van een stoornis in de energiehuishouding, geen preventieve grond bestaat en geen sprake is van verminderde beschikbaarheid. In het rapport van 9 december 2024 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep opgemerkt dat de bezwaren en de medische informatie geen aanleiding geven om het eerdere standpunt en de FML van 7 november 2022 te herzien. Voor de ervaren klachten die medisch objectiveerbaar zijn, zijn reeds beperkingen aangenomen. De medische informatie en sommige gestelde klachten zijn al meegenomen in de beoordeling of zien niet op de datum in geding. Appellant heeft ook niet met medische stukken onderbouwd dat hij volledig dan wel verdergaand of aanvullend beperkt moet worden geacht of anderszins aannemelijk gemaakt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onjuist beeld heeft gehad van zijn gezondheidstoestand. Dat uit recente informatie blijkt dat appellant meer klachten heeft en ook niet kan autorijden, zegt niets over de gezondheidstoestand van appellant ten tijde van de beoordelingsdatum, namelijk 28 april 2021.
3. De rechtbank heeft het beroep van appellant op het Korošec-arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens afgewezen. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 30 juni 2017 heeft de rechtbank overwogen dat het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep blijk geeft van een zorgvuldig onderzoek en toereikend is gemotiveerd. Appellant heeft voldoende gelegenheid gehad om in bezwaar en beroep medische gegevens in te brengen en heeft daarvan ook gebruik gemaakt. Van een schending van het beginsel van equality of arms is daarom naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. De rechtbank heeft ook inhoudelijk geen aanleiding gezien een deskundige te benoemen.
Het standpunt van appellant
4. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt herhaald dat sprake is geweest van een onzorgvuldig medisch onderzoek, omdat in bezwaar geen fysiek onderzoek is verricht en de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen contact heeft opgenomen met de behandelaars van appellant. Verder heeft appellant aangevoerd dat het bezwaar pas na bijna twee jaar is behandeld. Hierdoor zijn verouderde medische aannames gehanteerd. In de tussentijd heeft verslechtering plaatsgevonden die niet is meegenomen. Uit de informatie van de behandelend sector blijkt dat sprake is van meer beperkingen dan aangenomen. Volgens appellant heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende gewicht toegekend aan de vermoeidheid, slaapproblematiek en concentratieproblemen van appellant. Gelet op de samenhang tussen de fysieke en psychische klachten is het moeilijk voorstelbaar dat appellant in staat zou zijn om 40 uur per week te werken. Appellant kampt met ernstige en blijvende beperkingen aan de linkerschouder, arm, hand, nek en rug, mede als gevolg van een ongeval in 2019 en een operatie in 2022. Het fysieke functioneren is ernstig beperkt, tillen, reiken, duwen, handgebruik en zitduur zijn fors ingeperkt. De klachten zijn consistent en medisch onderbouwd, terwijl het effect van behandelingen beperkt is. Er is een vermoeden van PTSS als gevolg van het ongeval, met psychische klachten zoals prikkelbaarheid, somberheid en angst in het verkeer. Er is een psychologische behandeling gestart met een intensiteit vergelijkbaar met klinische zorg. Appellant betwist de geschiktheid voor de geselecteerde functies vanwege beperkingen in armfunctie, fijne motoriek, zitduur en energiehuishouding. Appellant acht maximaal vier uur werken per dag realistisch, met rustmomenten en beperkte fysieke belasting. Appellant heeft in hoger beroep zijn verzoek om benoeming van een onafhankelijke deskundige gehandhaafd met een beroep op het Korošec-arrest. Appellant heeft in dat verband aangevoerd dat hij onvoldoende inkomen heeft om zelf een deskundige in te schakelen. Volgens appellant is er daarom sprake van schending van het beginsel van equality of arms.
Het standpunt van het Uwv
5. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Het oordeel van de Raad
6. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de mate van arbeidsongeschiktheid op 45,43% in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
6.1.
Op grond van artikel 5 van de Wet WIA bestaat recht op een WIAuitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.
Medische beoordeling
6.2.
Het feit dat appellant in bezwaar niet fysiek is onderzocht door een verzekeringsarts bezwaar en beroep leidt niet tot het oordeel dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest. Het feit dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft volstaan met dossieronderzoek en fysiek medisch onderzoek achterwege heeft gelaten, betekent niet dat reeds om die reden sprake is van een onzorgvuldige voorbereiding van het besluit. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, heeft de primaire verzekeringsarts appellant op een spreekuur gezien en een lichamelijk en psychisch onderzoek verricht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de medische informatie van de behandelend sector betrokken bij de beoordeling, waaronder informatie van de huisarts, plastisch chirurg, orthopedisch chirurg, revalidatiearts en revalidatiecentrum OCA. De verzekeringsarts bezwaar en beroep beschikte over een volledig beeld van de medische situatie van appellant op 28 april 2021 en heeft gelet daarop kunnen afzien van eigen lichamelijk onderzoek. Dat de medische situatie van appellant daarna is verslechterd, is niet relevant, omdat dit zich na de datum in geding heeft voorgedaan. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat er geen reden bestaat te oordelen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep aanvullend onderzoek had moeten doen.
6.3.
De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat de medische belastbaarheid van appellant in de verzekeringsgeneeskundige rapporten op inhoudelijk overtuigende wijze is gemotiveerd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in de rapporten van 14 mei 2024 en 9 december 2024 deugdelijk gemotiveerd en inzichtelijk uiteengezet waarom geen aanleiding is voor verdergaande beperkingen dan in de FML van 7 november 2022 zijn opgenomen. Niet is gebleken dat appellant met de hierin aangenomen beperkingen te kort is gedaan.
6.4.
Appellant heeft in hoger beroep geen medische gegevens overgelegd, die aanleiding geven tot twijfel aan de juistheid van de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep vastgestelde medische beperkingen. Gelet op de beschikbare gegevens zijn er ook anderszins geen aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van de beoordeling van het Uwv ten aanzien van de datum 28 april 2021.
6.5.
De rechtbank heeft terecht geen aanleiding gezien voor het benoemen van een deskundige. De overwegingen van de rechtbank hieromtrent worden gevolgd.
Arbeidskundige beoordeling
6.6.
De rechtbank heeft ook terecht geoordeeld dat het Uwv voldoende en inzichtelijk heeft gemotiveerd dat de geduide functies passend zijn. De door appellant gestelde arbeidskundige gronden houden niet meer in dan de stelling dat er meer medische beperkingen zijn dan door het Uwv zijn aangenomen en deze stelling treft, zoals hiervoor is overwogen, geen doel.
Conclusie en gevolgen
6.7.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de toekenning van de WIAuitkering aan appellant waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 45,43% in stand blijft.
7. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin, in tegenwoordigheid van C.E.A. Tessemaker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2026.
(getekend) M.E. Fortuin
De griffier is verhinderd te ondertekenen.
EHRM 8 oktober 2015, ECLI:CE:ECHR:2015:1008JUD007721212.
CRvB 30 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2226.
CRvB 18 januari 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:99.