Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Centrale Raad van Beroep

ECLI:NL:CRVB:2026:1035

2026-08-05 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht 25/1510 WAJONG
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2026-08-05
Publicatiedatum
2026-08-12
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
25/1510 WAJONG
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd appellante een uitkering op grond van de Wajong toe te kennen. Appellante vindt dat zij nieuwe feiten heeft aangevoerd die voor het Uwv aanleiding hadden moeten zijn terug te komen van het besluit van 6 juni 2018. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht is gebleven bij de weigering een Wajong-uitkering aan appellante toe te kennen. Ook is geen sprake geweest van toegenomen beperkingen bij appellante binnen vijf jaar na haar achttiende jaar.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (11.690 tekens)
25/1510 WAJONG




Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer












Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 13 juni 2025, 24/5080 (aangevallen uitspraak)







Partijen:




[appellante] te [woonplaats] (appellante)



de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)








Datum uitspraak: 5 augustus 2026


SAMENVATTING


Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd appellante een uitkering op grond van de Wajong toe te kennen. Appellante vindt dat zij nieuwe feiten heeft aangevoerd die voor het Uwv aanleiding hadden moeten zijn terug te komen van het besluit van 6 juni 2018. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht is gebleven bij de weigering een Wajong-uitkering aan appellante toe te kennen.





PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. K.A. Faber, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.



Appellante heeft nadere stukken ingediend.



De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 24 juni 2026. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Faber en vergezeld van [naam mentor] , mentor van appellante. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door S.S. Wiltjer-Rienstra.





OVERWEGINGEN




Inleiding


1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.



1.1.
Appellante, geboren op [geboortedatum] 1999, heeft met een door het Uwv op 2 mei 2018 ontvangen formulier een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Daarbij is vermeld dat appellante een disharmonisch IQ-profiel heeft en dat bij haar sprake is van een depressie en een angststoornis. Bij de aanvraag is informatie gevoegd van een intelligentieonderzoek, uitgevoerd op 26 maart 2018 door Synaeda. Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht, waarna geconcludeerd is dat appellante arbeidsvermogen heeft. Met een besluit van 6 juni 2018 heeft het Uwv vervolgens geweigerd appellante een Wajong-uitkering toe te kennen.



1.2.
Op 2 november 2023 heeft appellante opnieuw een aanvraag voor een Wajonguitkering ingediend. Daarbij is vermeld dat appellante klachten en beperkingen heeft als gevolg van AD(H)D, een licht verstandelijke beperking en PTSS/angststoornis. Bij de aanvraag is informatie van NWG Kopwerk, van de dagbesteding van de POH-GGZ gevoegd. Het Uwv heeft deze aanvraag onder meer opgevat als een verzoek om terug te komen van het besluit van 6 juni 2018. Na onderzoek door een verzekeringsarts heeft het Uwv dit verzoek bij besluit van 30 januari 2024 afgewezen.



1.3.

Appellante heeft tegen het besluit van 30 januari 2024 bezwaar gemaakt en een verslag psychologisch onderzoek van MEE van 24 oktober 2024 overgelegd. Bij besluit van 14 november 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.

Uitspraak van de rechtbank




2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.




2.1.
De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv de aanvraag van appellante van 2 november 2023 terecht heeft aangemerkt als een verzoek om terug te komen van het besluit van 6 juni 2018. Volgens de rechtbank is geen sprake van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden die maken dat teruggekomen zou moeten worden van het eerdere besluit van het Uwv om appellante geen Wajong-uitkering te verlenen. Al in 2018 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante op achttienjarige leeftijd beperkt belastbaar was vanwege meervoudige medische problematiek, bestaande uit ADD, disharmonisch intelligentieprofiel (licht verstandelijk beperkt niveau), angstklachten/onverwerkte rouw en congenitale afwijking hart/vaten. De rechtbank heeft de artsen van het Uwv gevolgd dat appellante feitelijk geen nieuwe informatie heeft aangeleverd met betrekking tot de licht verstandelijke beperking en de congenitale afwijking hart/vaten. De angstklachten die in 2022 zijn ontstaan, zijn getriggerd als gevolg van gebeurtenissen in haar leven. Daarvoor gebruikt appellante slaapmedicatie. De onderzoeksresultaten van MEE komen verder overeen met die van het eerder uitgevoerde onderzoek door Synaeda van 26 maart 2018. De conclusie van het onderzoek door MEE leidt daarom niet tot een bijstelling van het eerdere door het Uwv afgegeven besluit. Er is voorts geen nieuwe informatie waaruit de conclusie moet worden getrokken dat sprake is van een duidelijke verslechtering ten opzichte van 2018. Er bestaat volgens de rechtbank daarom geen aanleiding om de belastbaarheid van appellante per haar achttiende levensjaar of binnen de vijf jaar daarna te herzien. Tot slot heeft de rechtbank geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het bestreden besluit evident onredelijk is. De door appellante genoemde feiten en omstandigheden maken niet dat het oorspronkelijke besluit van 6 juni 2018 voor onjuist moet worden gehouden en dat de nu ter beoordeling voorliggende weigering om daarvan terug te komen, evident onredelijk is te achten.



Het standpunt van appellante



3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Zij heeft herhaald dat het Uwv haar klachten en beperkingen onjuist heeft vastgesteld, dat zij voldoet aan de criteria voor een Wajong-uitkering omdat zij niet in staat is om vier uur te werken en een taak uit te voeren en ook geen basale werknemersvaardigheden heeft. Tot slot heeft appellante herhaald dat ten onrechte is geoordeeld dat er geen nieuwe informatie is overgelegd.



Het standpunt van het Uwv



4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.




Het oordeel van de Raad


5. De Raad beoordeelt aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden, of de rechtbank het bestreden besluit over de weigering van de Wajong-uitkering terecht in stand heeft gelaten. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.



5.1.
Op het verzoek van appellante van 2 november 2023 heeft het Uwv beslist met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is.



5.2.
Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.



5.3.
De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, zijn bijna een woordelijke herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat deze gronden niet slagen. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen, worden onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.



5.4.
Uit het in bezwaar overgelegde intelligentieonderzoek van 24 oktober 2024 blijkt dat het onderzoek is aangevraagd om een actueel beeld te krijgen van het cognitieve functioneren van appellante. In zaken zoals deze moet het echter gaan om nieuwe informatie die betrekking heeft op de (medische) situatie van appellante rond haar achttiende jaar en de vijf jaar erna. Het door MEE uitgevoerde onderzoek is dus geen nieuw gebleken feit als onder 5.2 bedoeld. Bovendien heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 13 november 2024 inzichtelijk gemotiveerd dat de bevindingen uit dit onderzoek niet anders zijn dan die uit het intelligentieonderzoek van Synaeda van 26 maart 2018. Het Uwv heeft zich daarom terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat appellante geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd, die maken dat het Uwv had moeten terugkomen van het besluit van 6 juni 2018.



5.5.
Uit de stukken die appellante in hoger beroep heeft overgelegd, volgt ook niet dat sprake is geweest van toegenomen beperkingen bij appellante binnen vijf jaar na haar achttiende jaar, als bedoeld in artikel 1a:1, tweede lid, van de Wajong. Uit de overgelegde stukken van onder meer Kopwerk van 27 juni 2023 blijkt dat de ervaringen van de jobcoach laten zien dat appellante vaak te laat komt, zich niet aan de regels houdt en de uren niet kan volmaken. De verzekeringsarts heeft hierover terecht opgemerkt dat dit geen nieuwe medische feiten laat zien en dat de conclusie van de jobcoach dat appellante niet goed functioneert, geen onderbouwing is voor het ontbreken van arbeidsvermogen. De verhoogde afleidbaarheid was ook in 2018 al bekend en destijds is aangegeven dat appellante moeite heeft met het langdurig richten van de aandacht op een monotone taak of een taak die haar interesse niet heeft. Het is dan ook de vraag of de door appellante verrichte werkzaamheden passend voor haar waren en in hoeverre motivatie hierbij een rol heeft gespeeld. Verder is in dit verband van belang dat de vijfjaarstermijn voor appellante eindigde op [geboortedatum] 2022, zodat met de informatie die appellante in hoger beroep heeft meegezonden en die ziet op na die datum, geen rekening wordt gehouden.





Conclusie en gevolgen


5.6.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering van de Wajong-uitkering in stand blijft.


6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.






BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.




Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van J. Bonnema als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2026.





(getekend) F.M. Rijnbeek





(getekend) J. Bonnema










CRvB 20 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4872 en CRvB 27 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5115.