Centrale Raad van Beroep
ECLI:NL:CRVB:2026:1033
2026-08-05
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
25/1662 ZW
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Weigering ZW-uitkering toe te kennen omdat appellant meer dan 65% kan verdienden van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Zorgvuldig medisch onderzoek. Geen toename medische beperkingen. De in het kader van de EZWb geselecteerde functies zijn passend voor voor appellant.
Citeert (1)
- ECLI:NL:CRVB:2022:2658 Centrale Raad van Beroep 23-12-2022
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (14.817 tekens)
25/1662 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 4 juli 2025, 24/2382 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 5 augustus 2026
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd appellant per 15 mei 2023 een ZW-uitkering toe te kennen. Volgens appellant was hij toen door zijn (medische) beperkingen niet in staat de eerder in het kader van de eerstejaars ZW-beoordeling geselecteerde functies te vervullen. De Raad volgt dit standpunt van appellant niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de ZW-uitkering terecht heeft geweigerd.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. I. Amghar, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 24 juni 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Amghar. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.A. Vermeijden.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant was werkzaam als magazijnmedewerker voor gemiddeld 23,91 uur per week. Na afloop van het dienstverband heeft appellant een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ontvangen. Deze uitkering is enige tijd onderbroken geweest door een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) in verband met lichamelijke klachten. Appellant heeft zich per 1 april 2021 opnieuw ziekgemeld met lichamelijke klachten, waarna hij opnieuw een uitkering op grond van de ZW heeft ontvangen. In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) hebben een verzekeringsgeneeskundig onderzoek en een arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 12 oktober 2024 de ZW-uitkering van appellant per 13 november 2022 beëindigd, omdat hij meer dan 65% kon verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Appellant werd niet meer in staat geacht tot het verrichten van zijn laatste werk als magazijnmedewerker, maar wel tot het vervullen van diverse andere functies. Bij besluit van 26 april 2023 heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
1.2.
Het Uwv heeft appellant per 14 november 2022 de WW-uitkering voortgezet. Appellant heeft zich op 15 mei 2023 opnieuw ziekgemeld met toegenomen rug-, been- en schouderklachten en klachten als gevolg van bloedarmoede. In verband hiermee heeft hij op 10 juli 2023 het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft appellant per 15 mei 2023 geschikt geacht voor minimaal drie van de vijf in het kader van de EZWb geselecteerde functies, namelijk de functies van productiemedewerker industrie (samenstellen van producten), administratief medewerker (document scannen), medewerker reprografie, productiemedewerker textiel en administratief ondersteunend medewerker. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 20 juli 2023 geweigerd appellant per 15 mei 2023 een ZW-uitkering toe te kennen.
1.3.
Bij besluit van 30 januari 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
2.1.
De rechtbank heeft geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op een zorgvuldige en duidelijke manier alle naar voren gebrachte klachten betrokken bij de medische beoordeling. Niet kan worden vastgesteld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep aspecten van de medische situatie van appellant heeft gemist.
2.2.
Wat appellant in beroep heeft aangevoerd heeft de rechtbank geen reden gegeven om het medisch oordeel dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt voor onjuist te houden. De beroepsgrond dat sprake is van geen benutbare mogelijkheden, dan wel dat appellants medische situatie is onderschat, heeft de rechtbank niet gevolgd. De verzekeringsarts heeft toegelicht dat sprake is van nieuwe polsklachten, die echter zijn ontstaan na de datum in geding. De rugklachten van appellant zijn in 2019 al orthopedisch beoordeeld en zijn toen geduid als aspecifiek van aard. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat er nu geen nieuwe bevindingen zijn die wijzen op (meer) beperkende orthopedische, neurologische of reumatologische problematiek. Ook voor de overige klachten hebben de verzekeringsartsen vastgesteld dat deze niet wezenlijk anders waren dan bij de voorgaande EZWb. De rechtbank heeft dit gevolgd.
2.3.
In beroep heeft appellant een brief van de longarts van 12 juni 2024 overgelegd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 6 januari 2025 overwogen dat de informatie van de longarts van ruim een jaar na de datum in geding dateert en dat er geen medische informatie is overgelegd waaruit blijkt dat de klachten (en de diagnose OSAS) ook op de datum in geding al aanwezig waren. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarbij opgemerkt dat appellant deze klachten bij het verzekeringsgeneeskundig onderzoek van 10 juli 2023 niet heeft gemeld, maar wel heeft verteld dat het in- en doorslapen goed verliepen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft dan ook geen reden gezien om aan te nemen dat appellant vanwege het OSAS, dat dertien maanden na de datum in geding is vastgesteld, op 15 mei 2023 meer beperkingen had dan al op grond van de andere diagnoses gesteld waren. De rechtbank heeft dit gevolgd. Appellant heeft geen stukken overgelegd die aan het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep doen twijfelen.
2.4.
Gelet hierop is de conclusie dat de beperkingen van appellant per de datum in geding niet waren toegenomen ten opzichte van de beperkingen die zijn vermeld in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 10 augustus 2022, die is opgesteld in het kader van de EZWb. Er is voorts geen grond voor het oordeel dat de geduide functies voor appellant niet geschikt zijn. Het Uwv heeft daarom terecht bepaald dat appellant met ingang van 15 mei 2023 geen recht heeft op een ZW-uitkering, omdat hij geschikt moet worden geacht voor zijn arbeid.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Hij heeft tegen die uitspraak het volgende aangevoerd.
3.1.
Appellant blijft van mening dat zijn medische situatie is verslechterd ten opzichte van de eerdere EZWb. Ten onrechte heeft het Uwv geen rekening gehouden met de psychische klachten van appellant. Appellant heeft de afgelopen jaren veel te verduren gehad, waardoor stress- en spanningsklachten zijn ontstaan. Het enkele feit dat appellant op de datum in geding niet onder behandeling stond van een psycholoog, betekent niet dat geen sprake was van klachten en medische beperkingen voor arbeid.
3.2.
Daarnaast is onvoldoende rekening gehouden met de vermoeidheidsklachten en slaapproblematiek die appellant al geruime tijd heeft. In juni 2024 heeft de longarts ernstige OSAS vastgesteld. Ten onrechte stelt het Uwv dat de bevindingen van de longarts geen betrekking hebben op de datum in geding. Appellant heeft, gelet op de al eerder geuite klachten en de verklaringen van de longarts en huisarts, in voldoende mate aangetoond dat hij op de datum in geding al aan OSAS leed. Bij OSAS wordt doorgaans een urenbeperking aangenomen op energetische gronden.
3.3.
De rechtbank heeft ten onrechte volstaan met een algemene motivering en is niet ingegaan op de medische argumenten van onder andere appellants huisarts. Ten onrechte is meer gewicht toegekend aan het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De rechtbank had uit het oogpunt van zorgvuldigheid een onafhankelijke medische deskundige moeten inschakelen om hierover te oordelen. Appellant heeft de Raad verzocht een onafhankelijke medische deskundige te benoemen.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Het oordeel van de Raad
5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de ZW-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.1.
Op grond van artikel 19 van de ZW heeft een betrokkene recht op een ZW-uitkering als hij ongeschikt is voor ‘zijn arbeid’. Volgens vaste rechtspraak wordt met ‘zijn arbeid’ bedoeld het laatst verrichte werk voorafgaand aan de ziekmelding. Dit is de hoofdregel.
5.2.
Een uitzondering hierop wordt aangenomen in de situatie dat eerder een EZWb heeft plaatsgevonden, betrokkene niet in enig werk heeft hervat en zich vervolgens weer ziek heeft gemeld. In een dergelijke situatie geldt het toetsingskader zoals uiteen is gezet in de uitspraak van de Raad van 23 december 2022. Uit deze uitspraak blijkt dat – anders dan voorheen in de rechtspraak werd aangenomen – een weigering van een ZW-uitkering niet kan worden gebaseerd op slechts één van de in het kader van de EZWb geselecteerde functies. Bij de toepassing van artikel 19 van de ZW moet zijn voldaan aan de volgende twee voorwaarden:
1. Van de oorspronkelijk bij de EZWb geselecteerde functies, met inbegrip van de functies die als reservefuncties aan de betrokkene zijn voorgehouden, zijn op de datum in geding ten minste drie functies met elk ten minste drie arbeidsplaatsen voor de betrokkene geschikt gebleven, én
2) Op basis van die functies – gelet op de loonwaarde die die functies ten tijde van de EZWb vertegenwoordigen, afgezet tegen het bij de EZWb geldende maatmaninkomen – is nog steeds sprake van een arbeidsgeschiktheid van ten minste 65%.
5.3.
Aan deze voorwaarden is in ieder geval voldaan als de verzekeringsarts in het kader van de nieuwe ziekmelding vaststelt dat de medische beperkingen niet zijn toegenomen. Deze vaststelling is dan voldoende om een weigering van een ZW-uitkering op grond van artikel 19 van de ZW te kunnen dragen. Indien de medische beperkingen van betrokkene ten opzichte van de EZWb op een of meer punten van de FML zijn toegenomen, dan moet worden beoordeeld in hoeverre dit consequenties heeft voor de geschiktheid van de oorspronkelijk bij de EZWb geselecteerde functies.
5.4.
De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft deze gronden gemotiveerd besproken en overtuigend gemotiveerd waarom deze niet slagen. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.
5.5.
Anders dan door appellant aangevoerd hebben de verzekeringsartsen rekening gehouden met de psychische klachten van appellant. Zowel ten tijde van de EZWb als bij de huidige beoordeling hebben de verzekeringsartsen meegewogen dat appellant stress- en spanningsklachten had als slachtoffer van de Toeslagenaffaire. Appellant heeft bij de verzekeringsarts verteld dat de huisarts hem adviseerde een psycholoog te raadplegen. Ter zitting is toegelicht dat appellant, nadat het OSAS in juni 2024 bij hem was vastgesteld, een praktijkondersteuner (POH-GGZ) heeft gezien. Wat de ernst van de klachten volgens de huisarts of de POH-GGZ ten tijde in geding was, is echter onduidelijk gebleven bij gebrek aan medische informatie. Wat betreft de klachten van appellant als gevolg van OSAS heeft het Uwv er terecht op gewezen dat appellant hiervan ten tijde in geding op geen enkel moment melding heeft gemaakt bij het Uwv, gelet op een werkplan van 11 mei 2023 waarin appellant wel andere gezondheidsklachten meldde, het eerstelijnsverslag voor de ZW van 5 juni 2023 waarin appellant eveneens andere gezondheidsklachten meldde, het spreekuur van de verzekeringsarts op 10 juli 2023 waarin appellant vertelde vrijwel geen slaapproblemen te hebben en het bezwaarschrift van 31 juli 2023. Uit de informatie van de longarts en de huisarts komt onvoldoende naar voren dat de OSAS-klachten al speelden op de datum in geding en als dit al het geval was in welke mate. Verwezen wordt naar het rapport van 6 januari 2025 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
5.6.
De rechtbank heeft terecht geen aanleiding gezien voor het raadplegen van een deskundige, omdat de hiervoor noodzakelijke twijfel aan het medisch onderzoek door het Uwv ontbreekt. Ook in hoger beroep bestaat daartoe geen aanleiding.
Conclusie en gevolgen
5.7.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering van de ZW-uitkering in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris, in tegenwoordigheid van C.C.T. Yao als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2026.
(getekend) A.I. van der Kris
De griffier is verhinderd te ondertekenen.
Obstructief Slaap Apnoe Syndroom.
CRvB 23 december 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2658.
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 4 juli 2025, 24/2382 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 5 augustus 2026
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd appellant per 15 mei 2023 een ZW-uitkering toe te kennen. Volgens appellant was hij toen door zijn (medische) beperkingen niet in staat de eerder in het kader van de eerstejaars ZW-beoordeling geselecteerde functies te vervullen. De Raad volgt dit standpunt van appellant niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de ZW-uitkering terecht heeft geweigerd.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. I. Amghar, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 24 juni 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Amghar. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.A. Vermeijden.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant was werkzaam als magazijnmedewerker voor gemiddeld 23,91 uur per week. Na afloop van het dienstverband heeft appellant een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ontvangen. Deze uitkering is enige tijd onderbroken geweest door een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) in verband met lichamelijke klachten. Appellant heeft zich per 1 april 2021 opnieuw ziekgemeld met lichamelijke klachten, waarna hij opnieuw een uitkering op grond van de ZW heeft ontvangen. In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) hebben een verzekeringsgeneeskundig onderzoek en een arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 12 oktober 2024 de ZW-uitkering van appellant per 13 november 2022 beëindigd, omdat hij meer dan 65% kon verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Appellant werd niet meer in staat geacht tot het verrichten van zijn laatste werk als magazijnmedewerker, maar wel tot het vervullen van diverse andere functies. Bij besluit van 26 april 2023 heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
1.2.
Het Uwv heeft appellant per 14 november 2022 de WW-uitkering voortgezet. Appellant heeft zich op 15 mei 2023 opnieuw ziekgemeld met toegenomen rug-, been- en schouderklachten en klachten als gevolg van bloedarmoede. In verband hiermee heeft hij op 10 juli 2023 het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft appellant per 15 mei 2023 geschikt geacht voor minimaal drie van de vijf in het kader van de EZWb geselecteerde functies, namelijk de functies van productiemedewerker industrie (samenstellen van producten), administratief medewerker (document scannen), medewerker reprografie, productiemedewerker textiel en administratief ondersteunend medewerker. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 20 juli 2023 geweigerd appellant per 15 mei 2023 een ZW-uitkering toe te kennen.
1.3.
Bij besluit van 30 januari 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
2.1.
De rechtbank heeft geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op een zorgvuldige en duidelijke manier alle naar voren gebrachte klachten betrokken bij de medische beoordeling. Niet kan worden vastgesteld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep aspecten van de medische situatie van appellant heeft gemist.
2.2.
Wat appellant in beroep heeft aangevoerd heeft de rechtbank geen reden gegeven om het medisch oordeel dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt voor onjuist te houden. De beroepsgrond dat sprake is van geen benutbare mogelijkheden, dan wel dat appellants medische situatie is onderschat, heeft de rechtbank niet gevolgd. De verzekeringsarts heeft toegelicht dat sprake is van nieuwe polsklachten, die echter zijn ontstaan na de datum in geding. De rugklachten van appellant zijn in 2019 al orthopedisch beoordeeld en zijn toen geduid als aspecifiek van aard. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat er nu geen nieuwe bevindingen zijn die wijzen op (meer) beperkende orthopedische, neurologische of reumatologische problematiek. Ook voor de overige klachten hebben de verzekeringsartsen vastgesteld dat deze niet wezenlijk anders waren dan bij de voorgaande EZWb. De rechtbank heeft dit gevolgd.
2.3.
In beroep heeft appellant een brief van de longarts van 12 juni 2024 overgelegd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 6 januari 2025 overwogen dat de informatie van de longarts van ruim een jaar na de datum in geding dateert en dat er geen medische informatie is overgelegd waaruit blijkt dat de klachten (en de diagnose OSAS) ook op de datum in geding al aanwezig waren. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarbij opgemerkt dat appellant deze klachten bij het verzekeringsgeneeskundig onderzoek van 10 juli 2023 niet heeft gemeld, maar wel heeft verteld dat het in- en doorslapen goed verliepen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft dan ook geen reden gezien om aan te nemen dat appellant vanwege het OSAS, dat dertien maanden na de datum in geding is vastgesteld, op 15 mei 2023 meer beperkingen had dan al op grond van de andere diagnoses gesteld waren. De rechtbank heeft dit gevolgd. Appellant heeft geen stukken overgelegd die aan het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep doen twijfelen.
2.4.
Gelet hierop is de conclusie dat de beperkingen van appellant per de datum in geding niet waren toegenomen ten opzichte van de beperkingen die zijn vermeld in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 10 augustus 2022, die is opgesteld in het kader van de EZWb. Er is voorts geen grond voor het oordeel dat de geduide functies voor appellant niet geschikt zijn. Het Uwv heeft daarom terecht bepaald dat appellant met ingang van 15 mei 2023 geen recht heeft op een ZW-uitkering, omdat hij geschikt moet worden geacht voor zijn arbeid.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Hij heeft tegen die uitspraak het volgende aangevoerd.
3.1.
Appellant blijft van mening dat zijn medische situatie is verslechterd ten opzichte van de eerdere EZWb. Ten onrechte heeft het Uwv geen rekening gehouden met de psychische klachten van appellant. Appellant heeft de afgelopen jaren veel te verduren gehad, waardoor stress- en spanningsklachten zijn ontstaan. Het enkele feit dat appellant op de datum in geding niet onder behandeling stond van een psycholoog, betekent niet dat geen sprake was van klachten en medische beperkingen voor arbeid.
3.2.
Daarnaast is onvoldoende rekening gehouden met de vermoeidheidsklachten en slaapproblematiek die appellant al geruime tijd heeft. In juni 2024 heeft de longarts ernstige OSAS vastgesteld. Ten onrechte stelt het Uwv dat de bevindingen van de longarts geen betrekking hebben op de datum in geding. Appellant heeft, gelet op de al eerder geuite klachten en de verklaringen van de longarts en huisarts, in voldoende mate aangetoond dat hij op de datum in geding al aan OSAS leed. Bij OSAS wordt doorgaans een urenbeperking aangenomen op energetische gronden.
3.3.
De rechtbank heeft ten onrechte volstaan met een algemene motivering en is niet ingegaan op de medische argumenten van onder andere appellants huisarts. Ten onrechte is meer gewicht toegekend aan het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De rechtbank had uit het oogpunt van zorgvuldigheid een onafhankelijke medische deskundige moeten inschakelen om hierover te oordelen. Appellant heeft de Raad verzocht een onafhankelijke medische deskundige te benoemen.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Het oordeel van de Raad
5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de ZW-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.1.
Op grond van artikel 19 van de ZW heeft een betrokkene recht op een ZW-uitkering als hij ongeschikt is voor ‘zijn arbeid’. Volgens vaste rechtspraak wordt met ‘zijn arbeid’ bedoeld het laatst verrichte werk voorafgaand aan de ziekmelding. Dit is de hoofdregel.
5.2.
Een uitzondering hierop wordt aangenomen in de situatie dat eerder een EZWb heeft plaatsgevonden, betrokkene niet in enig werk heeft hervat en zich vervolgens weer ziek heeft gemeld. In een dergelijke situatie geldt het toetsingskader zoals uiteen is gezet in de uitspraak van de Raad van 23 december 2022. Uit deze uitspraak blijkt dat – anders dan voorheen in de rechtspraak werd aangenomen – een weigering van een ZW-uitkering niet kan worden gebaseerd op slechts één van de in het kader van de EZWb geselecteerde functies. Bij de toepassing van artikel 19 van de ZW moet zijn voldaan aan de volgende twee voorwaarden:
1. Van de oorspronkelijk bij de EZWb geselecteerde functies, met inbegrip van de functies die als reservefuncties aan de betrokkene zijn voorgehouden, zijn op de datum in geding ten minste drie functies met elk ten minste drie arbeidsplaatsen voor de betrokkene geschikt gebleven, én
2) Op basis van die functies – gelet op de loonwaarde die die functies ten tijde van de EZWb vertegenwoordigen, afgezet tegen het bij de EZWb geldende maatmaninkomen – is nog steeds sprake van een arbeidsgeschiktheid van ten minste 65%.
5.3.
Aan deze voorwaarden is in ieder geval voldaan als de verzekeringsarts in het kader van de nieuwe ziekmelding vaststelt dat de medische beperkingen niet zijn toegenomen. Deze vaststelling is dan voldoende om een weigering van een ZW-uitkering op grond van artikel 19 van de ZW te kunnen dragen. Indien de medische beperkingen van betrokkene ten opzichte van de EZWb op een of meer punten van de FML zijn toegenomen, dan moet worden beoordeeld in hoeverre dit consequenties heeft voor de geschiktheid van de oorspronkelijk bij de EZWb geselecteerde functies.
5.4.
De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft deze gronden gemotiveerd besproken en overtuigend gemotiveerd waarom deze niet slagen. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.
5.5.
Anders dan door appellant aangevoerd hebben de verzekeringsartsen rekening gehouden met de psychische klachten van appellant. Zowel ten tijde van de EZWb als bij de huidige beoordeling hebben de verzekeringsartsen meegewogen dat appellant stress- en spanningsklachten had als slachtoffer van de Toeslagenaffaire. Appellant heeft bij de verzekeringsarts verteld dat de huisarts hem adviseerde een psycholoog te raadplegen. Ter zitting is toegelicht dat appellant, nadat het OSAS in juni 2024 bij hem was vastgesteld, een praktijkondersteuner (POH-GGZ) heeft gezien. Wat de ernst van de klachten volgens de huisarts of de POH-GGZ ten tijde in geding was, is echter onduidelijk gebleven bij gebrek aan medische informatie. Wat betreft de klachten van appellant als gevolg van OSAS heeft het Uwv er terecht op gewezen dat appellant hiervan ten tijde in geding op geen enkel moment melding heeft gemaakt bij het Uwv, gelet op een werkplan van 11 mei 2023 waarin appellant wel andere gezondheidsklachten meldde, het eerstelijnsverslag voor de ZW van 5 juni 2023 waarin appellant eveneens andere gezondheidsklachten meldde, het spreekuur van de verzekeringsarts op 10 juli 2023 waarin appellant vertelde vrijwel geen slaapproblemen te hebben en het bezwaarschrift van 31 juli 2023. Uit de informatie van de longarts en de huisarts komt onvoldoende naar voren dat de OSAS-klachten al speelden op de datum in geding en als dit al het geval was in welke mate. Verwezen wordt naar het rapport van 6 januari 2025 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
5.6.
De rechtbank heeft terecht geen aanleiding gezien voor het raadplegen van een deskundige, omdat de hiervoor noodzakelijke twijfel aan het medisch onderzoek door het Uwv ontbreekt. Ook in hoger beroep bestaat daartoe geen aanleiding.
Conclusie en gevolgen
5.7.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering van de ZW-uitkering in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris, in tegenwoordigheid van C.C.T. Yao als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2026.
(getekend) A.I. van der Kris
De griffier is verhinderd te ondertekenen.
Obstructief Slaap Apnoe Syndroom.
CRvB 23 december 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2658.