Centrale Raad van Beroep
ECLI:NL:CRVB:2026:1023
2026-08-06
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
25/105 WLZ
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Weigeringen om een pgb te verlenen. Het zorgkantoor heeft op grond van artikel 3.3.3, vijfde lid, aanhef en onder a, van de Wlz terecht geweigerd een pgb te verlenen, omdat appellant zich bij de eerdere verlening van een pgb niet heeft gehouden aan de opgelegde verplichtingen.
Citeert (2)
- ECLI:NL:CRVB:2025:621 Centrale Raad van Beroep 03-04-2025
- ECLI:NL:CBB:2024:190 College van Beroep voor het bedrijfsleven 26-03-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (7.631 tekens)
25/105 WLZ, 25/1635 WLZ
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van 18 december 2024, 23/4616 (aangevallen uitspraak 1) en 8 juli 2025, 24/5990 (aangevallen uitspraak 2)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. (zorgkantoor)
Datum uitspraak: 6 augustus 2026
SAMENVATTING
Deze uitspraak gaat over twee weigeringen om aan appellant een pgb te verlenen. Het zorgkantoor heeft geweigerd om appellant een pgb te verlenen, omdat hij zich bij een eerdere verstrekking van een pgb niet heeft gehouden aan de opgelegde verplichtingen. De Raad laat de weigeringen in stand.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. R.S. Pot, advocaat, de hoger beroepen ingesteld. Het zorgkantoor heeft verweerschriften ingediend.
De Raad heeft de zaken behandeld op een zitting van 25 juni 2026. Voor appellant is zijn wettelijk vertegenwoordiger [naam wettelijk vertegenwoordiger] , bijgestaan door mr. Pot. Het zorgkantoor heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Gezer.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van de hoger beroepen zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant heeft een indicatie voor zorg op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet langdurige zorg (Wlz).
1.2.
Met een besluit van 1 december 2020 (verleningsbesluit) heeft het zorgkantoor aan appellant een persoonsgebonden budget (pgb) verleend voor het jaar 2021. Met een besluit van 30 juli 2021 (wijzigingsbesluit) heeft het zorgkantoor het verleningsbesluit gewijzigd in die zin dat het pgb wordt verleend tot 1 mei 2021. Het zorgkantoor heeft hieraan ten grondslag gelegd dat uit onderzoek is gebleken dat niet is voldaan aan de aan het pgb verbonden voorwaarden en verplichtingen. Met een uitspraak van de Raad van 3 april 2025 is deze wijziging van de pgb-verlening in rechte vast komen te staan.
25/105 WLZ
1.3.
Op 28 maart 2022 heeft de wettelijk vertegenwoordiger van appellant namens hem een nieuwe aanvraag gedaan voor een pgb.
1.4.
Met een besluit van 4 juli 2022, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 22 juni 2023 (bestreden besluit 1), heeft het zorgkantoor geweigerd om aan appellant een pgb te verlenen. Hieraan heeft het zorgkantoor ten grondslag gelegd dat appellant zich niet heeft gehouden aan de opgelegde verplichtingen bij de verlening van een eerder pgb. Op grond van artikel 3.3.3, vijfde lid, aanhef en onder a, van de Wlz moet het zorgkantoor het pgb daarom weigeren. Het zorgkantoor heeft hierin geen beoordelings- en beleidsvrijheid. Appellant kan gebruik maken van zorg in natura.
25/1635 WLZ
1.5.
Op 1 november 2023 heeft de wettelijk vertegenwoordiger van appellant namens hem nogmaals een aanvraag gedaan voor een pgb.
1.6.
Met een besluit van 8 mei 2024, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 2 september 2024 (bestreden besluit 2) heeft het zorgkantoor geweigerd om aan appellant een pgb te verlenen op de grond dat appellant zich niet heeft gehouden aan de opgelegde verplichtingen bij de verlening van een eerder pgb.
Uitspraken van de rechtbank
2. In de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard en daarmee de bestreden besluiten in stand gelaten. Volgens de rechtbank heeft het zorgkantoor op grond van artikel 3.3.3, vijfde lid, aanhef en onder a, van de Wlz terecht geweigerd een pgb te verlenen, omdat appellant zich bij de eerdere verlening van een pgb niet heeft gehouden aan de opgelegde verplichtingen. De rechtbank heeft in de situatie van appellant geen bijzondere omstandigheden gezien die aanleiding geven voor een zogenoemde contra legem-toepassing van het evenredigheidsbeginsel.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraken van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.
Het oordeel van de Raad
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht de bestreden besluiten in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat de hoger beroepen niet slagen. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4.1.
Appellant heeft geen nieuwe feiten en omstandigheden aangevoerd die aannemelijk maken dat in het wijzigingsbesluit ten onrechte is beslist dat de aan het pgb verbonden verplichtingen niet zijn nagekomen. Wat betreft die eerdere wijziging gaat de Raad daarom uit van zijn uitspraak van 3 april 2025, waarin is geoordeeld dat de feitelijke grondslag van de wijziging juist was. De Raad gaat er dus van uit dat appellant in 2021 de aan zijn pgb verbonden verplichtingen heeft geschonden.
4.2.
Op grond van artikel 3.3.3, vijfde lid, aanhef en onder a, van de Wlz wordt een pgb in ieder geval geweigerd indien de verzekerde zich bij de eerdere verlening van een pgb niet heeft gehouden aan de opgelegde verplichtingen. Uit wat hiervoor onder 4.1 is overwogen volgt dat aan de toepassingsvoorwaarden van deze bepaling is voldaan. Appellant heeft geen, niet door de wetgever verdisconteerde, omstandigheden aangevoerd die meebrengen dat toepassing van deze bepaling zozeer in strijd is met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven. Dat – zoals appellant betoogt – de toepassing van de wettelijke bepaling niet strookt met wat de wetgever kan hebben bedoeld of voorzien volgt de Raad niet. Ook is niet gebleken dat zorg in natura vanwege het ziektebeeld van appellant geen mogelijkheid is. Het zorgkantoor was dus gehouden om de nieuwe aanvragen voor een pgb te weigeren. Hierbij is van belang dat het gaat om gebonden besluiten die berusten op een wet in formele zin.
Conclusie en gevolgen
4.3.
De hoger beroepen slagen dus niet. De aangevallen uitspraken worden bevestigd. Dit betekent dat de bestreden besluiten in stand blijven.
5. Omdat de hoger beroepen niet slagen krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.
Deze uitspraak is gedaan door D. Hardonk-Prins als voorzitter en K.H. Sanders en C.W.C.A. Bruggeman als leden, in tegenwoordigheid van A.A. Verweij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 augustus 2026.
(getekend) D. Hardonk-Prins
De griffier is verhinderd te ondertekenen
ECLI:NL:CRVB:2025:621.
Vergelijk de uitspraak van het CBB 26 maart 2024, ECLI:NL:CBB:2024:190.
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van 18 december 2024, 23/4616 (aangevallen uitspraak 1) en 8 juli 2025, 24/5990 (aangevallen uitspraak 2)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. (zorgkantoor)
Datum uitspraak: 6 augustus 2026
SAMENVATTING
Deze uitspraak gaat over twee weigeringen om aan appellant een pgb te verlenen. Het zorgkantoor heeft geweigerd om appellant een pgb te verlenen, omdat hij zich bij een eerdere verstrekking van een pgb niet heeft gehouden aan de opgelegde verplichtingen. De Raad laat de weigeringen in stand.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. R.S. Pot, advocaat, de hoger beroepen ingesteld. Het zorgkantoor heeft verweerschriften ingediend.
De Raad heeft de zaken behandeld op een zitting van 25 juni 2026. Voor appellant is zijn wettelijk vertegenwoordiger [naam wettelijk vertegenwoordiger] , bijgestaan door mr. Pot. Het zorgkantoor heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Gezer.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van de hoger beroepen zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant heeft een indicatie voor zorg op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet langdurige zorg (Wlz).
1.2.
Met een besluit van 1 december 2020 (verleningsbesluit) heeft het zorgkantoor aan appellant een persoonsgebonden budget (pgb) verleend voor het jaar 2021. Met een besluit van 30 juli 2021 (wijzigingsbesluit) heeft het zorgkantoor het verleningsbesluit gewijzigd in die zin dat het pgb wordt verleend tot 1 mei 2021. Het zorgkantoor heeft hieraan ten grondslag gelegd dat uit onderzoek is gebleken dat niet is voldaan aan de aan het pgb verbonden voorwaarden en verplichtingen. Met een uitspraak van de Raad van 3 april 2025 is deze wijziging van de pgb-verlening in rechte vast komen te staan.
25/105 WLZ
1.3.
Op 28 maart 2022 heeft de wettelijk vertegenwoordiger van appellant namens hem een nieuwe aanvraag gedaan voor een pgb.
1.4.
Met een besluit van 4 juli 2022, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 22 juni 2023 (bestreden besluit 1), heeft het zorgkantoor geweigerd om aan appellant een pgb te verlenen. Hieraan heeft het zorgkantoor ten grondslag gelegd dat appellant zich niet heeft gehouden aan de opgelegde verplichtingen bij de verlening van een eerder pgb. Op grond van artikel 3.3.3, vijfde lid, aanhef en onder a, van de Wlz moet het zorgkantoor het pgb daarom weigeren. Het zorgkantoor heeft hierin geen beoordelings- en beleidsvrijheid. Appellant kan gebruik maken van zorg in natura.
25/1635 WLZ
1.5.
Op 1 november 2023 heeft de wettelijk vertegenwoordiger van appellant namens hem nogmaals een aanvraag gedaan voor een pgb.
1.6.
Met een besluit van 8 mei 2024, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 2 september 2024 (bestreden besluit 2) heeft het zorgkantoor geweigerd om aan appellant een pgb te verlenen op de grond dat appellant zich niet heeft gehouden aan de opgelegde verplichtingen bij de verlening van een eerder pgb.
Uitspraken van de rechtbank
2. In de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard en daarmee de bestreden besluiten in stand gelaten. Volgens de rechtbank heeft het zorgkantoor op grond van artikel 3.3.3, vijfde lid, aanhef en onder a, van de Wlz terecht geweigerd een pgb te verlenen, omdat appellant zich bij de eerdere verlening van een pgb niet heeft gehouden aan de opgelegde verplichtingen. De rechtbank heeft in de situatie van appellant geen bijzondere omstandigheden gezien die aanleiding geven voor een zogenoemde contra legem-toepassing van het evenredigheidsbeginsel.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraken van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.
Het oordeel van de Raad
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht de bestreden besluiten in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat de hoger beroepen niet slagen. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4.1.
Appellant heeft geen nieuwe feiten en omstandigheden aangevoerd die aannemelijk maken dat in het wijzigingsbesluit ten onrechte is beslist dat de aan het pgb verbonden verplichtingen niet zijn nagekomen. Wat betreft die eerdere wijziging gaat de Raad daarom uit van zijn uitspraak van 3 april 2025, waarin is geoordeeld dat de feitelijke grondslag van de wijziging juist was. De Raad gaat er dus van uit dat appellant in 2021 de aan zijn pgb verbonden verplichtingen heeft geschonden.
4.2.
Op grond van artikel 3.3.3, vijfde lid, aanhef en onder a, van de Wlz wordt een pgb in ieder geval geweigerd indien de verzekerde zich bij de eerdere verlening van een pgb niet heeft gehouden aan de opgelegde verplichtingen. Uit wat hiervoor onder 4.1 is overwogen volgt dat aan de toepassingsvoorwaarden van deze bepaling is voldaan. Appellant heeft geen, niet door de wetgever verdisconteerde, omstandigheden aangevoerd die meebrengen dat toepassing van deze bepaling zozeer in strijd is met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven. Dat – zoals appellant betoogt – de toepassing van de wettelijke bepaling niet strookt met wat de wetgever kan hebben bedoeld of voorzien volgt de Raad niet. Ook is niet gebleken dat zorg in natura vanwege het ziektebeeld van appellant geen mogelijkheid is. Het zorgkantoor was dus gehouden om de nieuwe aanvragen voor een pgb te weigeren. Hierbij is van belang dat het gaat om gebonden besluiten die berusten op een wet in formele zin.
Conclusie en gevolgen
4.3.
De hoger beroepen slagen dus niet. De aangevallen uitspraken worden bevestigd. Dit betekent dat de bestreden besluiten in stand blijven.
5. Omdat de hoger beroepen niet slagen krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.
Deze uitspraak is gedaan door D. Hardonk-Prins als voorzitter en K.H. Sanders en C.W.C.A. Bruggeman als leden, in tegenwoordigheid van A.A. Verweij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 augustus 2026.
(getekend) D. Hardonk-Prins
De griffier is verhinderd te ondertekenen
ECLI:NL:CRVB:2025:621.
Vergelijk de uitspraak van het CBB 26 maart 2024, ECLI:NL:CBB:2024:190.