Centrale Raad van Beroep
ECLI:NL:CRVB:2026:1019
2026-08-04
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
26/705 PW
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
De Raad verklaart zich onbevoegd. De rechtbank heeft het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard. Geen aanleiding voor doorbreken appèlverbod.
Citeert (2)
- ECLI:NL:CRVB:2022:105 Centrale Raad van Beroep 18-01-2022
- ECLI:NL:CRVB:2026:253 Centrale Raad van Beroep 03-03-2026
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (4.083 tekens)
26/705 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag van 26 september 2025, 25/5102 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van 's-Gravenhage (college)
Datum uitspraak: 4 augustus 2026
PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
Appellante heeft daarnaast een verzoek om een voorlopige voorziening bij de Raad ingediend. Bij uitspraak van 12 mei 2026 (26/706 PW-VV) heeft de voorzieningenrechter dit verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
OVERWEGINGEN
Bij de aangevallen uitspraak is het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet (tijdig) betalen van het verschuldigde griffierecht.
De aangevallen uitspraak is een uitspraak als bedoeld in artikel 8:84, eerste lid, van de Awb. Op grond van artikel 8:104, tweede lid, aanhef en onder d, van de Awb kan tegen een dergelijke uitspraak geen hoger beroep worden ingesteld. Gelet hierop moet eerst de vraag worden beantwoord of dit appèlverbod buiten toepassing moet blijven.
Voor doorbreking van dit zogenoemde appèlverbod kan volgens vaste rechtspraak grond bestaan indien sprake is van evidente schending van eisen van een goede procesorde dan wel fundamentele rechtsbeginselen, zodanig dat van een eerlijk proces geen sprake is.
Appellante stelt zich op het standpunt dat haar rechten op grond van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden niet zijn onderkend. Zij voert aan dat, doordat de gemeente Den Haag het haar toegekende bedrag van € 1.017,02 niet aan haar overmaakt, sprake is van schending van haar fundamentele recht op eten, drinken en medische zorg. Ook is volgens appellante sprake van schending van artikel 114 van de Grondwet.
De Raad komt tot de conclusie dat hetgeen appellante heeft aangevoerd geen reden is om het appèlverbod te doorbreken. Er is niet gebleken van enige schending van de eisen van een goede procesorde dan wel van fundamentele rechtsbeginselen die een eerlijk proces waarborgen.
Omdat er geen reden is voor doorbreking van het appèlverbod, acht de Raad zich kennelijk onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart zich onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door C.F.E. van Olden-Smit in tegenwoordigheid van J. Toonen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 augustus 2026.
(getekend) C.F.E. van Olden-Smit
(getekend) J. Toonen
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 18 januari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:105.
Vergelijk de uitspraak van de Raad van 3 maart 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:253, r.o. 4.8.
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag van 26 september 2025, 25/5102 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van 's-Gravenhage (college)
Datum uitspraak: 4 augustus 2026
PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
Appellante heeft daarnaast een verzoek om een voorlopige voorziening bij de Raad ingediend. Bij uitspraak van 12 mei 2026 (26/706 PW-VV) heeft de voorzieningenrechter dit verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
OVERWEGINGEN
Bij de aangevallen uitspraak is het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet (tijdig) betalen van het verschuldigde griffierecht.
De aangevallen uitspraak is een uitspraak als bedoeld in artikel 8:84, eerste lid, van de Awb. Op grond van artikel 8:104, tweede lid, aanhef en onder d, van de Awb kan tegen een dergelijke uitspraak geen hoger beroep worden ingesteld. Gelet hierop moet eerst de vraag worden beantwoord of dit appèlverbod buiten toepassing moet blijven.
Voor doorbreking van dit zogenoemde appèlverbod kan volgens vaste rechtspraak grond bestaan indien sprake is van evidente schending van eisen van een goede procesorde dan wel fundamentele rechtsbeginselen, zodanig dat van een eerlijk proces geen sprake is.
Appellante stelt zich op het standpunt dat haar rechten op grond van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden niet zijn onderkend. Zij voert aan dat, doordat de gemeente Den Haag het haar toegekende bedrag van € 1.017,02 niet aan haar overmaakt, sprake is van schending van haar fundamentele recht op eten, drinken en medische zorg. Ook is volgens appellante sprake van schending van artikel 114 van de Grondwet.
De Raad komt tot de conclusie dat hetgeen appellante heeft aangevoerd geen reden is om het appèlverbod te doorbreken. Er is niet gebleken van enige schending van de eisen van een goede procesorde dan wel van fundamentele rechtsbeginselen die een eerlijk proces waarborgen.
Omdat er geen reden is voor doorbreking van het appèlverbod, acht de Raad zich kennelijk onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart zich onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door C.F.E. van Olden-Smit in tegenwoordigheid van J. Toonen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 augustus 2026.
(getekend) C.F.E. van Olden-Smit
(getekend) J. Toonen
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 18 januari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:105.
Vergelijk de uitspraak van de Raad van 3 maart 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:253, r.o. 4.8.