Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Centrale Raad van Beroep

ECLI:NL:CRVB:2026:1018

2026-08-05 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht 25/1916 WIA
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2026-08-05
Publicatiedatum
2026-08-05
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
25/1916 WIA
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

De Raad verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Het beroepschrift is niet binnen de termijn ingediend. De gemachtigde heeft er niet van uit kunnen gaan dat de termijn voor het instellen van hoger beroep in dit geval pas is aangevangen vanaf (de dag na) de tweede toezending op 8 augustus 2025. De gemachtigde heeft geen bijzondere of persoonlijke omstandigheden aangevoerd op grond waarvan de termijnoverschrijding verschoonbaar moet worden geacht.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (6.718 tekens)
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer



25/1916 WIA












Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 18 juli 2025, 24/2639 (aangevallen uitspraak)







Partijen:




[appellant] te [woonplaats] (appellant)



de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)








Datum uitspraak: 5 augustus 2026




PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. A. Doruk, advocaat, hoger beroep ingesteld.



De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.





OVERWEGINGEN



In artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken bedraagt. Deze termijn gaat in op de dag nadat de aangevallen uitspraak aan partijen is bekendgemaakt. Dat volgt uit artikel 6:8 van de Awb. Een beroepschrift is tijdig ingediend als het voor het einde van de termijn is ontvangen of als het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd en het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. Deze regels staan in artikel 6:9 van de Awb. Uit artikel 6:24 van de Awb volgt dat deze bepalingen ook gelden voor het hoger beroep.



Als een beroepschrift na afloop van de beroepstermijn is ingediend blijft nietontvankelijkverklaring op grond van termijnoverschrijding achterwege als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Als een partij wordt bijgestaan door een professionele rechtshulpverlener dan komt diens handelen in beginsel voor risico van die partij. Een termijnoverschrijding is in een dergelijk geval doorgaans niet verschoonbaar vanwege de professionaliteit die bij beroepsmatig handelen mag worden verwacht. Op dit uitgangspunt wordt alleen een uitzondering gemaakt als sprake is van (heel) bijzondere persoonlijke omstandigheden aan de zijde van de professionele rechtshulpverlener of als de termijnoverschrijding is veroorzaakt door handelen of nalaten van het bestuursorgaan.



Als het beroepschrift niet tijdig is ingediend en de termijnoverschrijding is niet verschoonbaar, dan moet het hoger beroep niet-ontvankelijk worden verklaard. Belangen die met het materiële geschil zijn gemoeid, zijn bij de beoordeling niet relevant.



De uitspraak waartegen hoger beroep is ingesteld is op 18 juli 2025 in afschrift bij aangetekende brief aan partijen toegezonden. Dat betekent dat de termijn om hoger beroep in te stellen is aangevangen op 19 juli 2025 en is geëindigd op 1 september 2025.



De aangetekend verzonden uitspraak is als onbestelbaar bij de rechtbank geretourneerd. Op 8 augustus 2025 is de uitspraak vervolgens bij gewone brief aan de gemachtigde van appellant toegezonden. In die brief is erop gewezen dat deze tweede verzending geen verandering brengt in de termijn voor het instellen van hoger beroep en dat hoger beroep dient te worden ingesteld binnen zes weken na de toezending van de eerste aangetekende verzending.



Het hoger beroepschrift is op 18 september 2025 ontvangen en dus na afloop van de beroepstermijn door de gemachtigde van appellant ingediend. Bij brief van 2 april 2026 is gevraagd naar de reden van de termijnoverschrijding.



De gemachtigde van appellant heeft daarop bij brief van 29 april 2026 toegelicht dat het kantoor in de betreffende periode geopend was, dat de brievenbus dagelijks werd geleegd en dat geen afhaalbericht was aangetroffen. De gemachtigde geeft in zijn reactie verder weer dat er in de brief van de rechtbank van 8 augustus 2025 op werd gewezen dat de termijn om hoger beroep in te stellen ongewijzigd doorliep. Hij stelt dat hij in lijn met die mededeling heeft gehandeld door de ontvangst per gewone post als startpunt te nemen. Gemachtigde heeft gewezen op de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 15 oktober 2025.



De Raad volgt dit standpunt niet. De gemachtigde heeft er niet van uit kunnen gaan dat de termijn voor het instellen van hoger beroep in dit geval pas is aangevangen vanaf (de dag na) de toezending op 8 augustus 2025. Onderaan de aangevallen uitspraak staat immers als verzenddatum 18 juli 2025 vermeld en dat een hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop de uitspraak is verzonden. De gemachtigde is, als professioneel rechtsbijstandverlener, ook op de hoogte van de geldende termijnen. In de brief van de rechtbank van 8 augustus 2025 is vervolgens uitdrukkelijk vermeld dat de tweede verzending van de uitspraak geen verandering brengt in de termijn voor het instellen van hoger beroep. Op het moment van ontvangst van die brief liep de hogerberoepstermijn nog ongeveer drie weken. Hoe appellant aan die vermelding het vertrouwen heeft kunnen ontlenen dat de hoger beroepstermijn niettemin op een ander moment is gaan lopen, is niet duidelijk gemaakt. Daarmee is deze situatie niet vergelijkbaar met die in de uitspraak van de Afdeling waar de gemachtigde naar heeft verwezen.



De gemachtigde heeft daarmee en ook overigens geen bijzondere of persoonlijke omstandigheden aangevoerd op grond waarvan de termijnoverschrijding verschoonbaar moet worden geacht.



Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.



Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.





BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.




Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van M.J.D. van Haren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2026.



(getekend) H.G. Rottier




(getekend) M.J.D. van Haren





Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.



ABRvS 15 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4946.