Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Centrale Raad van Beroep

ECLI:NL:CRVB:2026:1009

2026-08-04 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht 24/2130 PW
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2026-08-04
Publicatiedatum
2026-08-03
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
24/2130 PW
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Toekenning AOW-pensioen naar gehuwdennorm. Gezamenlijke huishouding. Wederzijdse zorg. Geen kostgangersrelatie. Niet in geschil is dat appellante en haar broer ten tijde van belang hun hoofdverblijf hadden in de woning van de broer. Er bestaat verder voldoende feitelijke grondslag voor het standpunt van de Svb dat ten tijde hier van belang sprake was van wederzijdse zorg. De financiële verstrengeling tussen appellante en haar broer ging veel verder dan alleen het delen van de met wonen samenhangende lasten. Er was daarnaast ook geen sprake van een door zakelijke verhoudingen beheerste kostgangersrelatie. Zo was sprake van zorgelementen over en weer die niet in de kostgangersovereenkomst staan en zorgverlening van appellante aan haar broer die verder gaan dan is afgesproken. De toekenning van het AOW-pensioen naar de norm voor gehuwden blijft dus in stand.

Citeert (4)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (13.545 tekens)
24/2130 AOW


Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer












Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 10 september 2024, 22/2881 (aangevallen uitspraak)







Partijen:




[appellante] te [woonplaats] (appellante)



de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)








Datum uitspraak: 4 augustus 2026

SAMENVATTING


Het gaat in deze zaak over de toekenning van een pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) aan appellante naar de norm voor gehuwden. Daaraan heeft de Svb ten grondslag gelegd dat appellante en haar broer een gezamenlijke huishouding voeren in de woning van de broer. Appellante voert aan dat zij geen gezamenlijke huishouding voerde, omdat geen sprake was van wederzijdse zorg en omdat zij een kostgangersovereenkomst heeft gesloten met haar broer. Appellante krijgt geen gelijk.





PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. J.H.M. Verstraten, advocaat, hoger beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend.



De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 23 juni 2026. Voor appellante is mr. Verstraten verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.F.L.B. Metz.





OVERWEGINGEN




Inleiding


1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.


1.1.
Op 10 mei 2022 heeft appellante een AOW-pensioen aangevraagd. Op het aanvraagformulier heeft zij vermeld dat zij in één huis woont met haar broer en dat hij bijdraagt aan het huishouden.


1.2.
Met een besluit van 11 mei 2022 heeft de Svb aan appellante met ingang van 22 september 2022 een AOW-pensioen naar de norm voor gehuwden toegekend, omdat zij een gezamenlijke huishouding vormt met haar broer.


1.3.
Appellante heeft tegen het besluit van 11 mei 2022 bezwaar gemaakt en hierbij vermeld dat zij met haar broer een kostgangersrelatie heeft. Appellante is kostganger en huurt als zodanig een deel van de woning van haar broer, de kostgever. Zij heeft een kostgangersovereenkomst tussen haar en haar broer van 13 december 2021 overgelegd. In deze overeenkomst staat onder meer dat appellante € 450,- zal bijdragen in de kosten van de huishouding, dat appellante gebruik mag maken van alle ruimten en sanitaire voorzieningen in de woning, dat de was van appellante zal worden gedaan door appellante en haar broer en dat appellante en haar broer zullen zorgdragen voor het doen van de boodschappen en het bereiden van het avondeten voor alle bewoners van de woning. Ook staat in deze overeenkomst dat appellante gebruik mag maken van de telefoon en het internet en dat als achteraf blijkt dat de kosten hiervan door gebruik van appellante hoger zijn dan voorheen, de broer aanspraak kan maken op vergoeding van deze kosten. Naar aanleiding daarvan hebben medewerkers van de afdeling handhaving van de Svb op 25 augustus 2022 een aangekondigd huisbezoek afgelegd aan de woning op het uitkeringsadres. Tijdens dit huisbezoek heeft appellante een ‘Checklist gezamenlijke huishouding’ ingevuld en ondertekend. In de checklist staat onder meer dat kosten niet worden doorberekend, omdat appellante dat niet kan betalen, dat appellante en haar broer samenwonen uit nood aangezien zij beiden hulp nodig hadden, dat appellante schoonmaakt, alle dagen van de week kookt, behalve op zaterdag, en de was voor beiden doet, dat de broer de klusjes doet en het gras maait, dat appellante en haar broer verder samen de tuin onderhouden, dat appellante en haar broer elkaar verzorgen bij ziekte, maar dat dit op het geven van oogdruppels door appellante aan haar broer na nog niet is voorgekomen. Volgens appellante en haar broer is er geen kostgangerssituatie en ook geen huursituatie. Het bedrag van € 450,- dat appellante aan haar broer betaalt is geen kostgeld, maar heeft betrekking op de eigen kosten van appellante, en is een onkostenvergoeding voor eten, gas, water, internet en licht. Ook heeft gegevensuitwisseling met de gemeente Horst aan de Maas plaatsgevonden, omdat appellante en haar broer voorafgaand aan de aanvraag om een AOW-pensioen een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers ontvingen. De onderzoeksresultaten staan in een handhavingsrapportage van 29 augustus 2022.


1.4.
Met een besluit van 10 november 2022 (bestreden besluit) is de Svb bij het besluit van 11 mei 2022 gebleven. Daaraan ligt ten grondslag dat appellante en haar broer een gezamenlijke huishouding voeren.



Uitspraak van de rechtbank



2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.

Het standpunt van appellante


3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat zij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.



Het oordeel van de Raad


4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over toekenning van een AOW-pensioen naar de gehuwdennorm in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.


4.1.

In dit geval moet worden beoordeeld of appellante op 22 september 2022, de datum met ingang waarvan aan haar een AOW-pensioen naar de norm voor gehuwden is toegekend, een gezamenlijke huishouding voerde met haar broer.

Gezamenlijke huishouding




4.2.
Op grond van artikel 1, vierde lid, van de AOW is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. Niet in geschil is dat appellante en haar broer ten tijde van belang hun hoofdverblijf hadden in de woning van de broer.

4.2.1.
Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat van de wederzijdse zorg. Deze zorg kan blijken uit een financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan alleen het delen van de met wonen samenhangende lasten. Als er weinig of geen financiële verstrengeling is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in zorg voor elkaar voorzien. Daarbij moeten alle gebleken, niet van subjectieve aard zijnde feiten en omstandigheden worden betrokken.


4.2.2.
De vraag of iemand een gezamenlijke huishouding voert, moet worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. De omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie zijn daarbij niet van belang.



4.3.
Appellante heeft aangevoerd dat geen sprake is van wederzijdse zorg. Zij heeft met haar broer een kostgangersrelatie en heeft ter onderbouwing in bezwaar een kostgangersovereenkomst van 13 december 2021 overgelegd. Verder verleende appellante zorg aan haar broer, maar zijn er geen zorgelementen van haar broer richting haar. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat er voldoende feitelijke grondslag is voor het standpunt van de Svb dat ten tijde hier van belang sprake was van wederzijdse zorg. Hiertoe is het volgende van belang.


4.4.
Anders dan appellante stelt, is het niet zo dat financiële verstrengeling tussen haar en broer ontbreekt en ook niet dat sprake is van een zuiver zakelijke kostgangersrelatie. Dat wordt hierna toegelicht.

4.4.1.
Voorop staat dat appellante geen vergoeding betaalde voor het mede kunnen gebruiken van de woning van de broer. Zij betaalde dus geen huurkosten en woonde in zoverre dus gratis in de woning van haar broer. De zorg- en verzekeringskosten betaalden appellante en haar broer ieder voor zich. Uit de verklaring van appellante bij het huisbezoek en de toelichting ter zitting volgt dat appellante aan haar broer per maand een onkostenvergoeding van € 450,- per maand betaalde voor overige kosten van levensonderhoud van hen beiden. Dit was het bedrag dat appellante kon missen en was niet gebaseerd op daadwerkelijk door haar gemaakte kosten. Met dit bedrag werd bijgedragen aan het betalen van de overige woonlasten en de kosten voor boodschappen voor hen beiden. Er was geen sprake van gescheiden portemonnees, al het geld kwam in de huishoudpot terecht, dat door de broer werd beheerd. Niet werd bijgehouden wie welke kosten maakte. Alle kosten boven de bijdragen van appellante werden gedragen door haar broer, zonder dat nog verdere verrekening met appellante plaatsvond. Hieruit volgt dat sprake was van financiële verstrengeling tussen appellante en haar broer die veel verder ging dan alleen het delen van de met wonen samenhangende lasten. Het vergelijk met de ter zitting besproken uitspraken van de Raad van 10 juni 2014 en van 3 maart 2015, gaat dus niet op omdat in die zaken wel vaststond dat er geen sprake was van financiële verstrengeling tussen betrokkenen.


4.4.2.
Er was ook geen sprake van een door zakelijke verhoudingen beheerste kostgangersrelatie. Om een kostgangersrelatie aan te nemen dient de economische verhouding tussen kostgever en kostganger beheerst te worden door zakelijke elementen. De prestaties die over en weer worden verleend, dienen te zijn vastgesteld in een contract en voor de kost en inwoning die wordt verschaft zal een commerciële prijs moeten worden betaald waarvan controleerbare betaalgegevens kunnen worden overgelegd. De op 13 december 2021 opgestelde kostgangersovereenkomst voldoet hier niet aan. Zoals hiervoor al is overwogen, betaalde appellante voor de inwoning die aan haar werd verschaft geen vergoeding aan haar broer. De reden hiervoor, dat de broer geen hypotheekkosten meer had, doet aan dit gegeven niet af. Ook werd de vergoeding die appellante wel betaalde, die bestemd was voor ‘kost’ van haar, niet geïndexeerd.


4.4.3.
Daarnaast is sprake van zorgelementen over en weer die niet in de kostgangersovereenkomst staan en zorgverlening van appellante aan haar broer die verder gaan dan is afgesproken. Anders dan in de overeenkomst was afgesproken kookt alleen appellante en doet alleen zij de was. Er is ook sprake van zorgelementen over en weer die niet in de overeenkomst zijn opgenomen, namelijk dat appellante de gehele woning schoonhoudt, de broer de klusjes in huis verricht en de huishoudpot beheert en de boodschappen betaalt. Ook doen zij samen boodschappen op de fiets, omdat appellante dat niet alleen kan doen.





Conclusie en gevolgen


4.5.

Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de toekenning van het AOW-pensioen naar de norm voor gehuwden in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.





BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.




Deze uitspraak is gedaan door E.C.E. Marechal als voorzitter en W.F. Claessens en J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van D.M.A. van de Geijn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 augustus 2026.






(getekend) E.C.E. Marechal




(getekend) D.M.A. van de Geijn




Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip gezamenlijke huishouding.



Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels



Algemene Ouderdomswet




Artikel 1, derde lid, aanhef en onder a



Als gehuwd of als echtgenoot wordt mede aangemerkt de ongehuwde meerderjarige die met een andere ongehuwde meerderjarige een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad.



Artikel 1, vierde lid



Van een gezamenlijke huishouding is sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.



ECLI:NL:CRVB:2014:1974 en ECLI:NL:CRVB:2015:645.


Zie de uitspraak van de Raad van 7 juni 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2163 en van 31 juli 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2327.