Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Centrale Raad van Beroep

ECLI:NL:CRVB:2026:1001

2026-07-16 Bestuursrecht; Ambtenarenrecht 23/3459 AW
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2026-07-16
Publicatiedatum
2026-07-31
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
23/3459 AW
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

De minister heeft een juiste functiebeschrijving van de functie van appellant gegeven. De door appellant genoemde functieverzwarende elementen zijn voldoende tot uitdrukking gebracht in het samenstel van werkzaamheden.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (13.303 tekens)
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer



23/3459 AW










Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 17 november 2023, 22/5018 (aangevallen uitspraak)







Partijen:




[appellant] te [woonplaats] (appellant)



de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (minister)








Datum uitspraak: 16 juli 2026

SAMENVATTING


De Raad oordeelt dat de functiebeschrijving in stand blijft. De door appellant verrichte werkzaamheden zijn daarin voldoende tot uitdrukking gebracht.





PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. J.W. Wijers hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. De minister heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.



De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 21 mei 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Wijers. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. Westra. Tevens was voor de minister aanwezig ir. J.A. Becht (Human Capital Group).





OVERWEGINGEN




Inleiding


1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.



1.1.
Met ingang van 1 januari 2020 is de Ambtenarenwet gewijzigd en Ambtenarenwet 2017 (AW 2017) gaan heten. Op grond van artikel 16, tweede lid, van de AW 2017 blijft op besluiten of handelingen die vóór 1 januari 2020 bekend zijn gemaakt, het toen geldende recht van toepassing wat betreft de mogelijkheid om bezwaar te maken of beroep in te stellen en wat betreft de behandeling van dat bezwaar of beroep.



1.2.
Appellant is werkzaam geweest als vastgoeddeskundige en vanaf 2008 als Senior vastgoeddeskundige bij (de rechtsvoorganger van) het Rijksvastgoedbedrijf (RVB). Het RVB was onderdeel van het Ministerie van Financiën en is in 2012 onderdeel geworden van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.



1.3.
Met een besluit van 19 oktober 2012 heeft de minister de functie van appellant met ingang van 1 november 2012 ingedeeld in het Functiegebouw Rijk (FGR) in de functiefamilie Advisering, functietypering (Senior) Adviseur, Werkveld Fysieke ruimte en Milieu, in schaal 12 van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 (BBRA). Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.



1.4.
Met een besluit van 24 april 2015 heeft de minister de functie van appellant met terugwerkende kracht tot 1 november 2012 ingedeeld in het FGR in de functiefamilie Project/Programmamanagement, functietypering Projectleider, in schaal 12 van het BBRA. De indeling is gebaseerd op een (nieuwe) beschrijving van het feitelijke samenstel van werkzaamheden, aangezien de werkzaamheden van appellant niet overeenkwamen met de bestaande functiebeschrijving van de functie van Senior vastgoeddeskundige .



1.5.
Appellant heeft zijn bezwaar gehandhaafd omdat hij het niet eens is met de beschrijving van het samenstel van werkzaamheden.



1.6.
Met een besluit van 19 augustus 2022 (bestreden besluit) heeft de minister het besluit van 24 april 2015 ingetrokken en het samenstel van werkzaamheden met ingang van 1 november 2021 vastgesteld overeenkomstig het advies van functiedeskundige [naam 1] van 25 januari 2021.




Uitspraak van de rechtbank



2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft, voor zover van belang, overwogen dat het advies van 25 januari 2021 (ook) voor wat betreft de functiebeschrijving wordt gevolgd, nu dit inzichtelijk, begrijpelijk en consistent is en zorgvuldig tot stand is gekomen. Het genuanceerde beeld dat de leidinggevende van appellant heeft geschetst over de bewegingsvrijheid en zelfstandigheid wordt bevestigd door de functiedeskundige in de beschrijving van de werkomgeving en werkomstandigheden. Hieruit blijkt afdoende de complexiteit van de functie van appellant. Dat de beschrijving van het samenstel van werkzaamheden in het advies van 25 januari 2021 onjuist zou zijn volgt de rechtbank dan ook niet. De rechtbank ziet geen aanleiding om het door appellant overgelegde advies van [naam 2] te volgen. [naam 2] heeft geen hoor en wederhoor toegepast en heeft zijn functiebeschrijving in de kern alleen gebaseerd op een interview met appellant.



Het standpunt van appellant



3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.




Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de functiebeschrijving van appellant in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.

5. De onderhavige procedure is beperkt tot de vraag of door de minister een juiste functiebeschrijving van de functie van appellant is gegeven. De op basis van die functiebeschrijving te geven functiewaardering is dus geen onderdeel van de procedure.

6. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank in haar uitspraak voorbij is gegaan aan de beroepsgrond, dat de complexiteit van de door hem verrichte werkzaamheden tot uitdrukking dient te komen in de beschrijving van de werkzaamheden zelf en niet uitsluitend in de context van de functiebeschrijving. Appellant noemt vijf functieverzwarende elementen die in de functiebeschrijving onvoldoende tot uitdrukking zijn gebracht. Appellant heeft ter onderbouwing van zijn standpunt verwezen naar enkele notities van [naam 2] ( [adviesbureau 1] ) alsmede naar een functiewaarderingsadvies van [naam 3] ( [adviesbureau 2] ). De genoemde vijf elementen betreffen het volgende:


de lange duur en complexiteit van verkoopprocessen en ingebruikgevingen (8.1);


grote diversiteit van het vastgoed van de Staat (8.2);


mogelijke spanningen met gemeenten bij noodzakelijke bestemmingswijzigingen (8.3);


bij het nemen van besluiten kunnen bij het realiseren van strategische doelen als bijvoorbeeld wonen of natuur om voorrang strijden (8.4);


politieke gevoeligheid van de dossiers (8.5).



7. De minister heeft betoogd dat de vijf door appellant genoemde elementen voldoende tot uitdrukking zijn gebracht in de functiebeschrijving. De minister heeft zich daarbij mede gebaseerd op een door Becht opgesteld memo van 26 februari 2024.

8. Zoals de Raad eerder heeft overwogen, moet de rechter de juistheid van een functiebeschrijving volledig toetsen, indien deze berust op feitelijk uitgevoerde of feitelijk opgedragen werkzaamheden.


8.1.
In het advies van [naam 1] van 25 januari 2021, waarop het bestreden besluit is gebaseerd, is beschreven dat bij iedere verkoop waar een bestemmingswijziging moet plaatsvinden en de gemeente zich faciliterend opstelt, een ontwikkelingsplan moet worden opgesteld, waarbij de vastgoeddeskundige vanuit het perspectief van het rijk richting geeft om meerwaarde te creëren, waarbij deze dossiers een lange doorlooptijd hebben, van vijf tot tien jaar en soms langer. De dossiers kennen naast een lange doorlooptijd ook wisselende stakeholders en de meeste dossiers zijn politiek gevoelig. Zoals ook door Becht wordt gesignaleerd, en niet dan wel onvoldoende gemotiveerd namens appellant is weersproken, blijkt de lange duur en complexiteit van de verkoopprocessen en ingebruikgeving onder andere uit het feit dat er in het advies van [naam 1] wordt gesproken over (her)ontwikkelingsprojecten, omvangrijke vastgoedtrajecten op het gebied van ingebruikneming, verkoop en herbestemming van rijkseigendommen. Ook naar het oordeel van de Raad blijkt hieruit op afdoende wijze het complexe en meerjarige karakter van de door appellant te verzorgen projecten.



8.2.
In het advies van [naam 1] van 25 januari 2021 is vermeld dat de resultaten en hoofdtaken van appellant onder andere bestaan uit het organiseren van ingebruikneming, verkoop, herbestemming en het multifunctioneel doen aanwenden van overbodig geworden staatseigendommen. Die omschrijving duidt daarmee op Rijksvastgoed in het algemeen, en niet slechts op een specifiek soort vastgoed. De diversiteit van de door appellant te verzorgen projecten is daarmee naar het oordeel van de Raad voldoende tot uitdrukking gebracht.



8.3.
In het advies van [naam 1] van 25 januari 2021 is vermeld welke bestuurlijke contacten appellant had in de uitoefening van zijn functie, waaronder die met leden van het college van burgemeester en wethouders over het verkopen en overnemen van Rijksvastgoed in gemeenten. Naast hetgeen hiervoor is overwogen over de lange duur en complexiteit van de verkoopprocessen en ingebruikgeving en over de grote diversiteit van objecten, waaruit mogelijke spanningen kunnen blijken bij noodzakelijke bestemmingswijzigingen, komt ook uit de door [naam 1] genoemde contacten van appellant op bestuurlijk niveau tot uitdrukking dat dit tot spanningen kan leiden. Hetzelfde volgt uit de beschrijving van werkzaamheden bestaande uit het informeren, afstemmen en overleggen met stakeholders, zowel op objectniveau als op portefeuilleniveau, waarbij politieke of interdepartementale belangen een rol spelen. De spanningen die de uitoefening van de door appellant verrichte werkzaamheden tot gevolg kunnen hebben is daarmee naar het oordeel van de Raad voldoende tot uitdrukking gebracht.



8.4.
In het advies van [naam 1] van 25 januari 2021 is vermeld dat tot de hoofdtaken van appellant behoort het ontwikkelen van een plan gericht op het op de meest effectieve wijze realiseren van meerwaarde voor het Rijk en het realiseren van een marktconforme opbrengst, maar ook het bij herbestemmingen realiseren van bestemmingswijzigingen in overleg met gemeenten. Uit hetgeen hiervoor onder 8.1 tot en met 8.3 is overwogen volgt dat hierbij verschillende strategische doelen om voorrang kunnen strijden. Met dit aspect is daarmee naar het oordeel van de Raad voldoende rekening gehouden.



8.5.
Wat hiervoor onder 8.1 tot en met 8.4 is overwogen geldt ook voor de politieke gevoeligheid van de door appellant te verrichten werkzaamheden.



8.6.
Naast de vijf door appellant genoemde elementen die onder 8.1 tot en met 8.5 zijn besproken, heeft appellant ook gewezen op het volgende. Met het behalen van de opleiding Master of Studies in Real Estate (MSRE) was appellant de hoogst opgeleide senior vastgoeddeskundige op de afdeling Verkoop waarna hij in 2013 ook de master Bedrijfskunde heeft afgerond aan de Vrije Universiteit te Amsterdam. Appellant heeft verder betoogd dat zijn verantwoordelijkheid voor het realiseren van strategische doelen ten onrechte niet is opgenomen in het samenstel van de door hem verrichte werkzaamheden. Hij verricht zijn werkzaamheden bovendien geheel zelfstandig. Ten aanzien hiervan is namens de minister opgemerkt dat de verantwoordelijkheid voor het realiseren van strategische doelen niet bij appellant lag, maar bij zijn leidinggevenden. Namens de minister is verder opgemerkt dat belangrijke beslissingen door appellant dienden te worden afgestemd met zijn leidinggevenden, die daarover het laatste woord hadden. Appellant heeft beide reacties namens de minister niet gemotiveerd weersproken, ook niet nadat hem daartoe bij gelegenheid van de mondelinge behandeling de mogelijkheid is geboden. De Raad concludeert op grond daarvan dat met de aspecten verantwoordelijkheid en zelfstandigheid in de beschrijving van de door hem verrichte werkzaamheden voldoende rekening is gehouden.



8.7.
De conclusie is dat de gronden van beroep niet slagen.





Conclusie en gevolgen


8.8.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de functiebeschrijving in stand blijft.


9. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.






BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.




Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Tobé als voorzitter en mr. G.C. Boot en mr. M.B. van den Haak als leden, in tegenwoordigheid van F.M. Gerritsen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2026






(getekend) L.M. Tobé




(getekend) F.M. Gerritsen



Zie bijvoorbeeld CRvB 6 september 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2744.