Centrale Raad van Beroep
ECLI:NL:CRVB:2025:168
2025-01-14
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
23/1246 PW
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Hoger beroep niet-ontvankelijk. Geen procesbelang.
Citeert (1)
- ECLI:NL:CRVB:2008:BC3264 Centrale Raad van Beroep 29-01-2008
Geciteerd door (1)
- ECLI:NL:RBZWB:2026:122 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 16-01-2026
Volledige tekst
Volledige tekst (4.953 tekens)
23/1246 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 april 2023, 22/5856 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
Datum uitspraak: 14 januari 2025
SAMENVATTING
In deze zaak heeft appellant bezwaar gemaakt tegen een uitkeringsspecificatie vanwege de inhoudingen op de bijstandsuitkering over de maanden oktober en november 2022 in verband met een openstaande vordering. De Raad oordeelt dat appellant geen procesbelang heeft bij een beoordeling van die inhouding, aangezien het college de ingehouden bedragen heeft teruggestort. Om die reden wordt het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard.
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 19 november 2024. Appellant is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Ahmed.
OVERWEGINGEN
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant ontvangt bijstand op grond van de Participatiewet naar de norm voor een alleenstaande.
1.2.
Uit de uitkeringsspecificatie van de maand november 2022 (uitkeringsspecificatie) blijkt dat het college in verband met een openstaande vordering een bedrag ter hoogte van 5% heeft ingehouden op de bijstandsuitkering over de maanden oktober en november 2022.
1.3.
Met een besluit van 2 december 2022 (bestreden besluit) heeft het college, voor zover hier van belang, het bezwaar tegen de uitkeringsspecificatie gegrond verklaard voor zover het de inhouding op de bijstandsuitkering betreft voor de maanden oktober en november 2022. Vanwege het risico op het ontstaan van een problematische huurachterstand heeft het college ervoor gekozen om de ingehouden bedragen op de bankrekening van appellant terug te storten.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens voor zover dat ziet op de uitkeringsspecificaties over de maanden oktober 2022 en november 2022. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.
Het oordeel van de Raad
4. De Raad ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of appellant met het instellen van het hoger beroep nog voldoende procesbelang heeft in deze zaak.
4.1.
Voor het antwoord op de vraag of een betrokkene voldoende procesbelang heeft, is volgens vaste rechtspraak bepalend of het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift nastreeft ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijke betekenis kan hebben.
4.2.
Appellant heeft hoger beroep ingesteld, omdat hij het niet eens is met de inhoudingen op zijn bijstandsuitkering over de maanden oktober en november 2022. Hiermee gaat appellant er echter aan voorbij dat het college met het bestreden besluit die inhoudingen ongedaan heeft gemaakt. Het college heeft het bezwaar voor zover gericht tegen die maanden gegrond verklaard en de eerder ingehouden bedragen op de bankrekening van appellant teruggestort. Aangezien dit het voor appellant maximaal te behalen resultaat is in deze procedure en appellant geen ander belang heeft gesteld, heeft hij geen procesbelang bij een oordeel over de aangevallen uitspraak.
Conclusie en gevolgen
4.3.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk is.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door J.T.H. Zimmerman, in tegenwoordigheid van N. Benhaddou als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2025.
(getekend) J.T.H. Zimmerman
(getekend) N Benhaddou
Uitspraak van 29 januari 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BC3264.
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 april 2023, 22/5856 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
Datum uitspraak: 14 januari 2025
SAMENVATTING
In deze zaak heeft appellant bezwaar gemaakt tegen een uitkeringsspecificatie vanwege de inhoudingen op de bijstandsuitkering over de maanden oktober en november 2022 in verband met een openstaande vordering. De Raad oordeelt dat appellant geen procesbelang heeft bij een beoordeling van die inhouding, aangezien het college de ingehouden bedragen heeft teruggestort. Om die reden wordt het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard.
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 19 november 2024. Appellant is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Ahmed.
OVERWEGINGEN
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant ontvangt bijstand op grond van de Participatiewet naar de norm voor een alleenstaande.
1.2.
Uit de uitkeringsspecificatie van de maand november 2022 (uitkeringsspecificatie) blijkt dat het college in verband met een openstaande vordering een bedrag ter hoogte van 5% heeft ingehouden op de bijstandsuitkering over de maanden oktober en november 2022.
1.3.
Met een besluit van 2 december 2022 (bestreden besluit) heeft het college, voor zover hier van belang, het bezwaar tegen de uitkeringsspecificatie gegrond verklaard voor zover het de inhouding op de bijstandsuitkering betreft voor de maanden oktober en november 2022. Vanwege het risico op het ontstaan van een problematische huurachterstand heeft het college ervoor gekozen om de ingehouden bedragen op de bankrekening van appellant terug te storten.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens voor zover dat ziet op de uitkeringsspecificaties over de maanden oktober 2022 en november 2022. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.
Het oordeel van de Raad
4. De Raad ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of appellant met het instellen van het hoger beroep nog voldoende procesbelang heeft in deze zaak.
4.1.
Voor het antwoord op de vraag of een betrokkene voldoende procesbelang heeft, is volgens vaste rechtspraak bepalend of het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift nastreeft ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijke betekenis kan hebben.
4.2.
Appellant heeft hoger beroep ingesteld, omdat hij het niet eens is met de inhoudingen op zijn bijstandsuitkering over de maanden oktober en november 2022. Hiermee gaat appellant er echter aan voorbij dat het college met het bestreden besluit die inhoudingen ongedaan heeft gemaakt. Het college heeft het bezwaar voor zover gericht tegen die maanden gegrond verklaard en de eerder ingehouden bedragen op de bankrekening van appellant teruggestort. Aangezien dit het voor appellant maximaal te behalen resultaat is in deze procedure en appellant geen ander belang heeft gesteld, heeft hij geen procesbelang bij een oordeel over de aangevallen uitspraak.
Conclusie en gevolgen
4.3.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk is.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door J.T.H. Zimmerman, in tegenwoordigheid van N. Benhaddou als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2025.
(getekend) J.T.H. Zimmerman
(getekend) N Benhaddou
Uitspraak van 29 januari 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BC3264.