Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Centrale Raad van Beroep

ECLI:NL:CRVB:2024:639

2024-03-21 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht 23/2458 WAO
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2024-03-21
Publicatiedatum
2024-04-03
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
23/2458 WAO
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Verzoek herziening WAO-uitkering. Appellant stelt dat hij vanaf 1 juni 1995 volledig arbeidsongeschikt is. Evenals de rechtbank oordeelt de Raad dat geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (5.212 tekens)
232458 WAO




Datum uitspraak: 21 maart 2024
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer










Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 26 juli 2023, 23/426 (aangevallen uitspraak)







Partijen:




[appellant] te [woonplaats] (appellant)



de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)





Zitting heeft: E. Dijt
Griffier: M. Sheerzad



Appellant is niet verschenen ter zitting. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.C. van der Meer





BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep ongegrond.



Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.


1. Appellant ontvangt sinds 7 december 1992 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Van 7 december 1992 tot 1 juni 1995 is hij volledig arbeidsongeschikt geacht. Met een besluit van 22 maart 1995 is de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant vanaf 1 juni 1995 vastgesteld op 35 tot 45%. Met ingang van 15 oktober 1996 is appellant weer volledig arbeidsongeschikt geacht en is de WAO-uitkering herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

2. Appellant heeft in 2011 en in 2019 verzocht om terug te komen van het besluit van 22 maart 1995. De Raad heeft in zijn uitspraken van 22 mei 2013 en 3 februari 2022 geoordeeld dat het Uwv deze verzoeken terecht heeft afgewezen.

3. In een brief van 19 juli 2022 heeft appellant opnieuw verzocht om terug te komen van het besluit van 22 maart 1995. Appellant heeft gesteld dat hij al vanaf 1 juni 1995 volledig arbeidsongeschikt is. Hij heeft verwezen naar een rapport van 20 februari 1995 van een verzekeringsarts van het Gemeenschappelijk Administratiekantoor (GAK) en een rapport van 5 november 2008 van een arts van het Uwv.

4. Met een besluit van 11 november 2022 heeft het Uwv geweigerd om terug te komen van het besluit van 22 maart 1995, omdat geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 4 januari 2023 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Het Uwv heeft vastgesteld dat de stukken van 20 februari 1995 en 5 november 2008 medische beoordelingen zijn van het UWV (en voorganger GAK) en dat dit geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn.

5. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vooropgesteld dat het Uwv de hoorplicht niet heeft geschonden, omdat uit de overgelegde telefoonnotities van het Klantcontactcentrum van het Uwv blijkt dat appellant heeft afgezien van zijn recht om te worden gehoord. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv het verzoek van appellant terecht heeft opgevat als een verzoek om terug te komen van het besluit van 22 maart 1995 en niet als een verzoek om een Amber-beoordeling. Daarbij heeft het Uwv zich terecht op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. De medische rapporten van 20 februari 1995 en van 5 november 2008 kunnen niet als nieuw feit worden aangemerkt. Appellant had deze rapporten ook in eerdere procedures in geding kunnen brengen. Overigens blijkt uit het rapport van 5 november 2008 niet dat sprake zou zijn van meer beperkingen in 1995. Ook is er geen sprake van een evident onredelijke uitkomst. Het Uwv mocht het verzoek van appellant om herziening van het besluit van 22 maart 1995 dan ook afwijzen en een medisch inhoudelijke beoordeling achterwege laten. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om een medisch deskundige in te schakelen.

6. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat het Uwv zijn verzoek om herziening van het besluit van 22 maart 1995 ten onrechte heeft afgewezen. Verder heeft appellant gesteld dat de hoorplicht is geschonden en dat een Amber-beoordeling had moeten plaatsvinden. Hij heeft verzocht een deskundige te benoemen. Dit is een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen worden onderschreven. Hieraan wordt toegevoegd dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 22 december 2022 terecht heeft opgemerkt dat de beschrijving in het rapport van 5 november 2008 geen betrekking heeft op de medische situatie van appellant in 1995.

7. Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

8. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



Waarvan proces-verbaal.



Utrecht, 21 maart 2024



De griffier. Het lid van de enkelvoudige kamer.




(getekend) M. Sheerzad (getekend) E. Dijt





ECLI:NL:CRVB:2013:CA2242.


ECLI:NL:CRVB:2022:307.