Centrale Raad van Beroep
ECLI:NL:CRVB:2024:378
2024-02-28
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
22/2810 AW
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Herzieningsverzoek van de uitspraak van de Raad van 29 juli 2010 is niet-ontvankelijk verklaard. Verzet. Het herzieningsverzoek is, net als de vorige drie verzoeken, onredelijk laat ingediend.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (1)
- ECLI:NL:CRVB:2024:1821 Centrale Raad van Beroep 19-09-2024
Volledige tekst
Volledige tekst (2.541 tekens)
222810 AW
Datum uitspraak: 28 februari 2024
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank van Amsterdam van 23 juni 2022, 21/5681 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het bestuur van Stichting [Stichting] (bestuur)
PROCESVERLOOP
Met een uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Awb van 4 mei 2023 heeft de Raad de aangevallen uitspraak vernietigd omdat de rechtbank ten onrechte op het door appellante ingediende herzieningsverzoek van 4 oktober 2021 heeft beslist. De Raad heeft het herzieningsverzoek in behandeling genomen als een verzoek om de uitspraak van de Raad van 29 juli 2010, 09/375 AW, te herzien. Dat herzieningsverzoek is niet-ontvankelijk verklaard.
Appellante heeft verzet gedaan.
De Raad heeft het verzet behandeld op een zitting van 17 januari 2024. Appellante is verschenen. Van de zijde van het bestuur is niemand verschenen.
OVERWEGINGEN
De uitspraak van de Raad van 4 mei 2023 berust op de overweging dat het herzieningsverzoek van appellante onredelijk laat is ingediend.
Wat appellante in verzet aanvoert geeft geen aanleiding hier anders over te oordelen. Appellante heeft geen nieuw feit of nieuwe omstandigheid gesteld. Het herzieningsverzoek, het zesde verzoek in deze zaak, is meer dan één jaar na de datum van openbaarmaking van de uitspraak waarvan herziening is verzocht, ingediend. Daarom is dit herzieningsverzoek, net als de vorige drie verzoeken, onredelijk laat ingediend.
Voor een proceskostenveroordeling in verzet is geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend, in tegenwoordigheid van I. van der Hout als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2024.
(getekend) B.J. van de Griend
(getekend) I. van der Hout
Datum uitspraak: 28 februari 2024
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank van Amsterdam van 23 juni 2022, 21/5681 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het bestuur van Stichting [Stichting] (bestuur)
PROCESVERLOOP
Met een uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Awb van 4 mei 2023 heeft de Raad de aangevallen uitspraak vernietigd omdat de rechtbank ten onrechte op het door appellante ingediende herzieningsverzoek van 4 oktober 2021 heeft beslist. De Raad heeft het herzieningsverzoek in behandeling genomen als een verzoek om de uitspraak van de Raad van 29 juli 2010, 09/375 AW, te herzien. Dat herzieningsverzoek is niet-ontvankelijk verklaard.
Appellante heeft verzet gedaan.
De Raad heeft het verzet behandeld op een zitting van 17 januari 2024. Appellante is verschenen. Van de zijde van het bestuur is niemand verschenen.
OVERWEGINGEN
De uitspraak van de Raad van 4 mei 2023 berust op de overweging dat het herzieningsverzoek van appellante onredelijk laat is ingediend.
Wat appellante in verzet aanvoert geeft geen aanleiding hier anders over te oordelen. Appellante heeft geen nieuw feit of nieuwe omstandigheid gesteld. Het herzieningsverzoek, het zesde verzoek in deze zaak, is meer dan één jaar na de datum van openbaarmaking van de uitspraak waarvan herziening is verzocht, ingediend. Daarom is dit herzieningsverzoek, net als de vorige drie verzoeken, onredelijk laat ingediend.
Voor een proceskostenveroordeling in verzet is geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend, in tegenwoordigheid van I. van der Hout als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2024.
(getekend) B.J. van de Griend
(getekend) I. van der Hout