Centrale Raad van Beroep
ECLI:NL:CRVB:2024:2251
2024-11-12
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
23/2441 TOZO-PV
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Herziening, intrekking en terugvordering van Tozo. Diverse inkomsten niet gemeld. Appellant heeft de inlichtingenverplichting geschonden door geen melding te maken van diverse inkomsten. De beroepsgrond dat een Tozo-uitkering anders is dan een uitkering op grond van de PW slaagt niet. Uit artikel 87f van de PW volgt dat de bepalingen uit de PW gelden. Dit betekent dat het college terecht toepassing heeft gegeven aan de artikelen 17, 54 en 58 van de PW.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (1)
- ECLI:NL:RBZWB:2025:402 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 27-01-2025
Volledige tekst
Volledige tekst (4.335 tekens)
232441 TOZO-PV
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 13 juli 2023, 23/644 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] , te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
Datum uitspraak: 12 november 2024
Zitting hebben: E.J.M. Heijs, als voorzitter, en W.F. Claessens en W.A. Timmer, als leden
Griffier: E.P.J.M. Claerhoudt
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 12 november 2024. Partijen zijn niet verschenen.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Het gaat in deze zaak om:
de herziening van de aan appellant verleende Tozo-bijstand over de maanden april 2020, februari 2021 en juni 2021;
de intrekking van de aan appellant verleende Tozo-bijstand over de maanden maart, mei, juli, oktober, november en december 2020 en over de maanden januari, april, mei en augustus 2021;
de terugvordering van appellant van de in de genoemde maanden ten onrechte of tot een te hoog bedrag gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van in totaal € 12.445,78.
Aan het besluit op bezwaar van 16 december 2022 ligt, samengevat, ten grondslag dat appellant over de betreffende maanden de op hem rustende inlichtingenverplichting van artikel 17 van de Participatiewet (PW) heeft geschonden door over de hiervoor genoemde maanden geen melding te doen van inkomsten uit uitzendwerk, gestelde leenovereenkomsten en gokactiviteiten. Aan de hand van deze inkomsten heeft het college over de betreffende maanden vastgesteld of er een aanvullend recht op Tozo-bijstand was en op grond van de artikelen 54, derde lid, eerst volzin, en 58, eerste lid, van de PW tot herziening of intrekking en terugvordering besloten.
De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard, waarna appellant hoger beroep heeft ingesteld.
De beroepsgrond van appellant dat een Tozo-uitkering iets anders is dan een uitkering op grond van de PW en dat de PW niet op hem van toepassing is, slaagt niet. De rechtbank heeft er terecht op gewezen dat artikel 78f van de PW de basis voor de Tozo is. Uit dit artikel volgt dat, voor zover in de Tozo niet expliciet van de in artikel 78f van de PW genoemde bepalingen van de PW is afgeweken, de bepalingen uit de PW gelden. Dit betekent dat het college terecht toepassing heeft gegeven aan de artikelen 17, 54 en 58 van de PW.
De beroepsgrond van appellant dat hij niet begrijpt dat de PW ook op zijn situatie van toepassing is en door het college daarop nimmer is gewezen, slaagt evenmin. Het had appellant redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat de ontvangen inkomsten van belang zijn voor zijn recht op Tozo-bijstand. Voor zover hem dit niet duidelijk was, had hij hiernaar navraag kunnen doen.
De beroepsgrond van appellant dat hij te goeder trouw heeft gehandeld en het daarom zeer onbillijk vindt dat hij nu wordt geconfronteerd met de vorderingen, kan hem ook niet baten. Voor zover deze beroepsgrond zo moet worden opgevat dat appellant niets te verwijten valt, wijst de Raad op de vaste rechtspraak dat de inlichtingenverplichting een geobjectiveerde verplichting is, waarbij verwijtbaarheid geen rol speelt. Verder heeft de rechtbank terecht overwogen dat appellant de gestelde onbillijke gevolgen in het geheel niet heeft onderbouwd.
De conclusie is dat het hoger beroep niet slaagt. Dit betekent ook dat appellant geen vergoeding voor proceskosten en griffierecht krijgt.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter
(getekend) E.P.J.M. Claerhoudt (getekend) E.J.M. Heijs
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 13 juli 2023, 23/644 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] , te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
Datum uitspraak: 12 november 2024
Zitting hebben: E.J.M. Heijs, als voorzitter, en W.F. Claessens en W.A. Timmer, als leden
Griffier: E.P.J.M. Claerhoudt
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 12 november 2024. Partijen zijn niet verschenen.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Het gaat in deze zaak om:
de herziening van de aan appellant verleende Tozo-bijstand over de maanden april 2020, februari 2021 en juni 2021;
de intrekking van de aan appellant verleende Tozo-bijstand over de maanden maart, mei, juli, oktober, november en december 2020 en over de maanden januari, april, mei en augustus 2021;
de terugvordering van appellant van de in de genoemde maanden ten onrechte of tot een te hoog bedrag gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van in totaal € 12.445,78.
Aan het besluit op bezwaar van 16 december 2022 ligt, samengevat, ten grondslag dat appellant over de betreffende maanden de op hem rustende inlichtingenverplichting van artikel 17 van de Participatiewet (PW) heeft geschonden door over de hiervoor genoemde maanden geen melding te doen van inkomsten uit uitzendwerk, gestelde leenovereenkomsten en gokactiviteiten. Aan de hand van deze inkomsten heeft het college over de betreffende maanden vastgesteld of er een aanvullend recht op Tozo-bijstand was en op grond van de artikelen 54, derde lid, eerst volzin, en 58, eerste lid, van de PW tot herziening of intrekking en terugvordering besloten.
De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard, waarna appellant hoger beroep heeft ingesteld.
De beroepsgrond van appellant dat een Tozo-uitkering iets anders is dan een uitkering op grond van de PW en dat de PW niet op hem van toepassing is, slaagt niet. De rechtbank heeft er terecht op gewezen dat artikel 78f van de PW de basis voor de Tozo is. Uit dit artikel volgt dat, voor zover in de Tozo niet expliciet van de in artikel 78f van de PW genoemde bepalingen van de PW is afgeweken, de bepalingen uit de PW gelden. Dit betekent dat het college terecht toepassing heeft gegeven aan de artikelen 17, 54 en 58 van de PW.
De beroepsgrond van appellant dat hij niet begrijpt dat de PW ook op zijn situatie van toepassing is en door het college daarop nimmer is gewezen, slaagt evenmin. Het had appellant redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat de ontvangen inkomsten van belang zijn voor zijn recht op Tozo-bijstand. Voor zover hem dit niet duidelijk was, had hij hiernaar navraag kunnen doen.
De beroepsgrond van appellant dat hij te goeder trouw heeft gehandeld en het daarom zeer onbillijk vindt dat hij nu wordt geconfronteerd met de vorderingen, kan hem ook niet baten. Voor zover deze beroepsgrond zo moet worden opgevat dat appellant niets te verwijten valt, wijst de Raad op de vaste rechtspraak dat de inlichtingenverplichting een geobjectiveerde verplichting is, waarbij verwijtbaarheid geen rol speelt. Verder heeft de rechtbank terecht overwogen dat appellant de gestelde onbillijke gevolgen in het geheel niet heeft onderbouwd.
De conclusie is dat het hoger beroep niet slaagt. Dit betekent ook dat appellant geen vergoeding voor proceskosten en griffierecht krijgt.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter
(getekend) E.P.J.M. Claerhoudt (getekend) E.J.M. Heijs