Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Centrale Raad van Beroep

ECLI:NL:CRVB:2022:518

2022-03-09 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht 20/2722 WMO15
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2022-03-09
Publicatiedatum
2022-03-11
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
20/2722 WMO15
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het college aan appellante geen dwangsom verschuldigd is. Het besluit van 4 juni 2019 is genomen binnen twee weken na de ontvangst van de ingebrekestelling op 22 mei 2019. Dit betekent dat het college, gelet op het bepaalde in artikel 4:17, derde lid, van de Awb, geen dwangsom aan appellante verschuldigd is.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (4.686 tekens)
20 2722 WMO15

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer











Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
25 juni 2020, 19/8056 (aangevallen uitspraak)







Partijen:




[appellante] te [woonplaats] (appellante)



het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag (college)





Datum uitspraak: 9 maart 2022








PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. R. Kaya, advocaat, hoger beroep ingesteld.



Het college heeft een verweerschrift ingediend.



Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 december 2021. Appellante is verschenen, vergezeld door haar echtgenoot [naam echtgenoot] en bijgestaan door mr. Kaya. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. Punter. De zaak is gevoegd behandeld met de zaak 20/1366 WMO15. Na de zitting zijn de zaken weer gesplitst. In elke zaak wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.





OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.



1.1.

Appellante heeft op 2 juli 2018 een aanvraag ingediend op grond van de Wet
maatschappelijke ondersteuning 2015.




1.2.

Op 22 mei 2019 heeft appellante het college in gebreke gesteld wegens het uitblijven van
een beslissing op haar aanvraag.




1.3.
Bij besluit van 4 juni 2019 heeft het college de aanvraag van appellante afgewezen.



1.4.
Bij besluit van 6 juni 2019 heeft het college aan appellante te kennen gegeven geen dwangsom verschuldigd te zijn. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is ongegrond verklaard bij beslissing op bezwaar van 6 november 2019 (bestreden besluit). Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat met het besluit van 4 juni 2019 binnen twee weken na de ontvangst van de ingebrekestelling een beslissing op de aanvraag is genomen, waardoor het college geen dwangsom aan appellante verschuldigd is.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Volgens appellante heeft het college een dwangsom verbeurd, omdat het besluit van 4 juni 2019 niet goed gemotiveerd en onjuist is. Dit blijkt volgens appellante alleen al uit de wijze waarop het college de op 2 juli 2018 gevraagde voorziening alsnog heeft verstrekt bij besluit van 11 oktober 2019. Om die reden dient het besluit van 4 juni 2019 volgens appellante als niet genomen te worden beschouwd en is het college aan haar een dwangsom verschuldigd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.



4.1.
De Raad stelt vast dat in dit geding uitsluitend de vraag voorligt of de rechtbank met juistheid heeft geoordeeld dat het college aan appellante geen dwangsom verschuldigd is.



4.2.
Met het besluit van 4 juni 2019 heeft het college op de aanvraag van 2 juli 2018 beslist. Het besluit van 4 juni 2019 is een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De vraag of dit besluit rechtmatig is, is niet bepalend voor de verschuldigdheid van een dwangsom (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 14 april 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1360).



4.3.
Het besluit van 4 juni 2019 is genomen binnen twee weken na de ontvangst van de ingebrekestelling op 22 mei 2019. Dit betekent dat de rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel dat het college, gelet op het bepaalde in artikel 4:17, derde lid, van de Awb, geen dwangsom aan appellante verschuldigd is.



4.4.
Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.






BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.




Deze uitspraak is gedaan door D. Hardonk-Prins, in tegenwoordigheid van D. Al-Zubaidi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2022.





(getekend) D. Hardonk-Prins





(getekend) D. Al-Zubaidi