Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Centrale Raad van Beroep

ECLI:NL:CRVB:2022:2205

2022-10-13 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht 21 / 4446 AOW
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2022-10-13
Publicatiedatum
2022-10-14
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
21 / 4446 AOW
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Verzoek om herziening afgewezen. Geen feiten en omstandigheden als bedoeld in art. 8:119, lid 1, Awb.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (4.165 tekens)
214446 AOW


Datum uitspraak: 13 oktober 2022




Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer











Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 18 november 2021, 21/2653 AOW







Partijen:




[verzoeker] te [woonplaats] , Marokko (verzoekster)



de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)




PROCESVERLOOP



Verzoekster heeft bij brief van 8 december 2021 verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 18 november 2021 (ECLI:NL:CRVB:2021:2853).



Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 september 2022. Partijen zijn niet verschenen.





OVERWEGINGEN


1.1.
De Svb heeft bij besluit van 10 april 2015 de aanvraag van verzoekster om een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet afgewezen, omdat zij minder dan een jaar ouderdomspensioen heeft opgebouwd. Bij besluit van 15 april 2020 heeft de Svb het verzoek om terug te komen van dit besluit, onder toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), afgewezen. Volgens de Svb heeft verzoekster geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven om terug te komen van het besluit van 10 april 2015 en is het besluit ook niet onmiskenbaar onjuist. Bij besluit van 7 augustus 2020 heeft de Svb het bezwaar van verzoekster tegen het besluit van 15 april 2020 ongegrond verklaard.



1.2.
Bij uitspraak van 31 mei 2021, 20/5016 heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 7 augustus 2020 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 18 november 2021 (ECLI:NL:CRVB:2021:2853), waarvan herziening wordt gevraagd, heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

2. Verzoekster heeft ter onderbouwing van haar herzieningsverzoek naar voren gebracht dat haar overleden echtgenoot negen jaar in Nederland heeft gewerkt, dat zij zijn enige weduwe is, dat zij ernstig ziek is en niet in haar inkomen kan voorzien.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.



3.1.
Op grond van artikel 8:119, eerste lid, van de Awb kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten en omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.



3.2.
De gronden van het verzoek om herziening komen erop neer dat verzoekster opnieuw de discussie probeert te voeren over de zaak waarover is beslist bij de uitspraak van de Raad van 18 november 2021. Het is vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 13 maart 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:828) dat het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening niet is gegeven om een hernieuwde discussie over een zaak te voeren en evenmin om een discussie over de juistheid van de betrokken uitspraak te openen terwijl geen sprake is van feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb. Het verzoek om herziening dient te worden afgewezen, nu niet is gebleken dat verzoekster enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid, zoals bedoeld in artikel 8:119 van de Awb, naar voren heeft gebracht.


4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.






BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af.




Deze uitspraak is gedaan door M. Wolfrat, in tegenwoordigheid van S.N. de Groot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2022.





(getekend) M. Wolfrat





(getekend) S.N. de Groot