Centrale Raad van Beroep
ECLI:NL:CRVB:2022:1483
2022-06-30
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
22/298 TW
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Hoger beroep niet-ontvankelijk. Hoger beroep is rechtsgeldig door de advocaat van appellant ingetrokken en kan niet, zoals appellant wenst, ongedaan worden gemaakt.
Citeert (1)
- ECLI:NL:CRVB:2016:517 Centrale Raad van Beroep 17-02-2016
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (3.403 tekens)
22298 TW
Datum uitspraak: 30 juni 2022
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 20 december 2021, 20/6832 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. C.I. Zaad, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Bij brief van 31 maart 2022 heeft appellant het hoger beroep ingetrokken.
Bij brief van 8 april 2022 heeft appellant gesteld er niet bij stil te hebben gestaan dat het griffierecht niet teruggestort zou worden. Appellant heeft de Raad verzocht om, als het griffierecht niet teruggestort kan worden, deze zaak op eigen titel te doen.
OVERWEGINGEN
1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
1.1.
De brief van 8 april 2022 van appellant betreft het verzoek om het ongedaan maken van de intrekking van 31 maart 2022.
1.2.
Intrekking van een hoger beroep na afloop van een hoger beroepstermijn kan niet ongedaan worden gemaakt, tenzij de intrekking van het hoger beroep onbevoegdelijk is gedaan dan wel van een wilsgebrek sprake is, zoals dwang, dwaling of bedrog (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 17 februari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:517).
1.3.
Bij brief van 31 maart 2022 is het hoger beroep door mr. Zaad bevoegdelijk en zonder enig voorbehoud ingetrokken. Van een herroeping van de intrekking binnen de hoger beroepstermijn is geen sprake. Niet gebleken is dat de intrekking van het hoger beroep berust op een wilsgebrek. Het enkele feit dat appellant in de veronderstelling verkeerde dat hij het griffierecht vergoed zou krijgen maakt immers niet dat sprake is van een wilsgebrek.
1.4.
Uit 1.1 tot en met 1.3 volgt dat het hoger beroep rechtsgeldig is ingetrokken en dat die intrekking niet, zoals appellant wenst, ongedaan kan worden gemaakt. Dit betekent dat het hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
2. Er bestaat geen aanleiding (alsnog) het griffierecht te vergoeden.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2022.
(getekend) E.W. Akkerman
(getekend) M.D.F. de Moor
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.
Datum uitspraak: 30 juni 2022
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 20 december 2021, 20/6832 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. C.I. Zaad, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Bij brief van 31 maart 2022 heeft appellant het hoger beroep ingetrokken.
Bij brief van 8 april 2022 heeft appellant gesteld er niet bij stil te hebben gestaan dat het griffierecht niet teruggestort zou worden. Appellant heeft de Raad verzocht om, als het griffierecht niet teruggestort kan worden, deze zaak op eigen titel te doen.
OVERWEGINGEN
1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
1.1.
De brief van 8 april 2022 van appellant betreft het verzoek om het ongedaan maken van de intrekking van 31 maart 2022.
1.2.
Intrekking van een hoger beroep na afloop van een hoger beroepstermijn kan niet ongedaan worden gemaakt, tenzij de intrekking van het hoger beroep onbevoegdelijk is gedaan dan wel van een wilsgebrek sprake is, zoals dwang, dwaling of bedrog (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 17 februari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:517).
1.3.
Bij brief van 31 maart 2022 is het hoger beroep door mr. Zaad bevoegdelijk en zonder enig voorbehoud ingetrokken. Van een herroeping van de intrekking binnen de hoger beroepstermijn is geen sprake. Niet gebleken is dat de intrekking van het hoger beroep berust op een wilsgebrek. Het enkele feit dat appellant in de veronderstelling verkeerde dat hij het griffierecht vergoed zou krijgen maakt immers niet dat sprake is van een wilsgebrek.
1.4.
Uit 1.1 tot en met 1.3 volgt dat het hoger beroep rechtsgeldig is ingetrokken en dat die intrekking niet, zoals appellant wenst, ongedaan kan worden gemaakt. Dit betekent dat het hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
2. Er bestaat geen aanleiding (alsnog) het griffierecht te vergoeden.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2022.
(getekend) E.W. Akkerman
(getekend) M.D.F. de Moor
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.