Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Centrale Raad van Beroep

ECLI:NL:CRVB:2022:1152

2022-05-17 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht 20/3563 PW-PV
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2022-05-17
Publicatiedatum
2022-05-25
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
20/3563 PW-PV
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om bijstand. Geen woonplaats in de gemeente. Appellante had ten tijde van de periode in geding geen woonplaats had in de gemeente Doetinchem. Van betekenis hiervoor is dat appellante tijdens een intakegesprek meermaals duidelijk heeft verklaard dat zij niet dan wel nauwelijks in Doetinchem verblijft. Appellante heeft daarbij verklaard dat zij haar leven niet in Doetinchem heeft en daar geen activiteiten verricht. Als ze al een keer in de woning op het uitkeringsadres slaapt, is zij ’s ochtends meteen weer weg, weg uit Doetinchem. Dat appellante zich niet veilig en niet thuis voelde in Doetinchem, op het uitkeringsadres, doet – hoe ingrijpend dat ook voor haar is – niet af aan het feit dat appellante in het kader van de beoordeling van de bijstandsaanvraag daadwerkelijk moet wonen in de gemeente Doetinchem.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (4.078 tekens)
203563 PW-PV

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer











Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 9 september 2020, 19/6481 (aangevallen uitspraak)







Partijen:




[appellante] te [woonplaats] (appellante)



het algemeen bestuur van de Uitvoeringsorganisatie Laborijn (algemeen bestuur)




Datum uitspraak: 17 mei 2022



Zitting heeft: M. Hillen als lid van de enkelvoudige kamer
Griffier: Y. Al-Qaq



Appellante is, met bericht, niet verschenen. Het algemeen bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam].





BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.



Appellante heeft in de periode van 1 april 2016 tot en met 3 oktober 2018 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder ontvangen, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW). De bijstand is per 4 oktober 2018 ingetrokken omdat appellante geen hoofdverblijf had op adres X (uitkeringsadres) te [plaats].



De aanvraag van 1 februari 2019 (melding 21 januari 2019) is afgewezen op grond van artikel 40, eerste lid, van de PW. Omdat appellante geen hoofdverblijf had op het uitkeringsadres heeft zij geen recht op bijstand in de gemeente [plaats].



Zoals de Raad eerder heeft geoordeeld (zie de uitspraak van 30 november 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:3038) is voor het antwoord van de vraag waar de woonplaats in de zin van artikel 40, eerste lid, van de PW is, uitsluitend bepalend waar de betrokkene zijn hoofdverblijf heeft en, als er geen hoofdverblijf is aan te wijzen, waar hij werkelijk verblijft. Het hoofdverblijf van een betrokkene is daar waar het zwaartepunt van zijn persoonlijk leven zich bevindt. Dit dient te worden bepaald aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.



Net als de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellante ten tijde van de periode in geding, die loopt van 1 februari 2019 tot en met 6 maart 2019, geen woonplaats had in de gemeente [plaats]. Van betekenis hiervoor is dat appellante tijdens een intakegesprek op
1 februari 2019 meermaals duidelijk heeft verklaard dat zij niet dan wel nauwelijks in [plaats] verblijft. Appellante heeft daarbij verklaard dat zij haar leven niet in [plaats] heeft en daar geen activiteiten verricht. Als ze al een keer in de woning op het uitkeringsadres slaapt, is zij ’s ochtends meteen weer weg, weg uit [plaats]. Dat appellante in het hoger beroepschrift heeft gesteld dat zij tot en met 31 mei 2019 vrijwel alle nachten in de woning op het uitkeringsadres heeft geslapen, acht de Raad dan ook niet geloofwaardig. Dat appellante zich niet veilig en niet thuis voelde in [plaats], op het uitkeringsadres, doet – hoe ingrijpend dat ook voor haar is – niet af aan het feit dat appellante in het kader van de beoordeling van de bijstandsaanvraag daadwerkelijk moet wonen in de gemeente [plaats].



Appellante heeft een beroep gedaan op dringende redenen in de zin van artikel 16 van de PW.
Omdat appellante niet op grond van de artikelen 13 tot en met 15 van de PW is uitgesloten van het recht op bijstand, is zij niet een persoon als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de PW. Daarom is deze bepaling in de situatie van appellante niet van toepassing. Dit betekent dat aan de beoordeling of er zeer dringende redenen zijn niet wordt toegekomen.
Het hoger beroep slaagt niet en voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



Waarvan proces-verbaal.



De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer





(getekend) Y. Al-Qaq (getekend) M. Hillen