Centrale Raad van Beroep
ECLI:NL:CRVB:2021:2526
2021-10-12
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
20/941 PW-PV
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Terugvordering AIO. Geen sprake van dringende redenen. Appellante heeft aangevoerd dat sprake is van een dringende reden om van terugvordering af te zien. Zij is op leeftijd en zal de rest van haar leven met een schuld zitten. Deze beroepsgrond slaagt niet. Dringende redenen als bedoeld in artikel 58, achtste lid, van de PW doen zich alleen voor als de terugvordering onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen voor de betrokkene heeft. Het moet dan gaan om gevallen waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is. Wat appellante heeft aangevoerd levert geen dringende redenen op
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (1)
- ECLI:NL:RBOVE:2022:500 Rechtbank Overijssel 21-02-2022
Volledige tekst
Volledige tekst (2.846 tekens)
20941 PW-PV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 januari 2020, 19/2111 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Zitting heeft: K.M.P. Jacobs
Griffier: J. Oosterveen
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 september 2021. Namens appellante is verschenen mr. M. el Ahmadi, advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. W. van den Berg.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
1. Appellante ontving een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling) op grond van de Participatiewet (PW).
2. Bij besluit van 4 december 2018, na bezwaar gewijzigd bij besluit van 27 februari 2019 (bestreden besluit), heeft het college een bedrag van € 9.738,71 aan te veel betaalde AIOaanvulling van appellante teruggevorderd.
3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
4. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat sprake is van een dringende reden om van terugvordering af te zien. Zij is op leeftijd en zal de rest van haar leven met een schuld zitten.
5. Deze beroepsgrond slaagt niet. Dringende redenen als bedoeld in artikel 58, achtste lid, van de PW doen zich alleen voor als de terugvordering onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen voor de betrokkene heeft. Het moet dan gaan om gevallen waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is. Wat appellante heeft aangevoerd levert geen dringende redenen op. Hierbij is van betekenis dat een besluit tot terugvordering pas financiële gevolgen heeft bij de invordering. Appellante heeft bij de invordering als schuldenaar de bescherming van de regels over de beslagvrije voet die zijn neergelegd in de artikelen 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
6. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak wordt daarom bevestigd.
7. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) J. Oosterveen (getekend) K.M.P. Jacobs
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 januari 2020, 19/2111 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Zitting heeft: K.M.P. Jacobs
Griffier: J. Oosterveen
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 september 2021. Namens appellante is verschenen mr. M. el Ahmadi, advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. W. van den Berg.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
1. Appellante ontving een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling) op grond van de Participatiewet (PW).
2. Bij besluit van 4 december 2018, na bezwaar gewijzigd bij besluit van 27 februari 2019 (bestreden besluit), heeft het college een bedrag van € 9.738,71 aan te veel betaalde AIOaanvulling van appellante teruggevorderd.
3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
4. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat sprake is van een dringende reden om van terugvordering af te zien. Zij is op leeftijd en zal de rest van haar leven met een schuld zitten.
5. Deze beroepsgrond slaagt niet. Dringende redenen als bedoeld in artikel 58, achtste lid, van de PW doen zich alleen voor als de terugvordering onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen voor de betrokkene heeft. Het moet dan gaan om gevallen waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is. Wat appellante heeft aangevoerd levert geen dringende redenen op. Hierbij is van betekenis dat een besluit tot terugvordering pas financiële gevolgen heeft bij de invordering. Appellante heeft bij de invordering als schuldenaar de bescherming van de regels over de beslagvrije voet die zijn neergelegd in de artikelen 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
6. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak wordt daarom bevestigd.
7. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) J. Oosterveen (getekend) K.M.P. Jacobs