Centrale Raad van Beroep
ECLI:NL:CRVB:2021:2090
2021-08-10
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
19/4850 PW-PV
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Intrekking en terugvordering van bijstand en individuele inkomenstoeslag. Verzwegen spaarrekening. Het vermogen van appellante, inclusief het saldo van een in strijd met de inlichtingenverplichting verzwegen spaarrekening, was hoger dan de voor haar geldende norm, zodat appellante achteraf bezien geen recht had op bijstand en individuele inkomenstoeslag. Het dagelijks bestuur was niet rekening te houden met een fictieve interingsnorm.
Citeert (1)
- ECLI:NL:CRVB:2019:1378 Centrale Raad van Beroep 02-04-2019
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (2.857 tekens)
194850 PW-PV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 10 oktober 2019, 19/2551 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het dagelijks bestuur van Ferm Werk (dagelijks bestuur)
Datum uitspraak: 10 augustus 2021
Zitting heeft: M. Hillen als lid van de enkelvoudige kamer
Griffier: R. de Haas
Appellante, bijgestaan door mr. J.H.F. de Jong, advocaat, heeft door middel van videobellen deelgenomen aan de zitting. Voor het dagelijks bestuur van Ferm Werk is
mr. P.C van der Voorn verschenen.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Het gaat in deze zaak om intrekking en terugvordering van bijstand over de periode van
13 december 2016 tot en met 31 oktober 2018 en individuele inkomenstoeslag. Het dagelijks bestuur heeft daaraan ten grondslag gelegd dat het vermogen van appellante, inclusief het saldo van een in strijd met de inlichtingenverplichting verzwegen spaarrekening, op
13 december 2016 € 30.362,15 bedroeg, zodat appellante achteraf bezien geen recht had op bijstand en individuele inkomenstoeslag. De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard.
Anders dan appellante heeft aangevoerd, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het dagelijks bestuur niet gehouden was rekening te houden met een fictieve interingsnorm. Dat is vaste rechtspraak (vergelijk de uitspraak van 2 april 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1378).
Nu appellante in de referteperiode over relevant vermogen beschikte, bestond, anders dan appellante heeft aangevoerd, ook geen recht op individuele inkomenstoeslag.
Het beroep van appellante op de uitspraak van 2 maart 2010, ECLI:CRVB:2010:BL7266, slaagt niet, omdat de in deze uitspraak genoemde situatie niet van toepassing is op appellante. In het geval van appellante is onduidelijk gebleven wat met het vermogen is gebeurd.
Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt. Voor een veroordeling in de proceskosten en voor een veroordeling tot vergoeding van wettelijke rente bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) R. de Haas (getekend) M. Hillen
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 10 oktober 2019, 19/2551 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het dagelijks bestuur van Ferm Werk (dagelijks bestuur)
Datum uitspraak: 10 augustus 2021
Zitting heeft: M. Hillen als lid van de enkelvoudige kamer
Griffier: R. de Haas
Appellante, bijgestaan door mr. J.H.F. de Jong, advocaat, heeft door middel van videobellen deelgenomen aan de zitting. Voor het dagelijks bestuur van Ferm Werk is
mr. P.C van der Voorn verschenen.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Het gaat in deze zaak om intrekking en terugvordering van bijstand over de periode van
13 december 2016 tot en met 31 oktober 2018 en individuele inkomenstoeslag. Het dagelijks bestuur heeft daaraan ten grondslag gelegd dat het vermogen van appellante, inclusief het saldo van een in strijd met de inlichtingenverplichting verzwegen spaarrekening, op
13 december 2016 € 30.362,15 bedroeg, zodat appellante achteraf bezien geen recht had op bijstand en individuele inkomenstoeslag. De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard.
Anders dan appellante heeft aangevoerd, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het dagelijks bestuur niet gehouden was rekening te houden met een fictieve interingsnorm. Dat is vaste rechtspraak (vergelijk de uitspraak van 2 april 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1378).
Nu appellante in de referteperiode over relevant vermogen beschikte, bestond, anders dan appellante heeft aangevoerd, ook geen recht op individuele inkomenstoeslag.
Het beroep van appellante op de uitspraak van 2 maart 2010, ECLI:CRVB:2010:BL7266, slaagt niet, omdat de in deze uitspraak genoemde situatie niet van toepassing is op appellante. In het geval van appellante is onduidelijk gebleven wat met het vermogen is gebeurd.
Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt. Voor een veroordeling in de proceskosten en voor een veroordeling tot vergoeding van wettelijke rente bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) R. de Haas (getekend) M. Hillen