Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Centrale Raad van Beroep

ECLI:NL:CRVB:2021:1777

2021-07-13 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht 18/5966 PW-PV
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2021-07-13
Publicatiedatum
2021-07-22
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
18/5966 PW-PV
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Afwijzing herzieningsverzoek. Niet evident onredelijk. Fiscale aanslag. Geen nieuw feit. Geen dwangsom verschuldigd. Beslistermijn. Fiscale aanslag is geen voor de toepassing van de WWB relevant gegeven en dus ook geen nieuw feit dat aan het verzoek om herziening ten grondslag had moeten worden gelegd. Afwijzing van het herzieningsverzoek is terecht. Uit wat appellante heeft aangevoerd blijkt niet dat de afwijzing van het herzieningsverzoek evident onredelijk is. Rechtbank heeft bij vaststellen van de dwangsom ten onrechte een beslistermijn van 6 weken gehanteerd omdat het college een commissie als bedoeld in 7:13 van de Awb heeft ingesteld zodat de beslistermijn 12 weken was. De ingebrekestelling was prematuur.

Citeert (4)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (4.895 tekens)
185966 PW-PV, 19/423 PW-PV

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer



Datum uitspraak: 13 juli 2021











Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 9 oktober 2018, 18/438 (aangevallen uitspraak)







Partijen:




[appellante] te [woonplaats] (appellante)



het college van burgemeester en wethouders van Hellevoetsluis (college)




Zitting heeft: J.N.A. Bootsma
Griffier: Y. Al-Qaq



Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juli 2021. Appellante is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Yavuzyiğitoğlu.





BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep




Het hoger beroep van appellante



- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.


Dit betekent dat het verzoek om herziening van het besluit over de bijstand in 2014 terecht is afgewezen.




Het incidenteel hoger beroep van het college





vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarin is beslist op het beroep tegen het besluit van 9 januari 2018;


verklaart het beroep van appellante tegen dat besluit ongegrond.




Dit betekent dat het college de dwangsom terecht heeft afgewezen en dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college een dwangsom is verschuldigd.



Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar en gebaseerd op de volgende overwegingen.




Het hoger beroep




Appellante heeft verzocht om de besluitvorming over haar bijstand over 2014 te herzien naar aanleiding van de definitieve aanslag inkomstenbelasting 2014. Volgens appellante blijkt daaruit dat het college in 2014 ten onrechte een bedrag van € 382,- per maand als inkomen op haar bijstand in mindering heeft gebracht. Het gaat immers om vermogen. Ongeacht of zij bij haar herzieningsverzoek nieuwe feiten of omstandigheden naar voren heeft gebracht meent zij dat het evident onredelijk is om niet tot herziening over te gaan.



De Raad heeft eerder in, tussen partijen gewezen uitspraken van 13 november 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:3601 en ECLI:NL:CRVB:2018:3602) over gelijksoortige herzieningsverzoeken van appellante geoordeeld dat niet het inkomensbegrip uit de fiscale wetgeving, maar het begrip inkomen zoals dat in de Wet werk en bijstand (Wwb) staat van toepassing is. Ook de aanslag over 2014 is dus geen voor de toepassing van Wwb relevant gegeven, zodat deze niet kan worden aangemerkt als nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid. Uit wat appellante heeft aangevoerd volgt ook niet dat de afwijzing van het herzieningsverzoek evident onredelijk is.






Het incidenteel hoger beroep




Appellante heeft naar voren gebracht dat het incidenteel hoger beroep niet-ontvankelijk is omdat er geen besluit is waaruit blijkt dat het college heeft ingestemd met het instellen van incidenteel hoger beroep. Op verzoek van de Raad heeft het college een procesbesluit overgelegd waaruit blijkt dat bevoegdelijk incidenteel hoger beroep is ingesteld en dat het incidenteel hoger beroep daarom ontvankelijk is.



Het incidenteel hoger beroep van het college richt zich tegen de aangevallen uitspraak, voor zover het beroep gegrond is verklaard en de rechtbank zelf in de zaak heeft voorzien door te bepalen dat het college een dwangsom is verschuldigd van € 1.260,- voor het niet tijdig beslissen op het bezwaar. Volgens het college is de rechtbank ten onrechte uitgegaan van een beslistermijn van zes weken. Uitgaande van de juiste termijn van 12 weken was de ingebrekestelling prematuur.



Het incidenteel hoger beroep slaagt. Niet in geschil is dat het college een commissie als bedoeld in artikel 7:13 van de Awb heeft ingesteld. Als dat zo is, vloeit de twaalfwekentermijn rechtstreeks voort uit artikel 7:10, eerste lid, van de Awb. De toepasselijkheid van deze termijn is niet afhankelijk van de mededeling aan de indiener van het bezwaarschrift dat een commissie over het bezwaar zal adviseren. Vergelijk de uitspraken van 10 september 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2945, en 30 april 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1470.



Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



Waarvan proces-verbaal.



De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer





(getekend) Y. Al-Qaq (getekend) J.N.A. Bootsma