Centrale Raad van Beroep
ECLI:NL:CRVB:2021:1523
2021-06-15
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
18/5971 PW-PV
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Boete. 18 maanden aflossen i.v.m. recidive. Appellant heeft geen melding gemaakt van inkomsten uit werkzaamheden. College is terecht uitgegaan van de netto betalingen op de bankafschriften. Loonspecificaties waren niet nodig voor vaststellen benadelingsbedrag. De maximale aflossingstermijn bij recidive en normale verwijtbaarheid mag verlengd worden tot achttien maanden. Boete is evenredig.
Citeert (2)
- ECLI:NL:CRVB:2020:1045 Centrale Raad van Beroep 28-04-2020
- ECLI:NL:CRVB:2019:3052 Centrale Raad van Beroep 03-09-2019
Geciteerd door (1)
- ECLI:NL:RBNNE:2023:3806 Rechtbank Noord-Nederland 08-09-2023
Volledige tekst
Volledige tekst (3.656 tekens)
185971 PW-PV
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 3 oktober 2018, 18/1717 (aangevallen uitspraak) en het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)
Datum uitspraak: 15 juni 2021
Zitting hebben: A.J. Schaap als voorzitter en K.M.P. Jacobs en P.J. Huisman als leden.
Griffier: W.E.M. Maas
Appellant is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E. Chahid via videobellen.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
bevestigt de aangevallen uitspraak;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Het gaat in deze zaak om een opgelegde boete van € 683,-.
Appellant heeft de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden door bij het college zijn werkzaamheden voor [werkgever] en de daaruit verkregen inkomsten niet te melden. De stelling dat hem hiervan geen of een verminderd verwijt kan worden gemaakt, heeft appellant niet onderbouwd en daarmee niet aannemelijk gemaakt.
Het college is bij de vaststelling van het benadelingsbedrag uitgegaan van de inkomsten, zoals die feitelijk blijken uit de bankafschriften van appellant. Deze vaststelling strookt met het netto-karakter van bijstand, zoals dat volgt uit onder meer artikel 31, derde lid, van de Participatiewet. De beroepsgrond dat de loonspecificaties nodig zijn om het benadelingsbedrag exact te kunnen vaststellen, slaagt dan ook niet. Bovendien heeft appellant – ondanks herhaalde verzoeken van het college – geen loonspecificaties overgelegd en daarmee niet inzichtelijk gemaakt welke concrete voor de vaststelling van het benadelingsbedrag relevante aanvullende informatie in dit geval aan die loonstroken zou kunnen worden ontleend (zie de uitspraak van 28 april 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1045).
Bij uitspraak van 3 september 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:3052) heeft de Raad, voor zover van belang, geoordeeld dat een beleidsregel dat bij recidive en normale verwijtbaarheid – zoals ook in dit geval – de maximale aflostermijn wordt verlengd tot achttien maanden, binnen de grenzen van een redelijke beleidstoepassing blijft. Het betoog van appellant dat in de rechtspraak geen aanknopingspunten zijn te vinden op grond waarvan de termijn waarbinnen de boete zou kunnen worden afgelost bij gewone verwijtbaarheid in combinatie met recidive 18 maanden zou bedragen, treft dus geen doel.
De aan appellant opgelegde boete is evenredig, ook als rekening wordt gehouden met de verhoging van de beslagvrije voet van 90% naar 95% van de toepasselijke bijstandsnorm.
Het hoger beroep slaagt dus niet. Dit brengt mee dat voor een veroordeling tot vergoeding van proceskosten en van schade in de vorm van wettelijke rente geen grond aanwezig is.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter
(getekend) W.E.M. Maas (getekend) A.J. Schaap
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 3 oktober 2018, 18/1717 (aangevallen uitspraak) en het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)
Datum uitspraak: 15 juni 2021
Zitting hebben: A.J. Schaap als voorzitter en K.M.P. Jacobs en P.J. Huisman als leden.
Griffier: W.E.M. Maas
Appellant is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E. Chahid via videobellen.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
bevestigt de aangevallen uitspraak;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Het gaat in deze zaak om een opgelegde boete van € 683,-.
Appellant heeft de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden door bij het college zijn werkzaamheden voor [werkgever] en de daaruit verkregen inkomsten niet te melden. De stelling dat hem hiervan geen of een verminderd verwijt kan worden gemaakt, heeft appellant niet onderbouwd en daarmee niet aannemelijk gemaakt.
Het college is bij de vaststelling van het benadelingsbedrag uitgegaan van de inkomsten, zoals die feitelijk blijken uit de bankafschriften van appellant. Deze vaststelling strookt met het netto-karakter van bijstand, zoals dat volgt uit onder meer artikel 31, derde lid, van de Participatiewet. De beroepsgrond dat de loonspecificaties nodig zijn om het benadelingsbedrag exact te kunnen vaststellen, slaagt dan ook niet. Bovendien heeft appellant – ondanks herhaalde verzoeken van het college – geen loonspecificaties overgelegd en daarmee niet inzichtelijk gemaakt welke concrete voor de vaststelling van het benadelingsbedrag relevante aanvullende informatie in dit geval aan die loonstroken zou kunnen worden ontleend (zie de uitspraak van 28 april 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1045).
Bij uitspraak van 3 september 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:3052) heeft de Raad, voor zover van belang, geoordeeld dat een beleidsregel dat bij recidive en normale verwijtbaarheid – zoals ook in dit geval – de maximale aflostermijn wordt verlengd tot achttien maanden, binnen de grenzen van een redelijke beleidstoepassing blijft. Het betoog van appellant dat in de rechtspraak geen aanknopingspunten zijn te vinden op grond waarvan de termijn waarbinnen de boete zou kunnen worden afgelost bij gewone verwijtbaarheid in combinatie met recidive 18 maanden zou bedragen, treft dus geen doel.
De aan appellant opgelegde boete is evenredig, ook als rekening wordt gehouden met de verhoging van de beslagvrije voet van 90% naar 95% van de toepasselijke bijstandsnorm.
Het hoger beroep slaagt dus niet. Dit brengt mee dat voor een veroordeling tot vergoeding van proceskosten en van schade in de vorm van wettelijke rente geen grond aanwezig is.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter
(getekend) W.E.M. Maas (getekend) A.J. Schaap